Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA6114

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
31-05-2007
Zaaknummer
06-00307
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2006:AZ2051, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Predikant is geen ondernemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/42.13 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1034
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

Eerste meervoudige belastingkamer

nummer 06/00307

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

appellant : X

te : Z

verweerder in hoger beroep : de Inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

aangevallen beslissing : schriftelijke uitspraak van de rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 5 juli 2006, nr. AWB 06/865, inzake de uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002

aanslagnummer : 000.00.000.H26

onderzoek ter zitting : op 2 mei 2007 te Arnhem door mr. De Kroon, mr. Röben en mr. drs. Nieuwenhuizen in tegenwoordigheid van drs. Woeltjes als griffier

waarbij verschenen : belanghebbendes gemachtigde alsmede de Inspecteur

gronden:

1. Belanghebbende is in het onderhavige jaar regulier predikant van de Gereformeerde Kerk te Z (hierna: de kerkgemeente) en heeft van de kerkgemeente ¬uit dien hoofde in dat jaar een (vast) traktement ontvangen van bruto € 61.374. Daarnaast heeft hij in 2002 terzake van een aantal preekbeurten en diaklankpresentaties buiten de kerkgemeente een bedrag van € 3.918 aan neveninkomsten genoten. Belanghebbende staat niet in civielrechtelijke dienstbetrekking tot de kerkgemeente of enig ander aan de Kerk verbonden college en heeft niet gekozen voor pseudo-werknemerschap. Op zijn traktement is geen loonheffing ingehouden.

2. Belanghebbende is in zoverre zelfstandig dat hij zonder aanwijzingen en instructies van de kerkgemeente en de daaraan verbonden colleges zijn taak en werkzaamheden als predikant autonoom kan uitvoeren. Dit van oudsher in het (gereformeerde) kerkrecht bestaande beginsel van vrije ambtsuitoefening door de beroepen predikant (het anti-hiërarchisch beginsel) staat los van de verplichting van de kerkgemeente tot het uitbetalen van een vast traktement en het vergoeden van de kosten waarop de predikant ingevolge de vaste regeling “predikantstraktementen” aanspraak kan maken.

3. In zijn op 23 april 2007 bij het Hof ingekomen nadere stukken benadrukt belanghebbende nog eens de uitzonderlijke positie van de predikant en het feit dat het inkomen is losgekoppeld van de persoon van de predikant en de wijze waarop deze invulling geeft aan zijn ambt. Hij ziet daarin overeenkomsten met de zelfstandige uitoefening van het vrije beroep van specialisten in de gezondheidszorg. Ook daar worden ¬naar belanghebbende betoogt evenals bij predikanten onderlinge afspraken gemaakt met betrekking tot vakantieverlof, vrije dagen en eventuele vervanging, doch dat doet niet af aan de zelfstandigheid van het beroep en staat er niet aan in de weg dat deze specialisten winst uit onderneming genieten.

4. Desgevraagd heeft belanghebbendes gemachtigde ter zitting van het Hof verklaard dat de (rechts)positie van belanghebbende als regulier predikant van de kerkgemeente niet afwijkt van die van andere predikanten die bij een vaste kerkgemeente zonder gezagsverhouding en buiten dienstbetrekking tegen een vast traktement hun ambt uitoefenen.

5. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard.

6. In zijn arrest van 26 januari 2007, nr. 42519, VN 2007/8.11 heeft de Hoge Raad het door het Hof ’s-Gravenhage in zijn uitspraak van 20 december 2005, nr. BK-04/01717 gegeven oordeel bevestigd dat inkomsten uit een permanente functie van predikant bij een vaste gemeente (zonder gezagsverhouding of dienstbetrekking) in beginsel zijn aan te merken als overige inkomsten uit andere arbeid in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, Wet op de Inkomstenbelasting 1964 en niet als winst uit onderneming. De Hoge Raad sluit uitdrukkelijk aan bij het door genoemd Hof aangelegde criterium dat voor de afgrenzing naar het zelfstandig uitgeoefend beroep bepalend is of de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening worden verricht en of daarbij ondernemingsrisico wordt gelopen.

7. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat belanghebbende zijn ambt van predikant voor eigen rekening en derhalve als zelfstandig beroepsbeoefenaar - uitoefent reeds op grond van zijn betoog dat het hem vrijstaat aan dat ambt de invulling te geven die hem gewenst voorkomt. De omstandigheid dat hij voor zijn reguliere werkzaamheden, ongeacht de hoeveelheid en de kwaliteit daarvan, een vast traktement ontvangt, brengt mee dat hij terzake geen ondernemersrisico loopt. Ook van debiteurenrisico is bij belanghebbende geen sprake nu hij voor zijn reguliere activiteiten (meer dan 93% van zijn totale inkomsten) geen bedragen in rekening brengt aan derden. Gesteld noch gebleken is verder dat belanghebbende deze risico’s wel loopt terzake van zijn relatief geringe neveninkomsten (minder dan 7% van zijn totale inkomsten).

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en vastgesteld, is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een beoefenaar van een zelfstandig beroep als bedoeld in de artikelen 3.5 juncto 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) en moet zijn inkomen uit hoofde van zijn predikantschap nu ook geen sprake is van loon uit dienstbetrekking worden aangemerkt als (belastbaar) resultaat uit overige werkzaamheden op de voet van artikel 3.90 van de Wet. De zelfstandigenaftrek is hem derhalve terecht onthouden.

9. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur terecht ongegrond verklaard.

proceskosten:

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het hof geen termen aanwezig.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 16 mei 2007 door mr. De Kroon, voorzitter, mr. Röben en mr. drs. Nieuwenhuizen. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. Woeltjes als griffier.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(V.F.R. Woeltjes) (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 25 mei 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.