Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA6109

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
2006/022
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant sub 1 is in 1999 opgericht als pensioenvoorziening voor appellant sub 2 in privé. De vennootschap appellant sub 1 bezat geen vermogen anders dan het oprichtingsvermogen. Pas nadat appellant sub 2 bij A in dienst was getreden, zijn er gelden gestort in de vennootschap. De inkomsten van de vennootschap bestonden alleen uit de inkomsten uit arbeid van appellant sub 2. Als gevolg van het ontslag van appellant sub 2 door A vielen de inkomsten van appellant sub 2 weg en droogde de inkomstenstroom naar de vennootschap op. Aan de vennootschap is geen onderneming verbonden en de vennootschap verricht geen ondernemingsactiviteiten.[..] Aan het hof ligt (dus) ter beoordeling voor a) of de koopovereenkomst is ontbonden dan wel moet worden ontbonden en b) of appellant sub 1 in verband daarmee aansprakelijk is voor door geïntimeerde sub 1 en geïntimeerde sub 2 geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2007

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/22

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant sub 1], in de dagvaarding in hoger beroep kennelijk bij vergissing als [...] aangeduid,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. J.R.O. Dantuma,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 oktober 2004, 22 juni 2005 en 9 augustus 2005 gewezen tussen appellanten (verder te noemen: [appellant sub 1] en [appellant sub 2]) en twee vennootschappen (verder te noemen: [A] en [A] Holding) als gedaagde partijen enerzijds en geïntimeerden (verder te noemen: [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2]) als eisende partijen anderzijds. Van laatstgenoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben bij exploot van 8 november 2005 aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] meegedeeld dat zij van laatstgenoemd vonnis, voor zover tussen partijen gewezen, in hoger beroep komen, met dagvaarding van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] voor dit hof. Zij hebben daarbij meegedeeld dat het hof zal worden gevraagd bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] af te wijzen en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] te veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] elf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] alsnog zal afwijzen.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de vordering van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] integraal zal afwijzen en, al dan niet onder aanvulling en/of verbetering van gronden, het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in de kosten van beide instanties.

2.4 Ter zitting van 8 september 2006 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] door mr. B.J. Middendorp-van den Berg, advocaat te Zwolle, en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] door mr. M.J.M. Groen, advocaat te Almere; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 9 augustus 2005 onder het kopje “De vaststaande feiten” feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

3.2 [appellant sub 1] is in 1999 opgericht als pensioenvoorziening voor [appellant sub 2] in privé. De vennootschap [appellant sub 1] bezat geen vermogen anders dan het oprichtingsvermogen. Pas nadat [appellant sub 2] bij [A] in dienst was getreden, zijn er gelden gestort in de vennootschap. De inkomsten van de vennootschap bestonden alleen uit de inkomsten uit arbeid van [appellant sub 2]. Als gevolg van het ontslag van [appellant sub 2] door [A] vielen de inkomsten van [appellant sub 2] weg en droogde de inkomstenstroom naar de vennootschap op. Aan de vennootschap is geen onderneming verbonden en de vennootschap verricht geen ondernemingsactiviteiten.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

De vordering tegen [appellant sub 1]

4.1 De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tegen [appellant sub 1] voor zover deze de ontbinding van de koopovereenkomst tussen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] enerzijds en [appellant sub 1] anderzijds (verder te noemen: de koopovereenkomst) en de verklaring voor recht dat [appellant sub 1] aansprakelijk is voor door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] geleden schade betreft, toewijsbaar is. Met hun grieven I tot en met VI keren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich tegen dat oordeel. Aan het hof ligt (dus) ter beoordeling voor a) of de koopovereenkomst is ontbonden dan wel moet worden ontbonden en b) of [appellant sub 1] in verband daarmee aansprakelijk is voor door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] geleden schade. In dit kader dient de vraag te worden beantwoord of [appellant sub 1] zich mag beroepen op de vervulling van de ontbindende voorwaarde in artikel 16 van de koopovereenkomst. Volgens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] mag [appellant sub 1] zich daarop niet beroepen. Primair stellen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] daartoe, kort gezegd, dat [appellant sub 1] in de zin van artikel 6:23 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW) de vervulling van die voorwaarde heeft teweeggebracht en dat de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de voorwaarde als niet vervuld geldt. Subsidiair stellen zij daartoe, kort gezegd, dat een beroep van [appellant sub 1] op de vervulling van de voorwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW.

4.2 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben hun beroep op artikel 6:23 lid 2 BW, kort gezegd, gegrond op de volgende stellingen:

i. [appellant sub 1] beschikte bij het aangaan van de koopovereenkomst over onvoldoende middelen om de bungalow te kunnen bekostigen en wist, althans had moeten weten dat zij onder deze omstandigheden nimmer een financiering via een kredietinstelling zou kunnen bemachtigen;

ii. [appellant sub 1] heeft zich afhankelijk gesteld van het inkomen van haar bestuurder tevens enig aandeelhouder [appellant sub 2] en is verantwoordelijk voor de wijze waarop [appellant sub 2] getracht heeft financiering te realiseren en voor het feit dat [appellant sub 2] door zijn ontslag geen financiering ontving;

iii. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dienen te worden vereenzelvigd, gezien de onder 3.2 genoemde feiten, alsmede gezien het feit dat [appellant sub 2] [appellant sub 1] heeft ingezet voor privédoeleinden (het verwerven van de bungalow) en gezien het feit dat [appellant sub 2] met [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] een aanvullende koopovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot een aantal roerende goederen behorende bij de bungalow;

iv. het feit dat [appellant sub 2] is ontslagen wegens ter zake van de bungalow handelen in strijd met de NVM-richtlijnen en het feit dat [appellant sub 2] dan wel [appellant sub 1] als gevolg daarvan de financiering ten behoeve van de bungalow niet heeft verkregen, zijn omstandigheden die voor rekening van [appellant sub 1] komen. [appellant sub 1] is direct verantwoordelijk voor het teweegbrengen van de vervulling van de ontbindende voorwaarde als gevolg van het handelen van [appellant sub 2].

4.3 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zich verweerd tegen deze stellingen.

4.4 Het hof is van oordeel dat de onder i., ii., iii. en iv. genoemde stellingen ieder apart, maar ook tezamen bezien, niet tot het oordeel kunnen leiden dat [appellant sub 1] (via [appellant sub 2]) de vervulling van de ontbindende voorwaarde heeft bewerkstelligd en dat deze stellingen evenmin leiden tot het oordeel dat de redelijkheid en billijkheid verlangen dat die voorwaarde als niet vervuld geldt. Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

4.5 Aan de onder i. genoemde stelling gaat het hof voorbij. Tegenover de betwisting van die stelling door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hun conclusie van antwoord onder 4.2 hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] die stelling immers onvoldoende toegelicht. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [appellant sub 1] bij het aangaan van de koopovereenkomst al had (moeten) vermoed(en) dat ook bij voortzetting van het dienstverband van [appellant sub 2] bij [A] aan [appellant sub 1] geen financiering zou worden verstrekt.

4.6 Betreffende de onder ii. en iii. genoemde stellingen geldt het volgende. Dat een vennootschap zoals [appellant sub 1], temeer nu deze bedoeld is als pensioenvoorziening, afhankelijk is van het inkomen van haar aandeelhouder en bestuurder is niet onrechtmatig en niet ongebruikelijk. Daarmee is het een logisch gegeven dat als het inkomen van de aandeelhouder en bestuurder vermindert ook de inkomsten van de vennootschap verminderen. Tegen deze achtergrond kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden geoordeeld dat [appellant sub 2] of [appellant sub 1] door deze constructie de vervulling van de ontbindende voorwaarde heeft teweeggebracht. Als gevolg hiervan doet niet terzake of [appellant sub 1] en [appellant sub 2] al dan niet vereenzelvigd kunnen worden, nu dit niet tot een ander oordeel zou leiden.

4.7 Met betrekking tot de onder iv. genoemde stelling wordt het navolgende overwogen.

Voor een geslaagd beroep door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op artikel 6:23 lid 2 BW is nodig dat [appellant sub 1] een belang had bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde, die vervolgens is teweeggebracht. Gesteld noch gebleken is echter dat [appellant sub 1] een belang had bij de vervulling van de ontbindende voorwaarde, laat staan welk belang van [appellant sub 1] hiermee gediend zou zijn. Het teweegbrengen van de vervulling van de ontbindende voorwaarde, bij welke vervulling [appellant sub 1] belang had, zou bovendien in het onderhavige geval betekenen dat [appellant sub 1] bij het aangaan van de koopovereenkomst wist dat [appellant sub 2] daardoor op staande voet zou worden ontslagen met als gevolg dat [appellant sub 1] geen financiering zou kunnen krijgen. Dat ligt minst genomen niet voor de hand. Al met al is te weinig gesteld of gebleken voor een geslaagd beroep door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op artikel 6:23 lid 2 BW.

4.8 Ter onderbouwing van hun beroep op artikel 6:248 lid 2 BW hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gewezen op de hiervoor onder 4.2 genoemde stellingen alsmede op de door hen gestelde omstandigheid dat zij als leken op het gebied van de verkoop van huizen ervan mochten uitgaan dat [appellant sub 1] via [appellant sub 2] als NVM-makelaar deskundig was op dat gebied en dat [appellant sub 2] zich zou gedragen volgens de NVM-regels, terwijl hij zich niet aldus heeft gedragen. Zij hebben daarbij gesteld dat een redelijke uitleg van artikel 16 van de koopovereenkomst meebrengt dat op dit artikel slechts een beroep kan worden gedaan indien [appellant sub 1] bin-nen de termijn van 17 tot en met 24 december 2001 bij twee kredietinstellingen zou hebben getracht financiering te verkrijgen en van die instellingen een afwijzing zou hebben gekregen.

4.9 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zich verweerd tegen deze stellingen.

4.10 In genoemd artikel 16 is niet expliciet opgenomen en ook overigens is niet gesteld of gebleken dat slechts een beroep op dit artikel mogelijk is indien [appellant sub 1] tenminste twee schriftelijke afwijzingen voor een financiering van verschillende kredietinstellingen kan overleggen. Gelet daarop alsmede gelet op de omstandigheden:

- dat [appellant sub 1] geen vermogen anders dan het oprichtingsvermogen bezat,

- dat pas nadat [appellant sub 2] bij [A] in dienst was getreden, dus na 1 november 2001, er gelden zijn gestort in [appellant sub 1],

- dat de inkomsten van [appellant sub 1] alleen bestonden uit de inkomsten uit arbeid van [appellant sub 2] en

- dat als gevolg van het ontslag van [appellant sub 2] door [A] de inkomsten van [appellant sub 2] wegvielen en de inkomstenstroom naar [appellant sub 1] opdroogde,

is het hof van oordeel dat van [appellant sub 1] niet hoeft te worden verlangd dat zij tenminste twee schriftelijke afwijzingen voor een financiering van verschillende kredietinstellingen kan overleggen. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zijn door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet gesteld. Zij hebben bijvoorbeeld niet gesteld - anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd - dat er een kredietinstelling is die tegen de zojuist geschetste omstandigheden aan [appellant sub 1] de benodigde financiering zou hebben verstrekt. Het hof onderschrijft de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] verdedigde redelijke uitleg van artikel 16 van de koopovereenkomst dus niet.

4.11 Omtrent het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW en, meer specifiek, de in dat kader in acht te nemen omstandigheden van het geval overweegt het hof voorts het volgende.

Om redenen als hiervoor onder 4.5 tot en met 4.7 genoemd gaat het hof voorbij aan de onder i. genoemde stelling en aan de onder iv. genoemde stelling dat [appellant sub 1] direct verantwoordelijk is voor het teweegbrengen van de vervulling van de ontbindende voorwaarde als gevolg van het handelen van [appellant sub 2].

Voor het overige is het hof van oordeel dat, zelfs als veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van:

- de onder ii., iii. en overigens onder iv. genoemde stellingen,

- de stelling dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als leken op het gebied van de verkoop van huizen ervan mochten uitgaan dat [appellant sub 1] via [appellant sub 2] als NVM-makelaar deskundig was op dat gebied en

- dat [appellant sub 2] zich zou gedragen volgens de NVM-regels, terwijl hij zich niet aldus heeft gedragen,

gelet op de in hoger beroep door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onbetwist aangevoerde omstandigheden:

- dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de bungalow in juni 2001 voor f 420.000,-- (memorie van grieven sub 3.5) dan wel juli 2001 voor f 446.250,-- inclusief BTW (verklaring van [appellant sub 2] tijdens het pleidooi in hoger beroep) hebben gekocht, terwijl de bungalow omstreeks een half jaar later voor ongeveer f 650.000,-- - volgens de verklaring van [appellant sub 2] tijdens het pleidooi in hoger beroep: een veel te hoge prijs - aan [appellant sub 1] is verkocht, terwijl naar het oordeel van het hof geen verklaring is gegeven voor deze opmerkelijk grote waardestijging,

- dat niet is gesteld dat [appellant sub 2] en/of [appellant sub 1] [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ter zake van de koopsom betreffende de bungalow hebben/heeft benadeeld,

- dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ter zake van de verkoop van de bungalow geen courtage verschuldigd waren (pleitnota in hoger beroep van de zijde van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]) en dat - aldus de verklaring van [appellant sub 2] tijdens het pleidooi in hoger beroep - geen bemiddelingsovereenkomst werd gesloten ter zake van die verkoop en

- dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] erop stonden dat de koopovereenkomst werd gesloten (verklaring van [appellant sub 2] tijdens het pleidooi in hoger beroep),

het beroep van [appellant sub 1] op de vervulling van de ontbindende voorwaarde van artikel 16 van de koopovereenkomst niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.12 Uit het vorenstaande volgt dat [appellant sub 1] zich terecht beroept op de vervulling van de ontbindende voorwaarde in artikel 16 van de koopovereenkomst. Daaruit vloeit voort dat de hiervoor onder 4.1 onder a) en b) genoemde vragen ontkennend moeten worden beantwoord. Nu geen andere grond voor ontbinding van de koopovereenkomst is gesteld of gebleken, betekent het vorenstaande dat de in het vonnis van 9 augustus 2005 onder I genoemde vordering en de daarin onder II en III genoemde vorderingen voor zover deze laatste vorderingen betrekking hebben op [appellant sub 1] alsnog moeten worden afgewezen. De grieven I tot en met VI slagen dus.

De vordering tegen [appellant sub 2]

4.13 Met hun grieven VII tot en met X leggen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ter beoordeling aan het hof voor of [appellant sub 2] aansprakelijk is voor door [appellant sub 2], [appellant sub 1], [A] en [A] Holding bij [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] veroorzaakte schade en of [appellant sub 2] in verband daarmee aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] schadevergoeding dient te betalen. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] menen dat die vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Zij stellen daartoe primair dat [appellant sub 2] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij voor hem als makelaar geldende regels heeft overtreden. Subsidiair stellen zij daartoe dat [appellant sub 2] als bestuurder van [appellant sub 1] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Meer subsidiair stellen zij daartoe dat [appellant sub 2] met [appellant sub 1] kan worden vereenzelvigd.

4.14 Omtrent de primaire stelling wordt het volgende overwogen. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] stellen dat [appellant sub 2] meer in het bijzonder de artikelen 2 en 6 van de Erecode NVM heeft overtreden. Volgens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] heeft [appellant sub 2] zich, kort gezegd, in strijd met genoemde artikelen niet als een onafhankelijk makelaar gedragen. Daarnaast stellen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] dat [appellant sub 2] welbewust achter de rug van zijn werkgever om in strijd met zijn beroepsregels handelde, hetgeen “direct leidde tot het bewuste ontslag op staande voet en vervolgens tot de contractbreuk van [appellant sub 1]”. Dat gedrag van [appellant sub 2] is volgens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en “direct onrechtmatig” jegens hen.

4.15 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben betwist dat [appellant sub 2] aldus onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens hen is namelijk niet voldaan aan het zogenaamde relativiteitsvereiste. De regel dat [appellant sub 2] als een onafhankelijk makelaar dient op te treden, strekt niet ter bescherming van de onderhavige belangen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], te weten “het al dan niet terecht inroepen van het financieringsvoorbehoud door [appellant sub 2] en [appellant sub 1]”, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Die regel beoogt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het belang van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bij een correcte taxatie door [appellant sub 2] te beschermen. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] heeft [appellant sub 2] als een onafhankelijk makelaar getaxeerd, heeft hij niet te laag getaxeerd en wilden [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de overeengekomen koopsom, die volgens de verklaring van [appellant sub 2] tijdens het pleidooi in hoger beroep veel te hoog was, graag hebben.

4.16 Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2], tegenover de gemotiveerde betwisting door [appellant sub 1] en [appellant sub 2], onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [appellant sub 2] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld zoals primair door hen gesteld. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben, mede gezien het feit dat uit de stellingen van partijen volgt dat de koopsom voor de bungalow in ieder geval een goede was (vanuit het standpunt van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bezien, volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] was deze te hoog), onvoldoende gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de door hen gestelde norm dat [appellant sub 2] als een onafhankelijk makelaar dient op te treden, strekt tot bescherming tegen de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] geleden schade. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan ook niet worden geoordeeld dat sprake is van genoemd “direct onrechtmatig” gedrag van [appellant sub 2]. Ook omdat aan het relativiteitsvereiste niet is voldaan, is de primaire stelling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ongegrond.

4.17 Met betrekking tot de subsidiaire stelling dat [appellant sub 2] als bestuurder van [appellant sub 1] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld overweegt het hof als volgt. Van een dergelijk onrechtmatig handelen kan sprake zijn indien [appellant sub 2] als bestuurder namens [appellant sub 1] een verplichting is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [appellant sub 1] deze verplichting niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor ten gevolge van de wanprestatie te lijden schade. Nu evenwel niet is gebleken dat [appellant sub 1] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de koopovereenkomst, is de stelling reeds daarom ongegrond. Dat [appellant sub 2] zich bij het aangaan van de koopovereenkomst heeft gerealiseerd, althans zich had moeten realiseren, dat zijn handelen in strijd met de beroepsregels tot zijn ontslag zou kunnen leiden en daarmee tot “het opdrogen van de inkomensstroom”, hetgeen door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wordt betwist, en dat [appellant sub 2] daarmee ten behoeve van [appellant sub 1] een verplichting is aangegaan waarvan hij kon weten dat er een aanmerkelijk risico bestond dat [appellant sub 1] die niet kon nakomen, is op zichzelf zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aan te merken als onrechtmatig handelen van [appellant sub 2]. Dat [appellant sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij, terwijl hij behoorde te weten dat hij met zijn huidige inkomen nooit de financiering rond zou krijgen, de koopovereenkomst heeft gesloten, is niet (voldoende) gesteld.

4.18 Gezien het vorenoverwogene kan ook de meer subsidiaire stelling van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hen niet baten.

4.19 Uit het vorenstaande volgt dat onvoldoende is gesteld om te kunnen oordelen dat [appellant sub 2] aansprakelijk is voor door hemzelf, [appellant sub 1], [A] en [A] Holding bij [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] veroorzaakte schade en in verband daarmee aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] schadevergoeding dient te betalen. Dit betekent dat de in het vonnis van 9 augustus 2005 onder II en III genoemde vorderingen voor zover deze betrekking hebben op [appellant sub 2] moeten worden afgewezen. De grieven VII tot en met X slagen dan ook.

4.20 Nu [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] overigens niets hebben gesteld dat, indien bewezen, tot een ander oordeel moet leiden, zal het hof aan hun bewijsaanbod voorbijgaan.

De vordering tegen [appellant sub 1] en de vordering tegen [appellant sub 2]

4.21 Uit het vorenoverwogene volgt dat grief XI ook slaagt.

4.22 De slotsom luidt dat de grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] jegens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zullen alsnog worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van beide instanties worden veroordeeld. Gezien de daartoe strekkende vordering van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 augustus 2005 en doet opnieuw recht;

wijst af de vorderingen van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] jegens [appellant sub 1] en [appellant sub 2];

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] begroot op € 3.689,93 (€ 1.061,-- in eerste aanleg en € 2.628,93 in hoger beroep),

waarvan te voldoen aan de griffier van de rechtbank Zwolle-Lelystad (bankrekening 1923.25.930 ten name van MvJ arrondissement Zwolle-Lelystad) de kosten van de eerste aanleg, € 820,--, te weten het salaris van de gemachtigde,

en te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen) de kosten van het hoger beroep, € 2.384,93, te weten:

- € 71,93 wegens appelexploot;

- € 2.313,-- wegens salaris van de procureur;

en het restant ad € 485,-- (€ 241,-- in eerste aanleg en € 244,-- in hoger beroep) aan de procureur van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wegens het griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Wefers Bettink, Prakke-Nieuwenhuizen en Ynzonides en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2007.