Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA4918

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
2006/474
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank acht het hof die lezing van zaken niet aannemelijk. Zij is weliswaar uitgebreid verwoord en met stukken belegd, maar zij is in strijd met de bewoordingen van de door geïntimeerde sub 2 zelf opgestelde factuur. Bovendien is absoluut onduidelijk hoe geïntimeerde sub 2 volgens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister een bedrijf in het knippen en buigen van betonijzer en de handel in betonijzer met vier daarin werkzame personen in staat zou zijn een managementopleiding te geven waaraan partijen in redelijkheid een waarde van ƒ 135.000 zouden kunnen hebben toegekend. Voorts staat tussen partijen vast dat ze reeds na ongeveer drie maanden tot de conclusie zijn gekomen dat appellant niet geschikt was als manager en dat hij verder nog slechts als buiger/knipper zou functioneren en hebben geïntimeerden niet uitgelegd waarom toen tussen partijen helemaal niet is gesproken over de door appellant gedane betaling van ƒ 135.000 voor een drie jaren durende managementopleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 mei 2007

eerste civiele kamer

rolnummer 2006.00474

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr A.G.W. van Kessel,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1], wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 2], gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 3], gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr W.D. Huizinga.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 12 oktober 2005 en 28 december 2005 die de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna onderscheidenlijk ook te noemen: [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], dan wel gezamenlijk [geïntimeerden]) als gedaagden heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 23 maart 2006 aangezegd van het vonnis van 28 december 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] zestien grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

? primair voor recht zal verklaren dat een op 15 mei 2000 door [appellant] betaald bedrag van ƒ 135.000 onverschuldigd is betaald, althans dat op [geïntimeerden] een verbintenis rust tot ongedaanmaking;

? subsidiair voor recht zal verklaren dat der partijen overeenkomst door de brief van 23 maart 2005 is ontbonden, althans dat de tussen partijen op (11; bedoeld zal zijn:) 12 april 2001 gesloten overeenkomsten nietig althans vernietigbaar zijn, alsmede in het laatste geval die overeenkomsten zal vernietigen;

? [geïntimeerden] zal veroordelen, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, tot betaling van bedragen van ƒ 135.000 (€ 61.260,33) en van € 21.491,01, beide met de wettelijke rente daarover van 1 januari 2005 tot de dag van betaling;

? [geïntimeerden] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant] bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding zal veroordelen.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

3.2 Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd:

? dat [appellant] bij op 30 maart 2005 aan [geïntimeerde sub 1] betekende brief van zijn advocaat de tussen partijen bestaande overeenkomst, indien althans nog een overeenkomst tussen hen zou bestaan, heeft ontbonden;

? dat hij bij diezelfde brief [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gesommeerd heeft tot betaling voor of op 10 april 2005;

? dat hij op 22 april 2005 ten laste van [geïntimeerde sub 1] op diens aandelen in [geïntimeerde sub 3] conservatoir beslag heeft doen leggen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Nadat de rechtbank in rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis het standpunt van [appellant] en in rechtsoverweging 4.2 dat van [geïntimeerden] had samengevat, heeft zij in rechtsoverweging 4.3 overwogen en gemotiveerd dat [appellant] in het licht van het verweer van [geïntimeerden] zijn stellingen onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. In de overwegingen 4.4 en 4.5 verbindt de rechtbank daaraan de gevolgtrekkingen dat [appellant]s vorderingen afgewezen dienen te worden en hij in de kosten moet worden veroordeeld.

4.2 De grieven III tot en met IX bestrijden verschillende passages van rechtsoverweging 4.3. Deze grieven in samenhang met de grieven XIII, XIV en XV, onderscheidenlijk klagende over de afwijzing van de primaire, de subsidiaire en de meer subsidiaire vorderingen, onderwerpen het geschil tussen partijen in volle omvang aan het oordeel van het hof.

4.3 Het hof kan zich niet verenigen met het door de grieven III tot en met IX bestreden oordeel dat [appellant] zijn stellingen onvoldoende gemotiveerd zou hebben gehandhaafd. Het is waar dat zijn stelling dat hij zou gaan meeprofiteren van de winst van [geïntimeerde sub 2] en op den duur (een toevoeging die [appellant] overigens bestrijdt) mede-eigenaar zou worden, niet nader heeft onderbouwd en dat deze stelling daardoor aan een zekere vaagheid lijdt. Maar hij heeft voldoende duidelijk gemaakt dat de aan zijn betaling voorafgaande gesprekken en afspraken tussen partijen aan diezelfde vaagheid leden en dat is niet op voorhand onaannemelijk. Deze stelling vindt in al haar vaagheid bevestiging in het feit dat [geïntimeerde sub 1] het door [appellant] te betalen bedrag van ƒ 135.000 aan hem heeft gefactureerd als een betaling “in verband met een mogelijke participatie in [geïntimeerde sub 2]”. Ook die omschrijving is vaag: zij laat de vraag onbeantwoord welke omvang die participatie zou hebben, hoe zij vorm zou krijgen, zelfs of die participatie al was toegezegd (zoals [appellant] stelt, maar [geïntimeerde sub 1] uitdrukkelijk ontkent). Maar die omschrijving kan onmogelijk worden begrepen als te slaan op een door [appellant] te betalen bedrag voor een hem door [geïntimeerde sub 1] te geven managementopleiding. Het hof is, al met al, van oordeel dat [appellant] in de omstandigheden van het onderhavige geval in beginsel wel voldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan.

4.4 Tegenover de lezing van [appellant] staat die van [geïntimeerden] Anders dan de rechtbank acht het hof die lezing van zaken niet aannemelijk. Zij is weliswaar uitgebreid verwoord en met stukken belegd, maar zij is in strijd met de bewoordingen van de door [geïntimeerde sub 2] zelf opgestelde factuur. Bovendien is absoluut onduidelijk hoe [geïntimeerde sub 2] volgens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister een bedrijf in het knippen en buigen van betonijzer en de handel in betonijzer met vier daarin werkzame personen in staat zou zijn een managementopleiding te geven waaraan partijen in redelijkheid een waarde van ƒ 135.000 zouden kunnen hebben toegekend. Voorts staat tussen partijen vast dat ze reeds na ongeveer drie maanden tot de conclusie zijn gekomen dat [appellant] niet geschikt was als manager en dat hij verder nog slechts als buiger/knipper zou functioneren en hebben [geïntimeerden] niet uitgelegd waarom toen tussen partijen helemaal niet is gesproken over de door [appellant] gedane betaling van ƒ 135.000 voor een drie jaren durende managementopleiding. En de opleidingsovereenkomst waarop [geïntimeerden] hun stellingen gronden, is pas opgesteld in april 2001, ruim negen maanden na de aanvang en ongeveer een half jaar na het voortijdige einde van de opleiding en dat beperkt sterk de overtuigende kracht van deze overeenkomst als bewijsstuk dat de inhoud daarvan al vóór de betaling op 15 mei 2000 door partijen zou zijn overeengekomen. Al met al is het hof van oordeel dat het juist [geïntimeerden] zijn die hun standpunt onvoldoende gemotiveerd hebben door een aantal zeer voor de hand liggende vragen die door hun lezing van zaken opgeroepen worden, onbeantwoord te laten, zodat dit verweer van [geïntimeerden] wordt gepasseerd.

4.5 Het hof houdt het er daarom voor dat [appellant] zijn betaling inderdaad gedaan heeft, zoals in de van [geïntimeerde sub 2] afkomstige factuur ook uitdrukkelijk staat, “in verband met een mogelijke participatie in [geïntimeerde sub 2]” en dat de beide op 12 april 2001 gedateerde akten slechts ter verhulling daarvan zijn opgemaakt, dat zij niet een werkelijk tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst weergeven en dat [geïntimeerden] dat ook wisten. Als de in de factuur genoemde participatie alleen maar een “mogelijke” en nog niet toegezegde participatie was, was de betaling ook nog niet verschuldigd en is zij nooit verschuldigd geworden omdat die participatie nooit doorgang heeft gevonden. Als de participatie wel was toegezegd en partijen overeen waren gekomen dat [appellant] daarvoor dit bedrag zou betalen, was dat geen onverschuldigde betaling, maar dan is die overeenkomst kennelijk nadien door partijen met wederzijds goedvinden ontbonden doordat [geïntimeerde sub 2] haar verplichting niet nakwam en [appellant] daarin berustte. Dan moeten zij (behoudens uitdrukkelijke andersluidende afspraak waaromtrent niets gesteld of gebleken is) ook bedoeld hebben dat [appellant] de door hem gedane betaling zou terugkrijgen. En als de overeenkomst niet met wederzijds goedvinden is ontbonden, dan is ze toch in elk geval door [appellant] op 23 maart 2005 ontbonden. Dat daar geen ingebrekestelling aan vooraf is gegaan, doet niet terzake omdat [appellant] uit de namens [geïntimeerde sub 2] gestuurde brief van 19 februari 2001 (niet aan hem gericht, maar wel aan hem ter kennis gebracht) moest afleiden dat deze in de nakoming van haar verbintenis zou tekortschieten en [geïntimeerde sub 2] reeds daardoor in verzuim was. In al deze gevallen rust op [geïntimeerde sub 2] de verplichting [appellant] het door hem betaalde bedrag terug te geven. Op wettelijke rente heeft [appellant] eerst aanspraak vanaf 10 april 2005, zijnde de datum waartegen hij [geïntimeerde sub 2] tot betaling heeft doen aanmanen nu niet gesteld of gebleken is dat en waarom [geïntimeerde sub 2] terzake van haar terugbetalingsverplichting eerder in verzuim zou zijn geweest. Overigens dringt zich de vraag op waarom [appellant] die akten desondanks getekend heeft, maar die vraag beantwoordt [appellant] met de stelling dat hij de akten ongelezen en in goed vertrouwen heeft getekend omdat de echtgenote van [geïntimeerde sub 1] hem die tijdens zijn werkzaamheden als te tekenen formaliteiten voorlegde. Die verklaring getuigt weliswaar niet van grote zakelijke zorgvuldigheid, maar ze is niet onbegrijpelijk of op voorhand onwaarschijnlijk.

4.6 De vorderingen van [appellant] tot het verkrijgen van verklaringen voor recht en tot vernietiging van een overeenkomst komen niet voor toewijzing in aanmerking, nu [appellant] niet heeft duidelijk gemaakt en zonder dat ook niet valt in te zien welk belang hij daarbij heeft. De geldvorderingen tegen [geïntimeerde sub 2] dienen echter met vernietiging van het bestreden vonnis te worden toegewezen overeenkomstig de vorige rechtsoverweging.

4.7 Aan de vordering tegen [geïntimeerde sub 1] zelf heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat die de persoon is van wie [appellant] een niet-gesubstantieerde toezegging heeft gekregen. Daargelaten echter dat die toezegging niet vast is komen te staan, in elk geval is duidelijk dat die toezegging dan namens [geïntimeerde sub 2] is gedaan en dat [appellant] erin berust heeft dat die toezegging niet is nageleefd en hij slechts teruggave van zijn betaling wenst. Nu die betaling aan [geïntimeerde sub 2] gedaan is, kan ook slechts van haar terugbetaling gevraagd worden. De vorderingen tegen [geïntimeerde sub 1] zelf moeten daarom worden afgewezen.

4.8 De vordering tegen [geïntimeerde sub 3] is gegrond op de stelling dat zij haar medewerking aan het ten verzoeke van [appellant] gelegde beslag blijkens het beslagexploit heeft geweigerd en zij daarom op de voet van artikel 444b Rv voor de gehele vordering aansprakelijk is. Evenwel houdt het beslagexploit helemaal niet de vermelding in dat [geïntimeerde sub 3] haar medewerking geweigerd heeft en bovendien ging het om een beslag ten laste van [geïntimeerde sub 1] zelf tegen wie de vorderingen afgewezen moeten worden. Dan zullen dus ook tegen [geïntimeerde sub 3] de vorderingen niet toegewezen kunnen worden.

4.9 Nu partijen over en weer deels in het ongelijk gesteld moeten worden, zal het hof de kosten van beide instanties compenseren als na te melden.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 december 2005 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde sub 2] om aan [appellant] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 61.230,33 (ƒ 135.000), vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 10 april 2005 tot de dag van betaling;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt [appellant] zijn vorderingen voor het overige;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs Mannoury, Van der Kwaak en Van Rossum en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2007.