Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA7995

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
24-002494-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BG4817
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BG4817
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 9 van de Flora- en Faunawet, opzettelijk begaan. [..] Verdachte heeft betoogd dat hij de val op perceel E 109 heeft geplaatst om schade in/aan het maïsperceel E 105 te bestrijden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het plaatsen van een vangkooi in het maïsperceel schade oplevert en kraaien aantrekt, zodat op die wijze extra schade aan de maïs wordt toegebracht. Ter voorkoming daarvan is de val op enige afstand, in de aanvliegroute, geplaatst van het perceel waar de mogelijke schade wordt toegebracht. Deze werkwijze is ter zitting van het hof door deskundige Van Gerrevink gekenschetst als logisch en het meest effectief ter bereiking van het doel. Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte hieromtrent aannemelijk is en dat de bedoeling van de wetgever zo valt te verstaan dat daaronder ook wordt begrepen de bestrijding in de directe nabijheid van de grond (in casu perceel E 109). Het hof acht het feit derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Flora- en faunawet 9
Flora- en faunawet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002494-05

Parketnummer eerste aanleg: 07-730211-05

Arrest van 11 mei 2007 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 december 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1952] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y.M. van Boxel, advocaat te Rotterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis ter zake van het hem onder 1 tenlastegelegde schuldig verklaard zonder strafoplegging en hem wegens het onder 2 tenlastegelegde misdrijf veroordeeld tot een straf en met betrekking tot het inbeslaggenomen goed een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep (d.d. 30 januari 2007 en 27 april 2007), alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen zal verklaren, de feiten zal kwalificeren als misdrijven en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 500,- subsidiair tien dagen vervangende hechtenis, waarvan € 250,- subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bewezenverklaring

(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlastelegging)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

onder 1:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 9 van de Flora- en Faunawet, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid

Door en namens verdachte is gesteld dat het vangen van kraaien onder de algehele vrijstelling als bedoeld in artikel 65 van de Flora- en Faunawet (hierna: FFW) valt en dat de door hem gepleegde feiten niet strafbaar zijn. Verdachte heeft bovendien betoogd dat plaatsing op de landelijke vrijstellingslijst betekent dat concrete schade niet meer behoeft te worden aangetoond.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 9 FFW is het verboden dieren, behorende tot een beschermde diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. De kraai is aangewezen als beschermde inheemse diersoort.

Artikel 65 FFW kent de mogelijkheid van vrijstelling voor soorten die in het gehele land belangrijke schade aanrichten (artikel 65, eerste lid, onder a, FFW) en soorten die in delen van het land belangrijke schade aanrichten (artikel 65, eerste lid, onder b, FFW). De soorten die daarvoor in aanmerking komen worden daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen. De zwarte kraai is ingevolge het Besluit beheer en schadebestrijding dieren aangewezen als soort die in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanricht (Bijlage 1 in verband met artikel 2 Besluit beheer en schadebestrijding dieren).

De zwarte kraai is met ingang van 1 april 2004 geplaatst op de landelijke vrijstellingslijst, na daarvoor op alle provinciale vrijstellingslijsten te hebben gestaan.

De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan op grond van het derde lid van artikel 65 FFW bij ministeriële regeling toestaan dat met betrekking tot op grond van artikel 65, eerste lid, onder a, van de FFW aangewezen soorten, handelingen worden verricht in afwijking van de verboden genoemd in de artikelen 9 tot en met 12 FFW. In deze regeling, de Regeling beheer en schadebestrijding dieren, is in artikel 1 bepaald dat als handelingen worden aangewezen de handelingen als bedoeld in artikel 9 tot en met 12 FFW.

Artikel 65, tweede lid, FFW, zoals dat luidde ten tijde van het plegen van het feit, bepaalt dat aanwijzing van een soort kan worden gedaan ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Niet alleen de aanwijzing van een soort is afhankelijk van de vraag of er sprake is van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren; ook het toestaan van het verrichten van handelingen in strijd met de artikelen 9 tot en met 12 FFW is blijkens artikel 65, vijfde lid, FFW afhankelijk van de hiervoor genoemde criteria.

Artikel 65, derde lid, FFW beperkt de vrijstelling tot de grondgebruiker of in door hem gebruikte opstallen. Ook een persoon aan wie door de grondgebruiker schriftelijk toestemming is verleend kan ingevolge artikel 65, zesde lid, FFW de hiervoor genoemde handelingen verrichten.

De advocaat-generaal heeft ter zitting betoogd dat nu de grondgebruiker en/of diens gemachtigde slechts op eigen grond kraaien mag vangen, de hierboven bedoelde vrijstelling locatie- en persoonsgebonden is.

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of plaatsing op een landelijke vrijstellingslijst betekent dat daarmee gegeven is dat belangrijke schade wordt toegebracht zoals hiervoor is vermeld. Elke grondgebruiker zou vanuit die redenering te allen tijde de verboden handelingen kunnen verrichten, zonder een causaal verband aan te hoeven tonen tussen de verrichte verboden handelingen en de schade. Ook de grondgebruiker die geen enkele schade lijdt zou bij aanvaarding van die opvatting zonder enige repercussie tot de verboden handeling kunnen overgaan en de kraai zou daarmee vogelvrij worden verklaard.

Het hof is, in tegenstelling tot hetgeen verdachte en de raadsvrouw hebben aangevoerd, van oordeel dat er een causaal verband dient te bestaan tussen de hiervoor genoemde belangrijke schade en het recht van de grondgebruiker om de middels ministeriële regeling toegestane handelingen te (doen) verrichten. Een andere uitleg zou betekenen dat iedere grondgebruiker of diens schriftelijk gemachtigde ongelimiteerd de verboden handelingen zou kunnen verrichten als bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 FFW. De vrijstelling wordt verleend ter beheer en bestrijding van schade en dient daarom aangewend te worden in verband met aantoonbaar door de grondgebruiker geleden of mogelijk te lijden schade.

Verdachte heeft ter zitting betoogd dat de vangkooi op perceel E 109 is geplaatst ter bestrijding van belangrijke schade aan maïs op perceel E 105. Het hof acht, gelet op de verklaring van verdachte en de ter zitting van het hof gehoorde deskundige Van Gerrevink, voldoende aannemelijk gemaakt dat in casu belangrijke schade kan worden toegebracht aan het maïs op perceel E 105.

Verdachte beschikte over een overeenkomst als bedoeld in artikel 34, lid 1 FFW (jachthuur, meerdere huurders en verhuurders) alsmede de toestemming van de grondgebruiker ten behoeve van de uitvoering van vrijstellingen (art 65) en heeft aangevoerd dat hij derhalve gerechtigd was op het perceel maïsland (noot griffier: perceel E 105) kraaien te vangen.

De vangkooi was echter geplaatst op een perceel in de nabijheid van bovengenoemd maïsperceel, te weten perceel E 109. Verdachte heeft eveneens een overeenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij middels een overeenkomst als bedoeld in artikel 34, lid 1 FFW (jachthuur, meerdere huurders en verhuurders) alsmede de toestemming van de grondgebruiker ten behoeve van de uitvoering van vrijstellingen (art 65) ook was gemachtigd ten aanzien van dat perceel.

Het hof heeft vastgesteld - hetgeen ook door verdachte is erkend - dat op perceel E 109 geen sprake was van belangrijke schade aan enig gewas.

Verdachte heeft betoogd dat hij de val op perceel E 109 heeft geplaatst om schade in/aan het maïsperceel E 105 te bestrijden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het plaatsen van een vangkooi in het maïsperceel schade oplevert en kraaien aantrekt, zodat op die wijze extra schade aan de maïs wordt toegebracht. Ter voorkoming daarvan is de val op enige afstand, in de aanvliegroute, geplaatst van het perceel waar de mogelijke schade wordt toegebracht.

Deze werkwijze is ter zitting van het hof door deskundige Van Gerrevink gekenschetst als logisch en het meest effectief ter bereiking van het doel.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte hieromtrent aannemelijk is en dat de bedoeling van de wetgever zo valt te verstaan dat daaronder ook wordt begrepen de bestrijding in de directe nabijheid van de grond (in casu perceel E 109).

Het hof acht het feit derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a (oud) en 2 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 9 en 13 van de Flora- en faunawet.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld ten laste gelegde bewezen, maar ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging, omdat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

gelast de teruggave aan verdachte van:

* vangkooi.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. S. Zwerwer en

mr. O. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers als griffier, zijnde

mr. Zwerwer buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.