Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA6596

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
2006/630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze schadestaatprocedure gaat in het kort over het volgende.

Tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden op kantoor in dienst van haar werkgever [geïntimeerde] is [appellante] op 6 augustus 1992 op de trap uitgegleden en gevallen.

Naar aanleiding van haar vordering in de hoofdprocedure tegen [geïntimeerde] heeft de rechtbank Arnhem (in hoger beroep) bij tussenvonnis van 29 april 1999 (productie 1b bij conclusie van antwoord) [geïntimeerde] tot bewijslevering toegelaten en bij eindvonnis van 17 mei 2001 (productie 1c bij conclusie van antwoord) [geïntimeerde] onder meer veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellante] als gevolg van het ongeval op 6 augustus 1992 heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Ter uitvoering daarvan heeft [appellante] een schadestaat aan [geïntimeerde] doen betekenen en dienovereenkomstig schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 1.885.536,37 met wettelijke rente en proceskosten.

In de schadestaatprocedure heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 4 mei 2005 geoordeeld dat wel ingevolge het vonnis van 17 mei 2001 vaststaat dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van het ongeval, maar dat het nu gaat om de door de rechtbank niet beantwoorde vraag welke schade (letsel en beperkingen) daardoor is veroorzaakt (rov. 3.1 en 3.2). Daartoe oordeelde de kantonrechter een medisch deskundigenbericht nodig (rov. 3.2 – 3.4), waarvan het voorschot door [appellante] moest worden voldaan (rov. 3.5).

In het tussenvonnis van 10 mei 2006 heeft de kantonrechter de bezwaren van [appellante] tegen het tussenvonnis van 4 mei 2005 verworpen, nog steeds een medisch deskundigenbericht nodig geoordeeld en interim-appel toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 juni 2007

derde civiele kamer

rolnummer 2006/630

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. C.W. Langereis,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. L. Paulus.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de tussenvonnissen van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel (verder ook: de kantonrechter) van 4 mei 2005 en van 10 mei 2006, gewezen tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als eiseres en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde. Een fotokopie van die vonnissen is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 31 mei 2006 [geïntimeerde] aangezegd van beide vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] drie grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht en gevorderd dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beide vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

1 zal bepalen dat het huidige letsel van [appellante] en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid, net als bepaald door de rechtbank Arnhem bij in kracht van gewijsde gegaan eindvonnis van 17 mei 2001, het gevolg is van de val van de trap;

2 subsidiair zal bepalen dat indien een deskundigenbericht noodzakelijk mocht zijn, [geïntimeerde] als aansprakelijke partij de daaraan verbonden kosten moet vergoeden;

3 [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, althans die van het hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof [appellante] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar vordering in hoger beroep zal afwijzen en de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, althans [appellante] in haar vordering (eis) niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, alles met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en is arrest bepaald.

3 De ontvankelijkheid van [appellante] in haar hoger beroep

Van het tussenvonnis van 4 mei 2005 was ingevolge artikel 337 lid 2 Rv. in beginsel geen tussentijds hoger beroep mogelijk. In zijn arrest van 23 januari 2004, NJ 2005, 510 heeft de Hoge Raad (sub 3.4) “aangenomen dat de rechter ook nadat hij uitspraak heeft gedaan, desverzocht - en na de wederpartij op het verzoek te hebben gehoord - alsnog kan bepalen dat beroep kan worden ingesteld voor de einduitspraak, ongeacht of een daartoe strekkend verzoek aanvankelijk in de processtukken is gedaan. In het belang van een goede procesorde dient te worden aangenomen dat een zodanig verzoek binnen de beroepstermijn dient te worden gedaan.”

Nu [appellante] haar verzoek om toelating van interimappel niet heeft gedaan binnen de beroepstermijn, had de kantonrechter van het tussenvonnis van 4 mei 2005 geen tussentijds hoger beroep mogen openstellen. [appellante] heeft die beroepstermijn overigens ook ongebruikt laten voorbijgaan.

Desondanks is [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep. In het tussenvonnis van 10 mei 2006 heeft de kantonrechter onder meer bepaald dat daarvan (en van het tussenvonnis van 4 mei 2005) hoger beroep mogelijk is voordat het eindvonnis is gewezen. Ingevolge de uitzondering van artikel 337 lid 2 Rv is [appellante] dus ontvankelijk in haar interim-appel tegen het tussenvonnis van 10 mei 2006 en daarom kan zij in dat hoger beroep ook het eerder gewezen tussenvonnis betrekken.

4 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 4 mei 2005 onder 1 een aantal feiten vastgesteld. Aangezien tegen deze vaststelling geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 Deze schadestaatprocedure gaat in het kort over het volgende.

Tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden op kantoor in dienst van haar werkgever [geïntimeerde] is [appellante] op 6 augustus 1992 op de trap uitgegleden en gevallen.

Naar aanleiding van haar vordering in de hoofdprocedure tegen [geïntimeerde] heeft de rechtbank Arnhem (in hoger beroep) bij tussenvonnis van 29 april 1999 (productie 1b bij conclusie van antwoord) [geïntimeerde] tot bewijslevering toegelaten en bij eindvonnis van 17 mei 2001 (productie 1c bij conclusie van antwoord) [geïntimeerde] onder meer veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellante] als gevolg van het ongeval op 6 augustus 1992 heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Ter uitvoering daarvan heeft [appellante] een schadestaat aan [geïntimeerde] doen betekenen en dienovereenkomstig schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 1.885.536,37 met wettelijke rente en proceskosten.

In de schadestaatprocedure heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 4 mei 2005 geoordeeld dat wel ingevolge het vonnis van 17 mei 2001 vaststaat dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellante] heeft geleden als gevolg van het ongeval, maar dat het nu gaat om de door de rechtbank niet beantwoorde vraag welke schade (letsel en beperkingen) daardoor is veroorzaakt (rov. 3.1 en 3.2). Daartoe oordeelde de kantonrechter een medisch deskundigenbericht nodig (rov. 3.2 – 3.4), waarvan het voorschot door [appellante] moest worden voldaan (rov. 3.5).

In het tussenvonnis van 10 mei 2006 heeft de kantonrechter de bezwaren van [appellante] tegen het tussenvonnis van 4 mei 2005 verworpen, nog steeds een medisch deskundigenbericht nodig geoordeeld en interim-appel toegestaan.

5.2 Onder grief I bestrijdt [appellante] dat voor de beoordeling van de vraag of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de schade nog een medisch onderzoek nodig is met betrekking tot de vraag of [appellante] ten gevolge van het ongeval letsel heeft opgelopen. Volgens [geïntimeerde] waren in de hoofdprocedure de gevolgen van het door de val veroorzaakte letsel en de (daaruit al dan niet voortvloeiende) schadeposten uitdrukkelijk geen voorwerp van debat. Met name de beperkingen als gevolg van het letsel zouden niet vaststaan.

5.3 Hierover oordeelt het hof als volgt.

Anders dan [appellante] aanvoert, komt aan beslissingen in de vonnissen van 29 april 1999 en van 17 mei 2001 in het hoofdgeding geen gezag van gewijsde toe. Ten opzichte van de hoofdprocedure is de schadestaatprocedure niet een ander geding als bedoeld in artikel 236 lid 1 Rv. Wel hebben beslissingen in de vonnissen in de hoofdprocedure vanzelf en zonder dat daarop een beroep behoeft te worden gedaan bindende kracht in de schadestaatprocedure, die een “exécution par suite d'instance” van de vonnissen in de hoofdprocedure vormt. Daarvoor geldt een soortgelijke regel als de leer van de bindende eindbeslissing.

5.4 Eerst zal het hof onderzoeken in hoeverre hier zo’n eindbeslissing aanwezig is.

In het tussenvonnis van 29 april 1999 (p. 2, midden) heeft de rechtbank de door de kantonrechter in zijn bestreden vonnis van 18 juni 1997 onder 1 vastgestelde feiten tot uitgangspunt genomen, die samengevat luiden:

Na de val op 6 augustus 1992 heeft [appellante] een bloeduitstorting opgelopen en pijn geleden. Op 13 augustus 1992 heeft zij van een huisarts pijnstillers en een zalf tegen de opgelopen bloeduitstorting gekregen. Na vakantie heeft [appellante] op 14 september 1992 haar werk hervat en toen is zij ingestort. Dientengevolge is zij arbeidsongeschikt geworden. Sedert 14 september 1992 heeft zij niet meer gewerkt. Haar is met ingang van 14 september 1993 een volledige uitkering ingevolge de WAO/AWW toegekend. Op datum vonnis (18 juni 1997) was zij nog steeds voor 100% arbeidsongeschikt.

In dat tussenvonnis heeft de rechtbank onder 2.5 onder meer overwogen:

“Ook de betwisting door [geïntimeerde] van het causale verband en het door [appellante] gestelde letsel, doet aan dit oordeel niet af, aangezien [geïntimeerde] niet betwist dat bij [appellante] thans sprake is van zodanig letsel dat zij volledig arbeidsongeschikt is.” en:

“Nu [geïntimeerde] dit nagelaten heeft, is door deze schending van deze ongeschreven veiligheidsregel het causale verband tussen de val van de trap en het letsel van [appellante] in beginsel gegeven.”

Daarop heeft de rechtbank [geïntimeerde] toegelaten tot diverse, hier niet meer relevante, bewijsthema’s, eindigend met de - door [geïntimeerde] in hoger beroep niet besproken - bewijsopdracht: “dat het huidige letsel van [appellante], ten gevolge waarvan zij arbeidsongeschikt is, niet is ontstaan door de (…) val van de trap”.

Na getuigenverhoren heeft de rechtbank in haar eindvonnis (rov. 8) overwogen:

“Wat betreft het huidige letsel van [appellante], ten gevolge waarvan zij arbeidsongeschikt is, is [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat dit letsel niet is ontstaan door de val van de trap. De getuigen, met uitzondering van [appellante], hebben hierover geen verklaring afgelegd. [geïntimeerde] concludeert uit de verklaring van [appellante] dat de veel later geconstateerde (ernstige) hersenschudding c.q. hersenletsel, niet veroorzaakt kan zijn door deze val van de trap, nu [appellante] uitsluitend over haar billen is gestuiterd over de treden. [geïntimeerde] stelt verder dat het ‘instorten’ c.q. ‘het plotseling onwel worden’ op de dag dat zij weer aan het werk moest gaan eerder duidt op andere richtingen. De rechtbank oordeelt hieromtrent dat [geïntimeerde] ook niet geslaagd is in deze bewijsopdracht. Dienaangaande wordt allereerst overwogen dat [appellante] niet heeft verklaard dat ze uitsluitend op haar billen is gestuiterd, maar dat ze schuin naar beneden is gevallen en over de treden is gestuiterd en daaraan (in ieder geval) een forse bloeduitstorting heeft overgehouden. Voorts merkt de rechtbank op dat uit de bij repliek overgelegde verklaringen van zenuwarts R.E. Wong-Chung van 15 april 1993, van neuroloog dr. H.J. Gelmers van 8 december 1994 en van klinisch psycholoog drs. A. Bons van 2 december 1994 volgt dat de klachten van [appellante] in redelijkheid als een gevolg van het ongeval van 6 augustus 1992 kunnen worden beschouwd. De getuigen aan de zijde van [geïntimeerde] hebben op dit punt geen verklaring afgelegd, noch heeft [geïntimeerde] ander relevant bewijsmateriaal op dit punt overgelegd. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het gelasten van een deskundigenonderzoek om (de medische) causaliteit tussen de val op de trap en het veel later geconstateerde hersenletsel ter zake vast te stellen’, zoals door [geïntimeerde] verzocht, nu hij daarvoor geen althans onvoldoende (onderbouwde) redenen aanvoert.”

De rechtbank heeft [geïntimeerde] vervolgens veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellante] als gevolg van het ongeval op 6 augustus 1992 heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

5.5 Deze veroordeling moet onder meer worden bezien in het licht van het, ook destijds al volgens vaste rechtspraak (zie onlangs HR 30 juni 2006, LJN: AX6246, RvdW 2006, 681) geldende criterium dat voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende is dat de eiser(-es) de mogelijkheid van schade (als gevolg van de normschending) aannemelijk maakt. Tegen deze achtergrond zullen partijen niet snel mogen aannemen dat de rechter in de hoofdprocedure aan een veroordeling tot schadevergoeding bij staat beslissingen van een verdergaande strekking ten grondslag heeft gelegd.

Naar aanleiding van het verweer van [geïntimeerde] ter bestrijding van die aannemelijkheid heeft de rechtbank in haar tussenvonnis hem onder meer toegelaten tot het bewijs “dat het huidige letsel van [appellante], ten gevolge waarvan zij arbeidsongeschikt is, niet is ontstaan door de (…) val van de trap”, of zoals in haar eindvonnis (rov. 2.8) weergegeven: “Wat betreft het huidige letsel van [appellante], ten gevolge waarvan zij arbeidsongeschikt is, is [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat dit letsel niet is ontstaan door de val van de trap”. Daarop heeft de rechtbank [geïntimeerde] ook in dit onderdeel van zijn bewijs niet geslaagd geoordeeld.

Naar [appellante], bijgestaan door een advocaat, in het licht van het voormelde criterium en uit voormelde opbouw van de redenering en woordkeuze in beide vonnissen, in onderling verband en samenhang beschouwd, redelijkerwijs behoorde te begrijpen, betekende een en ander niet meer dan dat de rechtbank [geïntimeerde] er niet in geslaagd heeft geoordeeld om de aannemelijkheid te doorbreken van de mogelijkheid van uit arbeidsongeschiktheid bestaande schade (als gevolg van de schending van de verplichting genoemd in (thans) artikel 7:658 lid 1 BW).

5.6 De rechter in deze schadestaatprocedure is dus vrij in de beoordeling van de vraag of de normschending van de werkgever [geïntimeerde] bij [appellante] arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt zowel naar conditio sine qua non-verband als naar de in artikel 6:98 BW bedoelde toerekening.

Grief I faalt.

5.7 Onder grief II bestrijdt [appellante] dat zij de kosten van een, door de kantonrechter nodig geoordeeld, medisch deskundigenbericht moet voorschieten. [geïntimeerde] verdedigt dit.

5.8 Hierover oordeelt het hof als volgt.

Volgens artikel 195, tweede volzin Rv wordt door de eisende partij een door de rechter te bepalen voorschot (en, indien dit is bepaald, een nader voorschot) ter zake van de kosten van de deskundige(n) ter griffie gedeponeerd, voor zover niet bij het vonnis, bedoeld in artikel 194, eerste lid Rv, in verband met de omstandigheden van het geding de wederpartij of beide partijen tezamen daartoe is of zijn aangewezen.

[geïntimeerde] is aansprakelijk voor het aan [appellante] overkomen arbeidsongeval en veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellante] als gevolg van dat ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Stelplicht en bewijslast van de schadeveroorzaking rusten in beginsel op [appellante]. Zij heeft een hoge vordering ingesteld van omstreeks € 1,8 miljoen. Anderzijds is het [geïntimeerde] geweest die (bij conclusie van antwoord sub 12, conclusie van dupliek sub 8, antwoordakte van 12 oktober 2005 sub 7 en memorie van antwoord sub 23) steeds en in ieder geval een medisch deskundigenonderzoek heeft verlangd. Een en ander rechtvaardigt dat elk van beide partijen de helft van het voorschot deponeert.

In zoverre slaagt grief II, voor het overige faalt deze.

5.9 In het licht van de vordering van [appellante] in hoger beroep mist haar grief III, zoals [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht begrijpen, zelfstandige betekenis. Deze behoeft geen afzonderlijke bespreking.

6 De slotsom

6.1 Grief I faalt en grief II slaagt slechts gedeeltelijk. De bestreden tussenvonnissen worden bekrachtigd, behalve de voorschotbeslissing die wordt vernietigd. Grief III behoeft geen afzonderlijke bespreking.

6.2 In deze schadestaatprocedure vordert [appellante] vergoeding van diverse en omvangrijke schadeposten, waartegen [geïntimeerde] zich uitgebreid verweert. Tot nu toe is de berechting in eerste aanleg van het geschil nog maar nauwelijks op gang gekomen. Onder deze omstandigheden weegt het hof het belang van beide partijen bij twee feitelijke instanties zwaarder dan afdoening op dit moment in hoger beroep. Daarom wijst het hof de zaak terug.

6.3 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Voor de gevorderde beslissing over de proces-kosten in eerste aanleg bestaat thans nog geen aanleiding.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de tussenvonnissen van de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel van 4 mei 2005 en van 10 mei 2006 behoudens voor zover de kantonrechter daarbij het voorschot voor het medisch deskundigenonderzoek niet gelijk over beide partijen heeft verdeeld, vernietigt die vonnissen in zoverre en op dat punt opnieuw recht doende:

bepaalt dat voor het medisch deskundigenbericht met betrekking tot de schade elk van beide partijen de helft van het voorschot deponeert;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 894,00 voor salaris van de procureur en op € 248,00 voor griffierecht;

wijst het meer of anders gevorderde af;

wijst de zaak terug naar de kantonrechter te Tiel opdat deze met inachtneming van dit arrest op de hoofdzaak beslist.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Van Ginkel en Strens-Meulemeester en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 5 juni 2007.