Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA7499

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
2004/1068
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWO:2004:AO6195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat er thans om hoe het onderzoek moet worden ingericht naar de vraag of de bij de beoordeling van het mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997 door BBNN ingeschakelde radiologen, als redelijk handelend en redelijk bekwaam radioloog onder de gegeven omstandigheden en naar de maatstaven die in 1997 golden, in zorgvuldigheid tekortgeschoten zijn door het mammogram als “niet suspect” aan te merken. Onomstreden is dat de destijds door de beoordelende radiologen op dit mammogram waargenomen calcificaties (zie de verklaring van de radioloog [A.] ter terechtzitting van 3 mei 2006) zowel kunnen duiden op (scleroserende) mastopathie als op een tumor. Het gaat dus om de vraag of hier, naar vorenbedoelde maatstaven, een interpretatiefout is gemaakt die ten onrechte niet tot de kwalificatie “suspect” heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2007 derde civiele kamer rolnummer 2004/1068

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

A r r e s t

in de zaak van:

de stichting

Stichting Bevolkingsonderzoek Borstkanker Noord Nederland,

gevestigd te Zwolle,

principaal appellante, tevens voorwaardelijk incidenteel geïntimeerde,

procureur: mr. L. Paulus,

tegen

[geïntimeerde],

als erfgenaam van wijlen [echtgenote],

wonende te [woonplaats],

principaal geïntimeerde, tevens voorwaardelijk incidenteel appellant,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het verdere verloop van hete geding in hoger beroep

Voor het verloop van de procedure tot het tussenarrest van 17 januari 2006 verwijst het hof naar dat tussenarrest [zie AU9962].

Ingevolge dat arrest is op 3 mei 2006 een comparitie van partijen gehouden die op 15 augustus 2006 is voortgezet. De processen-verbaal van die zittingen bevinden zich bij de stukken. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2006 behoren de brief van 12 juni 2006 van mr. Eijkelenboom aan het hof, de brief van 3 augustus 2006 van mr. Stroink aan het hof, de brief van 9 augustus 2006 van mr. Eijkelenboom met het bijgewerkte protocol voor een deskundigenonderzoek alsmede een reactie van de radioloog drs. [radioloog] op de brief van mr. Stroink tot de processtukken.

In aansluiting op hetgeen aan het einde van de zitting van 15 augustus 2006 is beslist omtrent de verdere procesgang heeft mr. Eijkelenboom bij brief van 29 augustus 2006, met 3 bijlagen, het hof nader bericht. Mr. Stroink heeft bij ongedateerde brief (blijkens stempel ontvangen ter griffie op 30 september 2006) het hof nader bericht. Mr. Eijkelenboom heeft daarop nog bij brief van 2 oktober 2006 gereageerd. Het hof rekent ook deze nadere correspondentie tot de processtukken.

Ten slotte hebben partijen hun stukken wederom aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Herbeoordeling van beslissingen in het tussenarrest

2.1.1 Blijkens het behandelde ter comparitie (zie het proces-verbaal van de zitting van 3 mei 2006, pagina 3 onderaan en pagina 4 onderaan) verlangt [geïntimeerde] dat het hof terugkomt op de in het tussenarrest in rov. 4.9 en 4.10 gegeven beslissingen inhoudende dat ervan uitgegaan moet worden dat:

a. [echtgenote] niet eerder dan bij het bevolkingsonderzoek op borstkanker op 23 januari 1997 aan een dergelijk screeningsonderzoek heeft deelgenomen (rov. 4.9 juncto 4.8 onder b. van het arrest van 17 januari 2006);

b. de beoordelend radioloog of radiologen bij de beoordeling van het mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997 niet beschikten over een ouder mammogram (zie dezelfde rechtsoverwegingen);

c. het ontbreken van een vragenlijst het beoordelen van een mammografie niet reeds onzorgvuldig maakt (rov. 4.10 juncto 4.8 onder c. van dat arrest).

2.1.2 Het hof stelt voorop dat het hierbij gaat om bindende eindbeslissingen.

Van een bindende eindbeslissing mag de rechter in beginsel niet terugkomen, met dien verstande dat op deze regel een uitzondering kan worden gemaakt ingeval bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven, omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan een dergelijke eindbeslissing zou zijn gebonden (HR 5 januari 1996, NJ 1996, 597, HR 28 januari 2005, nr. C03/214HR, LJN AR 6459 en HR 15 september 2006, RvdW 2006, 855). Zodanige omstandigheden zijn door [geïntimeerde] niet gesteld en zijn ook niet aan het hof gebleken. Het hof heropent daarom deze geschilpunten niet.

2.1.3 Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op.

Er is onvoldoende reden voor twijfel dat het bevolkingsonderzoek op 23 januari 1997 in [plaatsnaam] het eerste bevolkingsonderzoek naar borstkanker was, waaraan [echtgenote] heeft deelgenomen. Zij is geboren op 9 juli 1945 en werd dus op 9 juli 1995 vijftig jaar oud. Zij heeft volgens [geïntimeerde] (zie voormeld proces-verbaal, pagina 4 onderaan) vanaf (omstreeks) 1979 – kennelijk ononderbroken – in [plaatsnaam] gewoond. Met het bevolkingsonderzoek op borstkanker is eerst landelijk omstreeks 1990 begonnen en dit soort onderzoek is vervolgens gefaseerd ingevoerd. Daartoe worden vrouwen van 50 jaar en ouder opgeroepen, met dien verstande dat de eerste oproep wordt gedaan in het jaar waarin de vrouw 50 jaar oud wordt. Het onderzoek wordt telkens na 22 tot 26 maanden herhaald. Het allereerste bevolkingonderzoek op borstkanker in de toenmalige gemeente [plaatsnaam] is onbetwist het onderzoek in januari 1997. Nu [echtgenote] eerst in juli 1995 50 jaar oud werd en sinds het begin van het landelijk bevolkingsonderzoek op borstkanker steeds in [plaatsnaam] heeft gewoond, kan vrijwel uitgesloten worden geacht dat zij eerder dan in januari 1997 heeft deelgenomen aan een dergelijk bevolkingsonderzoek.

In dat licht moet ervan worden uitgegaan dat BBNN ten tijde van dat screeningsonderzoek niet beschikte en ook niet kon beschikken over een ouder mammogram van [echtgenote] uit bevolkingsonderzoek. Er is voorts geen grond waarom BBNN ten tijde van de beoordeling van het op 23 januari 1997 gemaakte mammogram van [echtgenote] de beschikking had moeten hebben over het mammogram dat van haar in 1993 in het ziekenhuis te [plaatsnaam B] is gemaakt. Aan BBNN kan derhalve niet het verwijt worden gemaakt dat zij bij de beoordeling van het op 23 januari 1997 gemaakte mammogram geen eerdere mammogrammen van [echtgenote] heeft betrokken.

Het hanteren van een vragenlijst was, blijkens het standpunt van [geïntimeerde] (zie conclusie van repliek, pagina 4), van belang om bij de beoordeling van het mammogram bekend te zijn met eventuele klachten van de vrouw. Nu [geïntimeerde] ter zitting van 3 mei 2006 (zie proces-verbaal, pagina 4 midden) heeft verklaard dat zijn vrouw in januari 1997 geen lichamelijke klachten had, ontbreekt ook ieder belang van een vragenlijst voor de beoordeling van het mammogram van [echtgenote].

2.2 Beoordeling door twee radiologen

2.2.1 [geïntimeerde] betoogt dat de destijds door BBNN gemaakte beoordeling van het mammogram van [echtgenote] onzorgvuldig is geweest, aangezien die beoordeling slechts door één radioloog heeft plaatsgehad. Hij beroept zich er daarbij op dat het desbetreffende formulier (in fotokopie als productie 1 gevoegd bij de inleidende dagvaarding) niet de paraaf van een tweede radioloog toont, nu op de voor de initialen of paraaf bestemde plaats op het beoordelingsformulier slechts een streepje is geplaatst.

2.2.2 BBNN stelt zich op het standpunt dat de beoordeling wel door twee radiologen heeft plaatsgehad. Ook de tweede radioloog heeft zijn paraaf gezet. BBNN heeft ook hun namen, [A.] en [B.], genoemd en gesteld dat deze radiologen het betrokken mammogram opnieuw hebben bestudeerd (zie akte na tussenvonnis). BBNN heeft zich voorts beroepen op een gesprek dat in 1998 tussen [geïntimeerde] en deze twee radiologen heeft plaatsgehad.

2.2.3 BBNN heeft aldus - naar het oordeel van het hof - haar verweer genoegzaam feitelijk onderbouwd, ook in die zin dat zij de nodige, haar ter beschikking staande gegevens heeft verstrekt om [geïntimeerde], op wie krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv. de bewijslast van zijn stelling rust omdat hij zich beroept op een tekortschietende beoordeling van het mammogram van 23 januari 1997, voldoende aanknopingspunten te bieden voor zijn bewijslevering op dit punt.

2.2.4 Het hof heeft ter gelegenheid van de voortzetting van de comparitie op 15 augustus 2006 kennis genomen van het origineel van het desbetreffende formulier. Het hof heeft daarbij waargenomen dat het liggende streepje geplaatst in en uitlopend boven het vakje bestemd voor de paraaf of de initialen van “radioloog II” met inkt van een andere kleur is geschreven dan de aantekeningen van de laborante en die van “radioloog I”.

Het hof heeft ter terechtzitting van 3 mei 2006 de radioloog [A.] gehoord die volgens zijn verklaring sinds 1992 als radioloog bij het bevolkingsonderzoek van BBNN is betrokken. Hij heeft verklaard dat de paraaf in het vakje voor “radioloog I” van hem afkomstig is. Hij heeft voorts verklaard dat het in de praktijk van BBNN, waarbij een groep van 4 tot 5 radiologen was ingeschakeld, niet voorkwam dat een mammogram slechts door één radioloog werd bekeken. Bij ziekte of verhindering werd een ander ingeschakeld of moest gewacht worden tot er voldoende radiologen beschikbaar waren.

Het hof heeft ervan kennisgenomen dat de beide, volgens BBNN in 1997 bij de beoordeling van het mammogram van [echtgenote] betrokken radiologen, kennelijk na het vonnis van de rechtbank van 4 februari 2004, dit mammogram opnieuw hebben beoordeeld.

2.2.5 In het licht van deze door [geïntimeerde] niet weersproken gegevens moet geoordeeld worden dat ieder bewijs van de stelling van [geïntimeerde] dat beoordeling door slechts één radioloog heeft plaatsgevonden, ontbreekt. Bij waarneming van het origineel van het desbetreffende formulier is, door de andere inkt, het hof gebleken dat het veeleer waarschijnlijk is dat een derde persoon het vakje voor de paraaf van “radioloog II” van een “streepje”, dat ook als paraaf kan gelden, heeft voorzien. Waar het bij een dergelijk formulier om gaat, is dat de beoordelende radioloog schriftelijk te kennen geeft dat hij het mammogram heeft bezien en wat zijn beoordeling inhoudt. Nu blijkens de onweersproken verklaring van de radioloog [A.] per dagdeel zo’n 150 tot 200 foto’s worden beoordeeld, waaruit volgt dat een groot aantal formulieren door de beoordelende radiologen moet worden ingevuld, rechtvaardigt het aantreffen van een “streepje” in plaats van een meer uitgewerkte paraaf niet de conclusie dat geen tweede radioloog bij de beoordeling is betrokken. Volgens de radioloog [A.] kwam het bovendien bij BBNN niet voor dat een mammogram slechts door één radioloog werd bekeken. [B.] - ten slotte - heeft, blijkens de niet weersproken stelling van BBNN, het mammogram in 2004 opnieuw bekeken, waarin ook besloten ligt dat hij bij de beoordeling van het mammogram in 1997 als “radioloog II” was betrokken.

2.2.7 [geïntimeerde] heeft in hoger beroep geen bewijs van zijn stelling aangeboden, hoewel in het licht van het onder 2.2.4 en 2.2.5 overwogene een specifiek bewijsaanbod gevergd kon worden. Het hof verwerpt daarom deze stelling van [geïntimeerde]. De incidentele grief 2 faalt.

3 Deskundigenonderzoek

3.1 Het gaat er thans om hoe het onderzoek moet worden ingericht naar de vraag of de bij de beoordeling van het mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997 door BBNN ingeschakelde radiologen, als redelijk handelend en redelijk bekwaam radioloog onder de gegeven omstandigheden en naar de maatstaven die in 1997 golden, in zorgvuldigheid tekortgeschoten zijn door het mammogram als “niet suspect” aan te merken. Onomstreden is dat de destijds door de beoordelende radiologen op dit mammogram waargenomen calcificaties (zie de verklaring van de radioloog [A.] ter terechtzitting van 3 mei 2006) zowel kunnen duiden op (scleroserende) mastopathie als op een tumor. Het gaat dus om de vraag of hier, naar vorenbedoelde maatstaven, een interpretatiefout is gemaakt die ten onrechte niet tot de kwalificatie “suspect” heeft geleid.

3.2 BBNN heeft erop gewezen dat aan een onderzoek dat uitsluitend bestaat uit beoordeling van het mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997 door één of meer deskundigen, het bezwaar kleeft dat die deskundigen mogelijk zullen oordelen onder invloed van het eerst in juli 1997 bekend geworden gegeven dat in dezelfde borst van [echtgenote] een maligne tumor is aangetroffen. Dit bezwaar kleeft volgens BBNN ook aan de rapportage van dr. [D.] bij brief van 6 april 2001 (productie 3 bij inleidende dagvaarding), die zijn beoordeling heeft gegeven, terwijl hij bekend was met die geconstateerde tumor. De tumor die bij [echtgenote] in juli 1997 in haar borst is gevonden, wordt in de medische wetenschap aangeduid als een intervalcarcinoom: een tussen twee onderzoeken van het bevolkingsonderzoek geconstateerde tumor.

3.3 De advocaat van [geïntimeerde] heeft ter terechtzitting van 3 mei 2006 nog aangevoerd dat er voor een dergelijk onderzoek geen plaats meer is. Zij stelde immers: “Er ligt een rapport van [D.] met de kracht van een bindend advies omdat partijen geen voorbehoud hebben gemaakt en dat is ons inziens duidelijk genoeg”.

De omstandigheid dat partijen geen voorbehoud hebben gemaakt, geeft - naar het oordeel van het hof - aan dat deskundigenrapport nog niet de kracht van een bindend advies. Aldus heeft [geïntimeerde] zijn beroep op de BBNN verbindende kracht van dat rapport onvoldoende feitelijk onderbouwd.

3.4 [geïntimeerde] heeft overigens te kennen gegeven in beginsel te kunnen instemmen met een onderzoek waarbij de onder 3.1 bedoelde vraag op grond van een simulatieproef wordt beantwoord.

Ter vermijding van beïnvloeding van het oordeel van de deskundigen door bekendheid met het intervalcarcinoom bij [echtgenote], is ook het hof geneigd bij de beantwoording van die vraag - zoals door BBNN voorgesteld - gebruik te maken van een simulatieproef, mits de deugdelijkheid van die proef en de betrouwbaarheid van de uitkomst daarvan voldoende gewaarborgd zijn.

3.5 Gelet op het verlangen van [geïntimeerde] dat het in deze zaak snel tot een einduitspraak komt, wijst het hof er op dat partijen in dit tussentijds appel aan het hof niet de voor de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] wezenlijke vraag hebben voorgelegd of [echtgenote], zou zij eind januari 1997 voor nader onderzoek zijn verwezen, kans had gehad op een gunstiger behandelingsresultaat van haar borstkanker. Deze vraag, die doorgaans door een relatief eenvoudig onderzoek door één of meer medische deskundigen kan worden beantwoord, dient nog te zijner tijd door de rechtbank te worden beslist, indien het hof zou vaststellen dat de beoordelend radiologen een beroepsfout hebben gemaakt. Hadden partijen, ook BBNN, die vraag wel aan het hof voorgelegd, dan had het uit een oogpunt van proceseconomie voor de hand gelegen eerst dit wezenlijke, maar eenvoudiger onderzoek te doen. Als partijen zulks niet buiten de rechter om overeenkomen of alsnog aan het hof vragen, zal [geïntimeerde] door het verzoeken van een voorlopig deskundigenbericht de beantwoording van die vraag kunnen versnellen. Reden voor een dergelijk initiatief aan zijn zijde kan gelegen zijn in de omstandigheid dat, bij vaststelling van een aan BBNN toe te rekenen fout bij de beoordeling van het mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997, het bewijs dat die fout en het daarmee gepaard gaande “delay” (uitstel van onderzoek en behandeling) de kans op een beter behandelingsresultaat heeft verminderd in beginsel op [geïntimeerde] rust. Wellicht valt na te gaan of de aansprakelijkheidsverzekeraar van BBNN, ter wille van deze versnelling, bereid is de kosten van dit onderzoek voor haar rekening te nemen.

3.6 Bij brief van 9 augustus 2006 heeft BBNN het hof en [geïntimeerde] een voorstel d.d. 4 augustus 2006 van de hand van dr. [radioloog], radioloog, werkzaam geweest bij het Landelijk Referentiecentrum Bevolkingsonderzoek Borstkanker, voor een dergelijk onderzoek doen toekomen.

Het hof verwijst naar het bij die brief gevoegde “Protocol deskundigenonderzoek intervalcarcinoom” en de toelichtende brief van [radioloog] van 4 augustus 2006 naar aanleiding van de brief van mr. Stroink van 3 augustus 2006, alsmede naar het bij brief van 29 augustus 2006 door mr. Eijkelenboom aan het hof - en blijkens die brief ook aan mr. Stroink - toegezonden herziene Protocol deskundigenonderzoek intervalcarcinoom met bijbehorende toelichting en de ontwerpen voor een tweetal herbeoordelingsformulieren.

Mr. Stroink is bij de ongedateerde brief (ontvangststempel bij het hof: 30 september 2006) op het voorstel van [radioloog] nader ingegaan.

Dat onderzoek is, zo begrijpt het hof, in hoofdlijn een simulatie van de onderzoekssituatie waarin de beoordelende radiologen zich in januari 1997 bevonden, waarbij het erom gaat of het in het te onderzoeken fotomateriaal op te nemen mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997 de thans in te schakelen screeningsradiologen bij toepassing van de in 1997 bij de screening geldende maatstaven (die sindsdien aldus zijn gewijzigd dat microcalcificaties doorgaans tot verwijzing leiden) leidt tot verwijzing of niet.

3.7 Bij de opzet van het onderzoek, zoals voorgesteld door dr. [radioloog] en besproken ter terechtzitting van 15 augustus 2006, heeft [geïntimeerde] bedenkingen geuit die met name betreffen:

a. het aantal in te schakelen radiologen:

Volgens het voorstel van [radioloog] zullen de te beoordelen mammogrammen steeds door drie radiologen worden beoordeeld. [geïntimeerde] geeft de voorkeur aan herhaling van de werkwijze van het BBNN in 1997, dus steeds 2 radiologen die alleen bij verschil van mening overleggen met een derde radioloog.

b. de samenstelling van het door de radiologen te beoordelen materiaal:

Volgens het voorstel van [radioloog] zal dit bestaan uit de gehele (nog beschikbare) “dagopbrengst” aan mammogrammen van 23 januari 1997, aangevuld tot een aantal van 100 met een gelijk aantal “fout-positieve” en “fout-negatieve” foto’s uit een half jaar vóór en een half jaar na 23 januari 1997. Volgens [radioloog] is die aanvulling nodig om te voorkomen dat er slechts één foto met een afwijking die tot verwijzing kan leiden, tussen de te beoordelen foto’s zit.

c. de aan de deelnemende radiologen voor te leggen vragen:

Volgens [geïntimeerde] dienen aan hen de vragen te worden voorgelegd die vermeld zijn in de brief van mr. Stroink van 3 augustus 2006. Zij luiden:

“1. Hoe is de kwaliteit van de gemaakte X mammogrammen. Is er voldoende belichting en compressie? Is er sprake van de juiste projectierichtingen? Hoe is de beoordeelbaarheid van de foto’s?

2. Is er een afwijking op de foto’s waarneembaar? Zo ja, circumscript of diffuus? Aard? Verdichting of microcalcificaties? Zo ja, benigne of maligne kenmerken? Classificatie?

3. Is er vergeleken met oude mammografie-opnames? Zijn er veranderingen opgetreden?

4. Heeft de onderzoeker/ster een anamnese afgenomen bij de patiënten?

5. Hoe luidt uw conclusie?

6 Gaven de gemaakte foto’s naar uw mening aanleiding tot verder onderzoek? Zo ja, welk onderzoek had dienen plaats te vinden? Graag uw motivatie

7. Is er double reading geweest?”

Deze vragen komen in hoofdlijnen overeen met de vragen die in 2001 aan dr. [D.] zijn voorgelegd.

3.8 Mede naar aanleiding van de beide eerste bedenkingen van [geïntimeerde] (zie 3.7.a en 3.7.b) heeft het hof behoefte aan een beoordeling van het onderzoeksvoorstel van dr. [radioloog] met Protocol en Herbeoordelingsformulieren door een medisch statistisch deskundige of een andere deskundige die tot die beoordeling in staat is, zulks naar aanleiding van de volgende vragen:

(1) Wat is uw oordeel over de waarde van de eventuele uitkomsten van het voorgestelde simulatieonderzoek voor het antwoord op de onder 3.1 bedoelde vraag?

(2) Levert de omstandigheid dat screeningsradiologen in een simulatieonderzoek, zoals voorgesteld door dr. [radioloog] en eventueel nader aangepast, het mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997 al dan niet aanwijzen als “suspect” een (redelijk) betrouwbaar antwoord op de vraag of de destijds beoordelende screeningsradiologen ten onrechte niet hebben verwezen? Speelt daarbij nog een rol dat de destijds beoordelende screeningsradiologen op het formulier door een aantekening van de laborante was gewezen op: “microcalicificaties links” en dat het thans voorgestelde onderzoek daarin niet voorziet?

(3) Kan de omstandigheid dat de deelnemers aan het simulatieonderzoek vrijwel onvermijdelijk zullen weten dat het onderzoek strekt ter beslissing van een rechtszaak invloed hebben op de betrouwbaarheid van de beoordeling? Valt deze eventuele invloed op enige wijze te compenseren?

(4) Is bij de in te schakelen (in 1997 én thans of tot voor kort werkzame) screeningsradiologen een juiste toepassing van de kennelijk niet schriftelijk vastgelegde, in 1997 in de beroepsgroep geldende maatstaven te verwachten (toen leidden microcalcificaties minder snel tot verwijzing)? Moeten daartoe bijzondere maatregelen worden genomen, zo ja, welke?

(5) Kan een meer/gelijkwaardig/minder betrouwbaar antwoord worden verkregen door beoordeling van uitsluitend het mammogram van [echtgenote] door drie of enig hoger aantal screeningsradiologen, die aan de hand van de in 1997 in de beroepsgroep geldende maatstaven moeten beoordelen of het toen onjuist was om dit mammogram niet als “suspect” aan te merken?

(6) Waarborgt simulatieonderzoek van uitsluitend de oorspronkelijke “dagopbrengst” het beste een betrouwbaar antwoord of is toevoeging van mammogrammen, zo ja, van welke aard nodig of gewenst? Zie 3.7 onder b. hiervoor. Zo ja, in welk aantal en welke verhouding?

(7) Maakt het voor de betrouwbaarheid van het antwoord verschil of het simulatieonderzoek wordt verricht door twee screeningsradiologen die bij twijfel over enig mammogram (of het mammogram van [echtgenote]) een ter plaatse beschikbare screeningsradioloog inschakelen voor overleg dan wel door drie screeningsradiologen zonder overleg, waarbij voor het antwoord op de voorliggende vraag de beoordelingen van de meerderheid beslissend worden geacht? Wilt u daarbij uitdrukkelijk aandacht schenken aan de uiteenlopende betogen van partijen omtrent de foutenpercentages?

(8) Hebt u suggesties en/of opmerkingen voor met betrekking tot het onderzoeksvoorstel van dr. [radioloog] of de daarin geformuleerde vragen? Hoe oordeelt u verder over het (per 21 augustus 2006) aangepaste Protocol deskundigenonderzoek intervalcarcinoom van [radioloog] (pag. 1 tot en met 9) en de daarbij behorende instructies bij de beide herbeoordelingsformulieren?

(9) Hebt u overigens opmerkingen of suggesties die van belang zijn voor de vraag hoe het onderzoek naar de onder 3.1 bedoelde vraag het beste kan worden ingericht?

3.9 Het hof deelt niet de laatste bedenking van [geïntimeerde] (zie 3.7.c). Aangezien het in dit geschil in wezen om de vraag gaat of een niet te aanvaarden interpretatiefout met betrekking tot de door de beoordelende radiologen waargenomen microcalcificaties is gemaakt, zijn - voor zover het gaat om de beoordeling in begin 1997 van het mammogram van [echtgenote] van 23 januari 1997 - naar het oordeel van het hof de vragen 1 en 2 in de brief van mr. Stroink van 3 augustus 2006 overbodig, aangezien dr. [D.] daarop reeds een niet omstreden antwoord heeft gegeven. De vragen 3, 4 en 7 hebben - voor zover het gaat om de beoordeling in begin 1997 van het genoemde mammogram - al een beantwoording gekregen. Het hof verwijst naar rov. 2.1.1. tot en met 2.2.6 hiervoor. Vraag 6 is wel de kernvraag, maar deze zal bij het volgen van het voorstel van dr. [radioloog] op de daarin aangegeven wijze worden beantwoord. Voor zover de vragen in het simulatieonderzoek zouden moeten worden gesteld, geldt dat het voorstel daartoe juist niet insluit (a.) dat oudere mammogrammen van dezelfde vrouwen bij de beoordeling worden betrokken, (b.) dat er een anamnese wordt afgenomen bij de vrouwen waarvan een mammogram in de simulatieproef wordt opgenomen en (c.) dat de beoordeling door twee radiologen plaatsvindt.

3.10 BBNN, welke partij om het onderhavige simulatieonderzoek heeft gevraagd en zich bereid heeft verklaard de kosten daarvan, ook wanneer zij in het gelijk zou worden gesteld, voor haar rekening te nemen, zal – nu zij zich ook bereid heeft verklaard de kosten van advisering door de vorenbedoelde deskundige te dragen – belast worden met het deponeren van een voorschot voor diens onderzoek.

3.11 In afwachting van de beantwoording door de deskundige van de hiervoor onder 3.8 bedoelde vragen zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

beveelt een onderzoek door een deskundige met betrekking tot de vragen als vermeld onder 3.8;

benoemt tot deskundige:

prof. dr. E.W. Steyerberg,

bijzonder hoogleraar medische besliskunde,

Erasmus Medisch Centrum,

postbus 2040,

3000 CA Rotterdam,

tel. 010-4638470, mail: E.Steyerberg@Erasmusmc.nl,

bepaalt dat de deskundige op de voet van het bepaalde bij artikel 198 Rv. bij zijn onderzoek partijen (via hun advocaten) in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat hij daarvan in zijn rapport melding dient te maken waarbij van de inhoud van de gemaakte opmerkingen en verzoeken moet blijken;

bepaalt dat partij BBNN aan de deskundige het volledige procesdossier ter inzage zal geven en beveelt partijen om aan de deskundige alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken;

bepaalt dat de deskundige het door hem uit te brengen rapport (ondertekend en met redenen omkleed) ter griffie van dit hof

(postbus 9030, 6800 EM Arnhem) zal indienen voor 1 november 2007;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek eerst zal behoeven aan te vangen nadat door partij BBNN bij wege van voorschot ter zake van de kosten van dit deskundigenonderzoek een bedrag van € 3.000,- ter griffie van dit hof zal zijn gedeponeerd door storting op bankrekeningnummer 19223.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem), onder vermelding van het rolnumer en de namen van partijen en onder vermelding “voorschot deskundige”;

bepaalt dat dit voorschot uiterlijk op 1 augustus 2007 moet zijn voldaan;

bepaalt dat het onderzoek door de deskundige zal worden verricht onder leiding van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.J. Makkink;

bepaalt dat de deskundige zich voor vragen en/of opmerkingen betreffende het onderzoek zal kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zal verzenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, Steeg en Dozy en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2007.