Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA7274

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
21-001988-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevel OM tot overleggen geschoonde journaals via raadsheer-commissaris

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001988-06

Uitspraak d.d.: 16 mei 2007

Gerechtshof te 's-Gravenhage

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Tussenarrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2006 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 09-862531-05 en 09 755136-04, tegen

[verdachte].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest wordt gewezen naar aanleiding van het op de terechtzitting van het hof van 14 februari 2007 door de verdediging gedane verzoek tot toevoeging aan het dossier van de CIE-journaals, voor zover van belang in de onderhavige zaak en geschoond van gegevens, waarvan de openbaarmaking het onderzoek in enige andere zaak zou kunnen schaden.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal ten aanzien van dit verzoek.

Op de terechtzitting van 11 mei 2007 heeft het hof beslist:

- dat de beslissing op genoemd verzoek van de verdediging zal worden gegeven bij dit tussenarrest;

- dat het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst tot 31 mei 2007 te 10.00 uur, met bevel tot oproeping van verdachte tegen dat tijdstip en tijdige kennisgeving daarvan aan diens raadsman.

Beoordeling van het door de verdediging gedane verzoek

Ter zitting van het hof van 14 februari 2007 is door de verdediging verzocht aan de dossiers te doen toevoegen de CIE-journaals van de runner(s), die in het door de telastelegging bestreken tijdvak, het contact onderhielden met de toen door de CIE als informant aangemerkte, (nu verdachte) [informant]. In het standpunt van de verdediging is de kennisneming van deze journaals - na het schonen van gegevens, waarvan de openbaarmaking het onderzoek of de opsporing in andere zaken zou kunnen schaden - noodzakelijk voor de waarheidsvinding met betrekking tot de vraag, hoe de aan de verdachten verweten feiten zich hebben toegedragen en aan het licht zijn gekomen, in verband met de daaraan voorafgegane gedragingen en beslissingen van [informant] en de betrokken CIE-functionarissen. Hun lezing van de feiten verschilt onderling op wezenlijke punten met alle gevolgen voor de juridische beoordeling en kwalificatie daarvan.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen toewijzing van dit verzoek. De ter zitting van het hof gehoorde getuigen, de destijds plvv. CIE-chef en de CIE-runner, bekend als [“A”], hebben hun verklaring naar eer en geweten en onder ede afgelegd, en bij toewijzing van het verzoek van de verdediging zou een ernstig gevaar kunnen rijzen voor het bekend worden van uiterst gevoelige informatie tengevolge waarvan levensgevaarlijke situaties voor derden zouden kunnen ontstaan. Bovendien zou ook aan de effectiviteit van de door de CIE gehanteerde opsporingsmethoden ernstige schade kunnen worden toegebracht. Deze journaals behoren als interne stukken vertrouwelijk te blijven, mede om het risico te voorkomen dat tengevolge van openbaarmaking van (delen van) journaals de wijze van vastlegging van de feiten in een journaal zo zal worden aangepast, dat de waarde ervan voor de gebruikers zal afnemen.

Ter zitting van het hof van 11 mei 2007 hebben de verdediging en de advocaat-generaal in hun standpunt volhard, en hebben de raadslieden hun verzoek gehandhaafd.

Het hof overweegt hieromtrent dat het binnen ons wettelijk systeem van strafvordering niet alleen de bevoegdheid maar ook de plicht is van de strafrechter om in het kader van het strafrechtelijk onderzoek ter zitting en de noodzakelijke waarheidsvinding, ook de rechtmatigheid te beoordelen van de wijze waarop de strafvorderlijke bevoegdheden in het opsporingsonderzoek zijn uitgeoefend.

In deze normatieve beoordeling zal de strafrechter steeds een midden moeten vinden tussen de rechtstatelijke belangen van een deugdelijke rechtsbescherming en die van een effectieve opsporing van strafbaar handelen, en zullen deze op hun beurt moeten worden verzoend met de aan een behoorlijke verantwoording van overheidshandelen te stellen eisen.

De strafrechter behoort in dit verband in beginsel in staat te worden gesteld tot een volledige rechtmatigheidstoetsing van de in een strafzaak gevolgde opsporingsmethode(n), waarbij het belang van een effectieve opsporing niettemin met zich kan brengen dat bij uitzondering gezocht moet worden naar een indirecte en compenserende wijze van toetsing. Zo zijn de CIE-journaals, gelet op hun functie en daarmede ook hun vertrouwelijke karakter, in beginsel slechts bestemd voor een intern gebruik door de daartoe aangewezen organen van opsporing en vervolging. De noodzaak van een effectieve opsporing en de veiligheid van de daarmee belaste functionarissen en betrokken informanten liggen ten grondslag aan het vertrouwelijke karakter van de CIE-journaals, die hierom dan ook in beginsel niet deel uitmaken van het strafdossier.

Bij de controle op de rechtmatigheid van de gehanteerde (bijzondere) opsporingsmethoden kan dikwijls ook goed worden volstaan met indirecte wijzen van toetsing, zoals het al dan niet onder ede horen van de verantwoordelijke CIE-chef of van CIE-runners, wier identiteit bij het afleggen van een getuige-verklaring verhuld blijft. In deze strafzaak is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep van deze mogelijkheid reeds gebruik gemaakt. Zo is de destijds verantwoordelijke CIE-chef twee maal door de rechter-commissaris en door het gerechtshof gehoord, en zijn de betrokken CIE-runners [informant] door de rechter-commissaris gehoord, en is de CIE-runner “A” in hoger beroep tweemaal ter zitting gehoord met toepassing van het derde lid van artikel 290 Sv. De destijds door hen gerunde informant [informant] is twee maal als verdachte door de politie, en vervolgens als getuige nog gehoord door de rechter-commissaris en ter terechtzitting van het gerechtshof.

Indien al deze verklaringen naast elkaar worden gelegd blijven er een aantal wezenlijke en ook niet met elkaar in overeenstemming te brengen feitelijke lezingen - onder meer over aard en frequentie van het contact runner(s)-informant, de werkelijke gang van zaken rond het valse € 500.- biljet en de mogelijke regie met betrekking tot het voorgenomen tijdstip van de actie op 8 april 2005 – over. De daaruit door het hof te maken keuze kan van doorslaggevend belang zijn voor de juridische waardering van de gedragingen en de besluitvorming van CIE-functionarissen, die vooraf zijn gegaan aan de feiten, die de verdachten nu worden verweten.

De tegenstrijdigheden in de verklaringen van met name de runner “A” en de informant vormen voor het hof de grondslag voor nader onderzoek aan de hand van de inhoud van de over te leggen CIE-journaals over de periode van 4 april 2005 tot en met 8 april 2005, uitsluitend voorzover deze betrekking hebben op deze zaak.

Het hof gaat er daarbij van uit, dat de (subsidiair) door de advocaat-generaal aangevoerde mogelijkheid om runner “A” of zijn toenmalige chef nogmaals ter zitting te horen niet tot meer duidelijkheid zal leiden over de aard en frequentie van de contacten, die er tussen de runner en de informant zijn geweest, en evenmin over de wetenschap die runner “A” heeft gehad over de mate van betrokkenheid van zijn informant [informant] bij de transactie van valse bankbiljetten. Beiden zijn uitvoerig ondervraagd en dat heeft niet geleid tot de door het hof gewenste duidelijkheid. Daarbij houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat de voormalige CIE-chef thans niet meer werkzaam is bij de CIE en hij dus niet zonder meer in staat zal zijn tot raadpleging van de relevante journaals om aan de hand hiervan preciezer te kunnen verklaren dan hij tot nu toe heeft gedaan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof het noodzakelijk dat de advocaat-generaal de hiervoor bedoelde journaals aan het dossier toevoegt, zodat het hof en ook de verdediging hiervan kennis kunnen nemen. Met het oog op de belangen van een richtige opsporing en de veiligheid van derden zal het hof tevens bepalen, dat de bedoelde journaals eerst aan de raadsheer-commissaris zullen worden voorgelegd opdat de raadsheer-commissaris delen van die journaals, voorzover die belangen in het geding zijn, kan verwijderen of onleesbaar kan maken, alvorens de journaals aan het hof worden overgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Beveelt de advocaat-generaal de hiervoor genoemde journaals ten spoedigste aan het dossier toe te voegen langs de hiervoor aangegeven weg.

Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, met het verzoek te handelen overeenkomstig het vorenstaande.

Indien dit de raadsheer-commissaris noodzakelijk voorkomt kan deze opdracht of een deel daarvan worden doorgeleid aan de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te 's-Gravenhage.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr J.D. den Hartog en mr E.P.R. Sutorius, raadsheren,

in tegenwoordigheid van W. Welmers, griffier,

en op 16 mei 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.