Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA5731

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-05-2007
Datum publicatie
25-05-2007
Zaaknummer
TBS 2006\279
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het bijzonder is van belang dat het feit waarvoor betrokkene is veroordeeld niet een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr betreft en dat derhalve de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar niet te boven mag gaan. Gelet op de thans geldende passantentermijn moet er rekening mee worden gehouden dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de resterende periode feitelijk geen verpleging van overheidswege van betrokkene meer gerealiseerd zal kunnen worden. Verlenging zou dan hoofdzakelijk als effect hebben het uitstellen van de terugkeer van betrokkene in de samenleving. Dat acht het hof in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar. Om die reden en mede in aanmerking genomen de wenselijkheid van een in de gegeven omstandigheden zo goed mogelijk voorbereide terugkeer van betrokkene in de samenleving zal het hof de maatregel verlengen. Daarbij gaat het hof ervan uit dat voor zover mogelijk in de resterende periode invulling zal worden gegeven aan de resocialisatie van betrokkene in de maatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2006\279

Beslissing d.d. 25 mei 2007

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissingen van de rechtbank te Almelo van 19 oktober 2006, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en het geven van het bevel dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op grond van nieuwe stukken en op grond van hetgeen de getuige-deskundige ter zitting heeft verklaard.

Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep ruim zes maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt. Het hof heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat op 15 januari 2007 en 15 maart 2007 de behandeling van de zaak is aangehouden, teneinde nadere informatie te verkrijgen over de mogelijkheid de terbeschikkingstelling met voorwaarden te continueren.

Het hof zal allereerst de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling beoordelen.

In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Uit het advies van de FPK te Assen volgt dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en antisociale kenmerken en misbruik van diverse middelen, waaronder alcohol. Tijdens verlof heeft betrokkene wederom alcohol genuttigd. In de delictanalyse van betrokkene komt naar voren dat alcohol- en cocaïnegebruik het meest risicovol zijn voor betrokkene. De ontremming naar agressief gedrag is evident. De recidivekans op inbraak en geweld wordt hoog geschat, aangezien betrokkene, tegen alle adviezen die hij vanuit de FPK kreeg in, zich begeven heeft in het systeem waarbinnen hij delicten heeft gepleegd. Ondanks de bij betrokkene bekende risico’s van alcoholgebruik heeft hij zich hiervan niet weten te onthouden.

Gelet op de pathologie van betrokkene en het aanwezige recidivegevaar is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

Het hof zal thans overgaan tot beoordeling van de vordering van de officier van justitie tot het geven van een bevel dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat essentiële voorwaarden door betrokkene niet zijn gerealiseerd. De FPK te Assen heeft de behandeling van betrokkene dientengevolge beëindigd. Betrokkene heeft tijdens zijn weekendverlof begin juli 2006 alcohol gebruikt en is daarna zonder rijbewijs in een onverzekerde auto gestapt. Betrokkene heeft bovendien reeds eerder waarschuwingen ontvangen wegens het niet nakomen van behandelafspraken. Betrokkene heeft zich tevens niet gehouden aan zijn verlofplan.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de getuige-deskundige van de FPK te Assen verklaard dat het behandelteam unaniem is in het oordeel dat terbeschikkingstelling met voorwaarden niet langer haalbaar is. Het recidivegevaar wordt door de kliniek hoog geschat.

De reclassering is van mening dat betrokkene gebaat zou zijn met een behandeling in het forensische circuit, aangevuld met structuur en een strak kader. De reclassering heeft voor een dergelijke behandeling diverse mogelijkheden onderzocht. Gebleken is echter dat behandelmogelijkheden voor betrokkene in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet meer geboden werden. De reclassering kan derhalve geen invulling geven aan een verantwoord plan van aanpak in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Gezien de pathologie, de benodigde behandeling, de onmogelijkheid van behandeling zoals hiervoor omschreven en het gevaar van recidive, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan het alsnog bevelen van de verpleging van overheidswege.

In de onderhavige zaak is in het bijzonder van belang dat het feit waarvoor betrokkene is veroordeeld niet een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht betreft en dat derhalve de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar niet te boven mag gaan.

Gelet op de thans geldende passantentermijn moet er rekening mee worden gehouden dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de resterende periode feitelijk geen verpleging van overheidswege van betrokkene meer gerealiseerd zal kunnen worden, ook als de in casu maximaal mogelijke termijn van terbeschikkingstelling gegeven zou zijn. Verlenging van de terbeschikkingstelling zou dan hoofdzakelijk als effect hebben het uitstellen van de terugkeer van betrokkene in de samenleving. Dat acht het hof in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar. Om die reden en mede in aanmerking genomen de wenselijkheid van een in de gegeven omstandigheden zo goed mogelijk voorbereide terugkeer van betrokkene in de samenleving zal het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met de hierna te noemen termijn verlengen. Daarbij gaat het hof ervan uit dat voor zover mogelijk in de resterende periode invulling zal worden gegeven aan de resocialisatie van betrokkene in de maatschappij. Met hulp van de reclassering kan in dat verband wellicht adequate hulpverlening worden bewerkstelligd en worden gezocht naar geschikt werk en huisvesting. Ook denkt het hof in dit kader in het bijzonder aan de mogelijkheid om betrokken in de resterende periode te plaatsen in een inrichting met een beperkte beveiligingsgraad.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissingen van de rechtbank te Almelo van 19 oktober 2006 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Beveelt dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Van Dijk en Van der Herberg als raadsheren,

en drs Boon en drs Van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mr Jansen als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2007.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.