Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA7378

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-06-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
0700049
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er thans geen of onvoldoende baten zijn in de zin van art. 16 Fw. Om die reden dient het faillissement te worden opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 juni 2007

Rekestnummer 0700049

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[naam 1] Import- Export B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appelante,

hierna te noemen: [appellante],

procureur mr. A.O.C.A. van Schravendijk,

advocaat voorheen: mr. E.R. van Schaik,

advocaat thans: mr. J.C.J. Smallenbroek.

Belanghebbende:

mr. [naam 2],

voorheen advocaat en procureur te [vestigingsplaats].

hierna te noemen: de curator.

De inhoud van de tussenbeschikking van 16 maart 2007 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Na voormelde tussenbeschikking is ter griffie van het hof een brief van 23 april 2007 met bijlagen ingekomen van mr. Smallenbroek, advocaat en procureur te Leiderdorp.

Tevens is van mr. Smallenbroek een fax ingekomen van 6 juni 2007, met bijlage.

Ter zitting van 7 juni 2007 is de behandeling van de zaak voortgezet. Aanwezig ter zitting waren mevrouw [betrokkene 1] en haar dochter, alsmede mr. Smallenbroek voornoemd. Eveneens is mr. [naam 2] voornoemd ter zitting verschenen.

De beoordeling

De opdrachten van het hof

1. In de beschikking van het hof van 16 maart 2007 heeft het hof [aappellante] opgedragen over te leggen:

A. de faillisementsverslagen in het faillissement van [appellante];

B. het inleidend processtuk in de herzieningsprocedure, waaruit blijkt dat deze inmiddels geïnitieerd is;

C. een schriftelijke toelichting van de raadsman van [appellante], zo nodig met bescheiden onderbouwd, ten aanzien van het belang van [appellante] om zich tegen opheffing van het faillissement te verzetten mede gelet op het bepaalde in artikel 2: 19 lid 5 BW, waarbij het hof wenst te vernemen of de uitspraak van de Hoge Raad van 26 maart 2004 (AO 2779) daarbij nog een rol speelt.

Ad. A:

2. Het hof heeft kennisgenomen van de bij hiervoor genoemde brief van 23 april 2007 toegezonden faillissementsverslagen.

Ad B:

3. Er is geen bewijsstuk ingebracht waaruit blijkt dat de herzieningsprocedure is geïnitieerd. Namens [appellante] is daarover ter zitting verklaard dat de advocaat in afwachting is van een toevoeging en dat daarom nog geen procedure geïnitieerd is.

Ad C:

4. De schriftelijke toelichting waarom door het hof was verzocht is niet ingekomen; [appellante] heeft de reactie op het hiervoor genoemde artikel en arrest mondeling ter zitting - en schriftelijk door middel van zijn ter zitting overhandigde pleitnotitie - gegeven.

De stelling van [appellante]

5. Kort samengevat is de stelling van [aappellante] dat het risico dat de vennootschap in liquidatie niet als procespartij in de te starten herzienings-procedure wordt erkend dermate groot dat het praktischer is om voorzichtigheidshalve de vennootschap in stand te laten en nog niet te ontbinden, zodat de vennootschap als procespartij kan optreden.

Nu er nog aan te wijzen baten zijn, kan de opheffing ook om die reden niet worden uitgesproken.

[aappellante] verzoekt het hof dan ook de opheffing van het faillissement aan te houden voor een door het hof te bepalen termijn, zodat de revisieprocedure kan worden gestart.

Visie van de curator

6. Ingevolge artikel 25 eerste lid Fw. worden rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorend tot onderwerp hebben - waartoe ook behoren belastingschulden - zowel tegen als door de curator ingesteld.

Dat de curator niet van plan is om een herzieningsprocedure te initiëren bleek reeds uit het verzoek tot opheffing, maar is bevestigd door de nagezonden stukken.

7. Ook ter zitting van 7 juni 2007 heeft de curator verklaard dat de procedure thans moet eindigen, zeker nu er feitelijk nog geen herzieningsprocedure is gestart. De zaak is van alle kanten en door vele instanties bekeken, maar geen van de procedures heeft een door de B.V. gewenst resultaat opgeleverd. Het faillissement moet nu opgeheven worden, aldus de curator.

Overwegingen van het hof

8. Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er thans geen of onvoldoende baten zijn in de zin van art. 16 Fw. Om die reden dient het faillissement te worden opgeheven.

9. De stelling van [aappellante] dat dit leidt tot het niet langer bestaan van de rechtspersoon en dat zij belang hebben bij het voortbestaan van de rechtspersoon kan niet tot een ander oordeel leiden en is bovendien niet zonder meer juist, nu dit blijkens artikel 2:19, lid 4 en artikel 2:19 lid 5 BW afhangt van de daarin beschreven omstandigheden.

Slotsom

10. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. Melssen, voorzitter, Garos en Janse, raden, en uitgesproken door mr. Melssen, raadsheer, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Bons als griffier ter buitengewone openbare terechtzitting van dit hof van vrijdag 15 juni 2007.