Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA6407

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
2007/148
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de akte van 27 maart 2007 geeft [appellant] aan – in afwijking van het vermelde in de appeldagvaarding - dat [geïntimeerde] in (december) 2006 geen woonplaats had in [woonplaats Nederland] en al enige jaren daarvoor naar Finland is verhuisd, naar een voor hem onbekende woonplaats. Nu [geïntimeerde] ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding kennelijk geen bekende woonplaats in Nederland had, doch wel, zoals de appeldagvaarding uitdrukkelijk vermeldt, in Finland over een bekende woonplaats of plaats van werkelijk verblijf beschikt, is te dien aanzien de EG-Betekeningsverordening van toepassing en dient voor de betekening de weg van artikel 56 Rv te worden gevolgd. Dat brengt mee dat de betekening aan de advocaat of procureur van [geïntimeerde] in eerste aanleg niet in de plaats kan komen van betekening met inachtneming van de voorschriften van de EG-Betekeningsverordening. Betekening op de voet van artikel 63 Rv dient, om aan de vereisten van de EG-Betekeningsverordening te voldoen, vergezeld te gaan van, dan wel binnen een termijn van veertien dagen te worden gevolgd door, verzending van de dagvaarding aan de (in casu Finse) ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de EG-Betekeningsverordening. Is hieraan niet voldaan dan kan op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2003, NJ 2003, 113, geen verstek tegen de niet verschenen geïntimeerde worden verleend. Noch uit de brief van [appellant] van 9 februari 2007 noch uit diens akte van 27 maart 2007 blijkt dat de appeldagvaarding op de in artikel 56 Rv bedoelde wijze is betekend of zelfs maar verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2007

eerste civiele kamer

rolnummer 2007/00148

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. W.D. Huizinga,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] (Finland),

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de door de rechtbank Almelo tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde gewezen vonnissen van 16 maart 2005, 12 april 2006 en 27 september 2006. Een fotokopie van deze vonnissen is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij een op 21 december 2006 aan mr. E.M.M. van de Loo, de procureur van [geïntimeerde] in eerste aanleg, betekend exploot heeft [appellant] aangezegd in hoger beroep te komen van voormelde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de rolzitting van 30 januari 2007 van dit hof.

2.3 Op deze rolzitting is [geïntimeerde] niet verschenen; [appellant] heeft gevraagd tegen [geïntimeerde] verstek te verlenen. De zaak is daarop aangehouden tot de rolzitting van 13 februari 2007 voor overlegging van de betekeningstukken aan [geïntimeerde] van het appelexploot van 21 december 2006.

2.4 Voor de behandeling ter rolle van 13 februari 2007 heeft [appellant] bij per fax op 9 februari 2007 ter griffie ingekomen brief van zijn procureur medegedeeld dat géén betekening van de dagvaarding heeft plaatsgevonden op het woonadres van [geïntimeerde]; dat [geïntimeerde] is verhuisd vanuit [woonplaats Nederland] naar Finland en dat het woonadres van [geïntimeerde] hem onbekend is.

Daarop is de zaak aangehouden tot de rolzitting van 13 maart 2007 voor beslissing omtrent verstekverlening.

2.5 Ter rolle van 13 maart 2007 is de beslissing om tegen [geïntimeerde] verstek te verlenen, aangehouden tot de rolzitting van 27 maart 2007 om [appellant] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de verhuisdatum van [geïntimeerde] naar [woonplaats] en/of bewijsstukken over te leggen uit de gemeentelijke basisadministratie waaruit blijkt dat [geïntimeerde] op 21 december 2006 woonplaats in Nederland had.

2.6 Op deze rolzitting heeft [appellant] zich bij akte uitgelaten, onder meer, en voor zover van belang, inhoudende: dat [geïntimeerde], in (december) 2006 geen woonplaats in [woonplaats Nederland] had en dat zij enige jaren daarvoor vanuit [woonplaats Nederland] is verhuisd naar haar moederland Finland.

2.7 Het hof heeft daarna bepaald om heden arrest te wijzen op de gevraagde verstekverlening.

3 De beoordeling van het verzoek om verstekverlening

3.1 [appellant] heeft de appeldagvaarding op de voet van artikel 63 Rv doen betekenen aan mr. E.M.M. van de Loo, advocaat te Enschede, die in eerste aanleg optrad als procureur van [geïntimeerde]. In de appeldagvaarding is als woonplaats van [geïntimeerde] vermeld: [woonplaats Nederland], gemeente [...] aan de [adres], althans in Finland in [woonplaats] aan de [adres].

3.2 In zijn akte van 27 maart 2007 geeft [appellant] echter aan – in afwijking van het vermelde in de appeldagvaarding - dat [geïntimeerde] in (december) 2006 geen woonplaats had in [woonplaats Nederland] en al enige jaren daarvoor naar Finland is verhuisd, naar een voor hem onbekende woonplaats. Nu [geïntimeerde] ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding kennelijk geen bekende woonplaats in Nederland had, doch wel, zoals de appeldagvaarding uitdrukkelijk vermeldt, in Finland over een bekende woonplaats of plaats van werkelijk verblijf beschikt, is te dien aanzien de EG-Betekeningsverordening van toepassing en dient voor de betekening de weg van artikel 56 Rv te worden gevolgd. Dat brengt mee dat de betekening aan de advocaat of procureur van [geïntimeerde] in eerste aanleg niet in de plaats kan komen van betekening met inachtneming van de voorschriften van de EG-Betekeningsverordening. Betekening op de voet van artikel 63 Rv dient, om aan de vereisten van de EG-Betekeningsverordening te voldoen, vergezeld te gaan van, dan wel binnen een termijn van veertien dagen te worden gevolgd door, verzending van de dagvaarding aan de (in casu Finse) ontvangende instantie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de EG-Betekeningsverordening. Is hieraan niet voldaan dan kan op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2003, NJ 2003, 113, geen verstek tegen de niet verschenen geïntimeerde worden verleend. Noch uit de brief van [appellant] van 9 februari 2007 noch uit diens akte van 27 maart 2007 blijkt dat de appeldagvaarding op de in artikel 56 Rv bedoelde wijze is betekend of zelfs maar verzonden.

3.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gevraagde verstek moet worden geweigerd en dat de instantie is beëindigd.

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende:

weigert het gevraagde verstek;

verstaat dat de instantie is beëindigd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeeïng-Van Hees, Van Loo en Van der Pol en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2007.