Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA7853

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
06/00146
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM.

Taxi-ondernemer slaagt niet in bewijs dat voertuig geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer is gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

nummer 06/00146

Eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 1 maart 2006, num-mer AWB 05/2005, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 24 november 2003 een naheffingsaanslag in de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd over het tijdvak 22 januari 1999 tot en met 21 januari 2002 ten bedrage van € 7.458. Het biljet waarmee deze naheffingsaanslag is kenbaar gemaakt aan belanghebbende vermeldt tevens een beschikking vergrijpboete van € 3.729.

1.2. Belanghebbende heeft zowel tegen de naheffingsaanslag als de boetebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd. De opge-legde vergrijpboete is verminderd tot nihil.

1.3. Tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij haar uitspraak van 1 maart 2006 het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is gericht tegen deze uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend, de Inspecteur een verweerschrift.

1.5. Ter zitting van het Hof van 2 mei 2007 te Arnhem is de zaak mondeling behandeld. Ter zitting is belanghebbende in persoon verschenen, alsmede zijn gemachtigde. Namens de Inspecteur is verschenen mr. A, die tot bijstand is vergezeld van B. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Exemplaren daarvan zijn overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Vaststaande feiten

2.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvol-doende weersproken, het volgende vast.

2.2. Belanghebbende was in het tijdvak van naheffing werkzaam als taxichauffeur. Zijn werk-zaamheden verrichtte hij in het verband van een vennootschap onder firma, waarvan hij één van de vennoten was. Binnen deze taxionderneming maakte belanghebbende in het tijdvak van nahef-fing gebruik van een personenauto van het merk Toyota en type Camry voorzien van het kente-ken AA-BB-00 (hierna: het voertuig). Het voertuig werd gebruikt voor het tegen betaling vervoe-ren van personen als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000. Belanghebbende is kentekenhou-der van dit voertuig.

2.3. Op de voet van artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM is aan belanghebbende, op zijn aanvraag, voor het voertuig een teruggaaf van de BPM verleend.

2.4. Medio 2003 is bij belanghebbende een controle ingesteld ter beoordeling van - onder meer - de juistheid van de aan hem voor het voertuig verleende teruggaaf van BPM. Het rapport met daarin de uitkomsten van deze controle behoort tot de stukken van het geding.

2.5. Uit het voormelde rapport volgt dat belanghebbende een kilometeradministratie heeft gevoerd aan de hand van rittenkaarten. De rittenkaarten vertonen volgens het controlerapport meerdere tekortkomingen. Naast de rittenkaarten heeft belanghebbende werkmappen bijgehou-den, waarin gegevens over (de aard van) het gebruik van het voertuig zijn opgenomen. De werk-mappen zijn niet bewaard gebleven. Het voertuig was voorzien van een taxameter. Belangheb-bende beschikte niet over een printer om gegevens van de taxameter uit te printen. De gegevens van deze taxameter zijn gewist.

2.6. Naar aanleiding van de uitkomsten van het rapport heeft de Inspecteur de bestreden nahef-fingsaanslag opgelegd.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het voertuig geheel of nagenoeg geheel is ge-bruikt voor taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000. Belanghebbende beant-woordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. De berekening van het nageheven bedrag is in zoverre niet in geschil.

3.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

3.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotitie, toegevoegd het-geen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur en verzoekt de naheffingsaanslag te verminderen tot nihil. De Inspec-teur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Volgens artikel 16, eerste lid, van de Wet BPM (tekst 2002) wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag teruggaaf van belas-ting verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen voor personenauto’s die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer 2000 geldende vergunning, dan wel vergunningbewijs, zijn bestemd om openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten. De teruggaaf wordt ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel verleend aan degene op wiens naam het kenteken is gesteld.

4.2. Ingevolge het vijfde lid van dat artikel bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000. Met geheel of nagenoeg geheel wordt bedoeld 90% of meer.

4.3. Gelet op de systematiek van de wet, waarbij belastbaarheid de hoofdregel is en teruggaaf de uitzondering, rust in dezen op belanghebbende de last aannemelijk te maken dat het voertuig in het tijdvak van naheffing geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor taxivervoer in vorenbe-doelde zin (vergelijk Hoge Raad 29 november 2000, nr. 35.862, BNB 2001/40). Aangezien de bewijslast reeds op grond hiervan op belanghebbende rust, kan - anders dan de Inspecteur be-toogt - van een omkering en verzwaring van de bewijslast geen sprake zijn (vergelijk Hoge Raad 3 februari 2006, nr. 41.329, BNB 2006/204).

4.4. Belanghebbende slaagt niet in de op hem rustende bewijslast. Belanghebbende heeft geen objectieve, te verifiëren gegevens overgelegd aan de hand waarvan kan worden nagegaan of het voertuig in het tijdvak van naheffing inderdaad voor 10% of minder is gebruikt voor ander ver-voer dan taxivervoer zoals door belanghebbende wordt verdedigd, terwijl evenmin zekerheid kan worden verkregen over de aard van de met dat voertuig verreden kilometers. Blijkens de door de Inspecteur overgelegde kopieën, vertonen de door belanghebbende opgemaakte rittenkaarten lacunes. Gegevens over de totaalstand van de kilometerteller aan het begin en het eind van een dienst ontbreken. Bovendien wordt enkel het totaal van de tijdens een dienst gereden kilometers en het totaal van de bezette kilometers genoteerd. Het aantal onbezette kilometers is derhalve niet verder uitgesplitst in zakelijke en privé kilometers. Andere gegevens aan de hand waarvan het door belanghebbende verdedigde standpunt zou kunnen worden gestaafd, zoals de gegevens van de taxameter en de gegevens van de bijgehouden werkmappen, zijn niet bewaard gebleven.

4.5. De bewijsnood, ontstaan door het wissen (het zogenaamde “nullen”) van de taxameter en het weggooien van de werkmappen door belanghebbende, heeft hij zelf veroorzaakt. De gevolgen hiervan dienen dan ook voor zijn rekening te blijven. Belanghebbende heeft immers niet bestre-den dat de gegevens van de taxameter in beginsel hadden kunnen worden uitgeprint en bewaard. Dat voor de werkmappen voor andere doeleinden (waarvoor de werkmappen primair zijn be-doeld) een bewaarplicht geldt van niet meer dan 52 weken, zoals belanghebbende stelt, doet niet af fiscale bewaarplicht zoals die volgt uit artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

4.6. Het betoog van belanghebbende dat op 19 december 2001 het verschil tussen de kilometer-stand volgens de getotaliseerde rittenkaarten en de kilometerstand volgens een garagenota 3.298 kilometer bedroeg en dat daarmee ruim binnen de marge van 10% voor privégebruik (kennelijk wordt bedoeld niet-taxivervoer) wordt gebleven, kan niet als afdoende bewijs dienen. Belangheb-bende gaat voor zijn betoog uit van meerdere aannames, waaronder de juistheid van de niet op juistheid te controleren rittenkaarten, waardoor zijn betoog overtuigingskracht mist.

4.7. Met de - in zijn ogen plausibele - verklaringen voor de tekortkomingen in de rittenkaarten die de Inspecteur heeft geconstateerd, maakt belanghebbende evenmin aannemelijk dat het voer-tuig geheel of nagenoeg geheel voor taxivervoer is gebruikt. Belanghebbende heeft de door hem gegeven verklaringen, die overigens door de Inspecteur worden betwist, niet afdoende met con-troleerbare stukken onderbouwd.

4.8. Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of in het tijdvak van naheffing in het voertuig een zogenaamde kilometertelleronderbreker was geplaatst, zoals door de Inspecteur wordt verdedigd en door belanghebbende wordt betwist.

5. Slotsom

Bij de uitspraak van de Rechtbank is het beroep terecht ongegrond verklaard.

6. Kosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het Hof geen termen aanwezig.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan te Arnhem op 13 juni 2007 door mr. Röben, voorzitter, mr. De Kroon en mr. drs. Nieuwenhuizen. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordig-heid van drs. Woeltjes als griffier.

(V.F.R. Woeltjes) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 juni 2007.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.