Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA6659

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
2007/549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging verzekerde bewaring ex art. 87 Fw; belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 mei 2007

eerste civiele kamer

rekestnummer 2007/549

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. P.A.C. de Vries,

en

mr. F. Kolkman,

kantoor houdende te Wierden,

in zijn hoedanigheid van curator

in het faillissement van appellant,

geïntimeerde.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 24 januari 2007 is appellant (hierna te noemen: [appellant]) in staat van faillissement gesteld. Hierbij is tot rechter-commissaris benoemd mr. A.A.A.M. Schreuder en tot curator mr. F. Kolkman.

1.2 Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 26 februari 2007 is bevolen dat [appellant] in bewaring zal worden gesteld, omdat hij naar het oordeel van de rechtbank weigerachtig is de curator relevante inlichtingen te verschaffen omtrent de tot de faillissementsboedel behorende goederen. Dit bevel is op 8 maart 2007 ten uitvoer gelegd.

1.3 Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 4 april 2007 is de inbewaringstelling van [appellant] met dertig dagen verlengd tot 7 mei 2007.

1.4 Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 2 mei 2007 is de inbewaringstelling van [appellant] wederom met dertig dagen verlengd. Het hof verwijst naar voornoemde beschikking van 2 mei 2007, die in fotokopie aan deze beschikking is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 4 mei 2007 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 2 mei 2007.

2.2 Bij voormeld verzoekschrift heeft [appellant] het hof verzocht de beschikking van 2 mei 2007 te vernietigen en de inbewaringstelling van [appellant] op te heffen, subsidiair deze te schorsen, al dan niet tegen zekerheidstelling, en nog meer subsidiair te bepalen dat de inbewaringstelling ten uitvoer wordt gelegd in het woonhuis van [appellant].

2.3 Het hof heeft kennisgenomen van de bij het verzoekschrift behorende stukken, alsmede van een drietal brieven met bijlagen van 9 mei 2007, 11 mei 2007 en 11 mei 2007 van de procureur en een brief van de curator van 11 mei 2007. Voorts heeft het hof kennisgenomen van het eerste openbaar verslag van de curator inzake het faillissement van [appellant] B.V. van 16 april 2007, het eerste openbaar verslag inzake het faillissement van [appellant] en mevrouw [appellant] van 13 februari 2007 en het eerste openbaar verslag inzake het faillissement van Old Fox I B.V. voorheen Golden Oldies B.V. van 17 april 2007.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2007, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. J.C. Wery, advocaat te Enschede. Daarnaast is verschenen de curator voornoemd.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Het hof stelt voorop dat het, mede in verband met het bepaalde in art. 5 EVRM, in zaken als deze heeft te onderzoeken of op basis van de huidige stand van zaken (nog steeds) gronden aanwezig zijn die de voortzetting van de inbewaringstelling, en daarmee de voortgezette inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de gefailleerde, rechtvaardigen. Daarbij moet het hof het recht op persoonlijke vrijheid van de gefailleerde - dat zwaarder weegt naarmate de vrijheidsberoving langer duurt - afwegen tegen de bij de inbewaringstelling betrokken belangen. Wat betreft de aldus in de afweging te betrekken belangen dient te worden gelet op de strekking van de inbewaringstelling, die is bedoeld als dwangmiddel tegen plichtverzuim.

3.2 Gelet op deze maatstaf is het hof van oordeel dat de te maken belangenafweging thans uitvalt in het nadeel van gefailleerde. Daarbij speelt in de eerste plaats een rol dat gefailleerde zelf al aangeeft dat hij - met name op het punt van de handel in carrousels, en voorraden die zich in Chemnitz zouden bevinden - de curator in eerste instantie onjuist heeft voorgelicht, zonder dat daarvoor ooit een begrijpelijke aanleiding of verklaring is gegeven. Daarnaast zijn er andere omstandigheden waaruit blijkt dat de gefailleerde de curator onjuist, althans niet volledig inlicht. Onder meer op het punt van de kasgelden tot een bedrag van ongeveer € 350.000 in contanten blijft – ook na aanvullende uitleg van de gefailleerde – voor een bedrag van in ieder geval € 220.000 onduidelijk wat daarmee is gebeurd. Hetzelfde geldt voor door de gefailleerde geleende geldsommen, tot een omvang in de orde van € 4.000.000, welke bedragen in de de door de gefailleerde gedreven onderneming zouden zijn gestoken, zonder dat dit (volledig) traceerbaar is in de boekhouding van die ondernemingen of op andere wijze. Eenzelfde onduidelijkheid bestaat ook nog steeds ten aanzien van de (mate van) betrokkenheid van gefailleerde bij de aankoop van een boerderij aan de [adres]. De verklaringen die gefailleerde over deze onderwerpen heeft afgelegd blijken na onderzoek en inlichtingen van derden keer op keer onjuist, onvolledig of nodeloos algemeen.

3.3 Ter zitting is gebleken dat thans op korte termijn enkele faillissementsverhoren zullen plaatsvinden, waaruit de curator nadere informatie hoopt te krijgen ten aanzien van voornoemde en andere onduidelijkheden op het gebied van de financiële huishouding van gefailleerde en de door hem gedreven onderneming. De curator heeft de wens uitgesproken gefailleerde kort daarop met de uit die verhoren voortkomende informatie te confronteren. Gelet hierop en op het in het voorgaande besproken verzuim van de gefailleerde om tot op heden de curator op ieder moment van juiste en volledige inlichtingen te voorzien, moet het belang van de curator bij het voortzetten van het dwangmiddel bewaring thans prevaleren boven het belang van de gefailleerde bij zijn invrijheidstelling. Het hof is voorts van oordeel dat ten uitvoerlegging van de inbewaringstelling in het woonhuis van [appellant] het doel van de inbewaringstelling als dwangmiddel tegen plichtverzuim onvoldoende dient.

3.4 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek in hoger beroep desondanks zou moeten worden toegewezen is onvoldoende gebleken. De beschikking waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 2 mei 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Brink, Smeeïng-van Hees en Van der Pol, bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer, en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2007.