Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA4298

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
2003/122 en 2005/706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep hebben [appellanten] ook nog aangevoerd dat zij minder dan de helft van het jaar in hun zomerhuis verblijven. In dat verband hebben zij verwezen naar enkele overwegingen in de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2001 in het hoger beroep van het bestuursdwangbesluit. Uit deze uitspraak blijkt dat de Gemeente in die procedure het standpunt heeft ingenomen dat een bewoner tegenbewijs kán leveren tegen het vermoeden dat de inwoner zijn hoofdverblijf op het adres van zijn inschrijving heeft door aan te tonen dat hij minder dan de helft van het kalenderjaar op het ingeschreven adres woont. Dit standpunt is volgens de Afdeling rechtens niet onjuist.

Anders dan [appellanten] kennelijk menen, volgt hieruit niet dat het aantal dagen dat zij in het zomerhuis verblijven zonder meer bepalend is, nu het hier gaat om de vraag waar zij feitelijk wonen. Het aantal dagen dat men ergens verblijft, kan daarvoor een indicatie geven. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellanten] nog steeds hun woonplaats c.q. het centrum van hun maatschappelijke leven in Haaksbergen hebben, waar zij kunnen beschikken over twee woningen: hun zomerhuis en de woning van hun zoon. Tevens volgt uit het hiervoor overwogene dat er niet van kan worden uitgegaan dat zij permanent wonen in hun voormalige woning aan de [adres 1]. Aldus moet het vooralsnog ervoor worden gehouden dat zij hun zomerhuis permanent bewonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10 april 2007

derde civiele kamer

rolnummers 03/122 en 05/706

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1] en

[appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. J.W. Kobossen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Haaksbergen,

zetelend te Haaksbergen,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 De gedingen in eerste aanleg

De beide zaken betreffen een verzet tegen een gemeentelijk dwangbevel. In de zaak met rolnummer 03/122 heeft de rechtbank Almelo in een procedure tussen appellanten (hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten]) als opposanten en geïntimeerde (hierna: de Gemeente) als geopposeerde tussenvonnissen gewezen op 7 juni 2000 (waarbij een comparitie is gelast) en 29 november 2000 (waarbij bewijslevering is opgedragen) en vervolgens op 4 september 2002 een eindvonnis gewezen.

In de zaak met rolnummer 05/706 tussen eveneens [appellanten] als opposanten en de Gemeente als geopposeerde heeft de rechtbank Almelo tussenvonnissen gewezen op 19 februari 2003 (waarbij een comparitie is gelast) en op 9 juli 2003 (waarbij bewijslevering is opgedragen) en vervolgens op 29 december 2004 een eindvonnis gewezen.

Van deze vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 In de procedure met rolnummer 03/122 hebben [appellanten] bij exploot van 20 november 2002 de Gemeente aangezegd van het eindvonnis van 4 september 2002 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Gemeente voor dit hof.

Bij memorie van grieven hebben [appellanten] twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis en het hiervoor genoemde tussenvonnis van 29 november 2000 vernietigt en, opnieuw recht doende, – zo begrijpt het hof – hun verzet gegrond verklaart onder afwijzing van de door de Gemeente ingevorderde dwangsom met kosten ad in totaal f 6.023,77 en met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide instanties.

De Gemeente heeft bij memorie van antwoord, onder overlegging van producties, de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen van 29 november 2000 en 4 september 2002, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het hoger beroep. Vervolgens heeft de Gemeente op de rolzitting van 26 juli 2005 zich bij akte uitgelaten en heeft de Gemeente op de rolzitting van 20 december 2005 bij akte procesbesluiten van 26 januari 2000 en 12 december 2005 overgelegd.

2.2 In de procedure met rolnummer 05/706 hebben [appellanten] bij exploot van 15 februari 2005 de Gemeente aangezegd van het eindvonnis van 29 december 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de Gemeente voor dit hof.

Bij memorie van grieven hebben [appellanten] twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd en bewijs aangeboden. Zij hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis en het hiervoor genoemde tussenvonnis van 9 juli 2003 vernietigt en, opnieuw recht doende, zal bepalen dat [appellanten] worden ontheven van het bepaalde in het dwangbevel van 7 november 2001 (tot invordering van dwangsommen en kosten ad in totaal f 59.365,55), met veroordeling van de Gemeente in de kosten van beide instanties.

De Gemeente heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen van 9 juli 2003 en 29 december 2004, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het hoger beroep. Vervolgens heeft de Gemeente bij akte ter rolle procesbesluiten van 26 januari 2000 en 12 december 2005 overgelegd.

2.3 Tot slot is in beide zaken arrest gevraagd. De procesdossiers die beide partijen hebben overgelegd zijn niet volledig. Wat betreft de zaak met rolnummer 03/122 heeft het hof bij de processtukken processen-verbaal aangetroffen van getuigenverhoren in enquête van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en van hun zoon. In de zaak met rolnummer 05/706 bevinden zich bij de processtukken processen-verbaal van een getuigenverhoor in enquête van [appellant sub 1] en van een getuigenverhoor in contra-enquête van [A.]. Daarin hebben [appellanten] tevens het proces-verbaal overgelegd van hun eigen getuigenverklaringen uit de zaak met rolnummer 03/122.

3 De vaststaande feiten

3.1 [appellanten] zijn sinds 1996 eigenaar van een op bungalowpark Buurserbeek gelegen zomerhuis aan de [adres zomerhuis]. In de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) hebben [appellanten] ingeschreven gestaan op dit adres van november 1996 tot 12 april 2000. Voorheen woonden zij op het adres [adres 1]. Die woning hebben zij in 1996 verkocht aan hun zoon. In de GBA staan op laatstgenoemd adres de zoon van [appellanten] en diens vriendin ingeschreven.

3.2 Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan mag het zomerhuis niet permanent worden bewoond. De Gemeente stelt zich op het standpunt dat [appellanten] het zomerhuis permanent bewonen. Na [appellanten] schriftelijk te hebben gewaarschuwd dat zij deze permanente bewoning moesten staken, hebben burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: B&W) bij besluit van 13 januari 1999 [appellanten] aangeschreven binnen drie maanden na verzending van dit besluit de permanente bewoning te beëindigen op straffe van een dwangsom van f 5.000,00 voor iedere maand dat de bewoning daarna nog zou voortduren, tot een maximum van f 100.000,00. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] afzonderlijk bezwaar gemaakt. Het bezwaar van [appellant sub 1] is bij besluit op bezwaar van 2 juni 1999 door B&W ongegrond verklaard en het bezwaar van [appellante sub 2] is niet-ontvankelijk verklaard. De daartegen ingestelde beroepen zijn door de rechtbank Almelo bij uitspraak van 8 maart 2000 ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard. [appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), die bij uitspraak van 25 juli 2001 (productie 9 bij conclusie van antwoord in 03/122) het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond heeft verklaard en [appellante sub 2] niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.3 Hangende het bezwaar heeft de Gemeente bij brief van 19 mei 1999 [appellant sub 1] medegedeeld dat bij een controle op 18 mei 1999 was vastgesteld dat [appellant sub 1] de permanente bewoning van het zomerhuis na 13 april 1999 niet hadden gestaakt en dat zij daardoor een dwangsom van f 5.000,00 hadden verbeurd. Die dwangsom hebben [appellanten] niet betaald, waarna de Gemeente op 13 juli 1999 een dwangbevel tegen hen heeft uitgevaardigd tot betaling van de dwangsom plus kosten ad in totaal f 6.027,00. Dit dwangbevel is op 19 juli 1999 aan [appellant sub 1] betekend.

3.4 Bij verzetdagvaarding van 17 augustus 1999 zijn [appellanten] tegen dat dwangbevel in verzet gekomen. Dit heeft bij het hof geleid tot de procedure onder rolnummer 03/122 (bij de rechtbank is deze procedure onder rolnummer 1999/949 gevoerd).

3.5 Vanaf 16 juni 1999 tot en met 24 maart 2000 heeft de Gemeente in totaal acht brieven aan [appellanten] gestuurd waarin hen telkens is medegedeeld dat was geconstateerd dat zij de zomerwoning permanent bewoonden in de periode van 14 mei 1999 tot en met 13 maart 2000 en dat zij in verband daarmee dwangsommen verbeurden tot een bedrag van in totaal f 50.000,00. [appellanten] hebben ook deze dwangsommen niet betaald, waarna de Gemeente op 7 november 2001 een dwangbevel tegen hen heeft uitgevaardigd tot betaling van de dwangsommen plus kosten ad in totaal f 50.160,00, te vermeerderen met de daarover verschuldigde rente. Dit dwangbevel is op 16 november 2001 aan hen betekend. Daarbij heeft de Gemeente tevens aanspraak gemaakt op wettelijke rente, incassokosten en betekeningskosten ad in totaal f 9.205,55, waardoor het ingevorderde bedrag uitkomt op in to-taal f 59.365,55.

3.6 Bij verzetdagvaarding van 21 december 2001 zijn [appellanten] tegen dat dwangbevel in verzet gekomen. Dit heeft geleid tot de procedure onder rolnummer 05/706 (bij de rechtbank is deze procedure onder rolnummer 2002/76 gevoerd).

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In de tussenvonnissen van 29 november 2000 (rolnummer 03/122) en 9 juli 2003 (rolnummer 05/706) heeft de rechtbank [appellanten] telkens toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het door haar voorshands bewezen geoordeelde feit dat [appellanten] het zomerhuis in de periode van 13 april 1999 tot en met 13 maart 2000 in strijd met het bestemmingsplan permanent hebben bewoond. Na getuigenverhoor en conclusiewisseling heeft de rechtbank in beide procedures [appellanten] niet geslaagd geoordeeld in het leveren van dat tegenbewijs. Wel heeft de rechtbank in beide procedures het verzet gegrond geoordeeld voor zover het betrof de door de Gemeente ingevorderde kosten en de aan de Gemeente wegens verbeurde dwangsommen ingevorderde bedragen bepaald op f 5.142,52 (rolnummer 03/122) en f 50.160,94 exclusief wettelijke rente (rolnummer 05/706). Voor het overige heeft de rechtbank de verzetten ongegrond geoordeeld, en [appellanten] in beide procedures in de proceskosten veroordeeld. In hoger beroep komen [appellanten] op tegen die eindvonnissen voor zover daarbij hun verzet ongegrond is verklaard.

4.2 [appellanten] hebben in beide procedures telkens twee grieven tegen de eindvonnissen gericht. Deze grieven komen er in de kern op neer dat de rechtbank het door hen geleverde tegenbewijs verkeerd heeft beoordeeld.

Tegen de tussenvonnissen waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de bewijslast van de gestelde overtreding bij de Gemeente ligt en waarbij de rechtbank de Gemeente voorshands geslaagd heeft geacht in dat bewijs en [appellanten] tegenbewijs heeft opgedragen, hebben [appellanten] geen grieven geformuleerd. Wel hebben zij in hun memories van grieven ook vernietiging van deze tussenvonnissen gevorderd, maar nu zij daartegen geen grieven hebben aangevoerd, zijn zij in zoverre niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.3 Het gaat er in beide zaken om of [appellanten] permanent wonen in hun zomerhuis. Zij stellen dat dat niet het geval is, omdat zij inwonen bij hun zoon en diens vriendin in hun oude woning aan de [adres 1] en verder dat zij heel veel op reis zijn. Voor zover zij met dit laatste hebben willen betogen dat zij geen vaste woonplaats c.q. permanente woning in Nederland meer hebben, wordt daaraan voorbij gegaan. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het centrum van hun maatschappelijke leven niet meer in Haaksbergen ligt, en evenmin dat dit in het recente verleden anders is geweest. De aan hen geadresseerde poststukken en de verklaringen van buurtbewoners die zij in deze procedure als bewijsstukken hebben overgelegd, duiden daar ook niet op, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hun woonplaats in de voor deze zaken relevante periode steeds Haaksbergen is geweest.

Het gaat er dus om of zij hun vaste woonplaats in hun voormalige woning aan de [adres 1] hadden of in hun zomerhuis. Daarbij acht het hof het volgende van belang. Niet in geschil is dat [appellanten] zich, nadat zij hun vroegere woning aan de [adres 1] aan hun zoon hadden verkocht, in de Gemeentelijke basisadministratie hebben uitgeschreven op dat adres en zich hebben ingeschreven op het adres van het zomerhuis. De Gemeente mag er dan van uitgaan dat zij op dit adres woonplaats hebben, mede gelet op artikel 107 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Daarin is immers bepaald dat de ingezetene voor de toepassing van enig algemeen verbindend bestuursrechtelijk voorschrift (hier: het opleggen van een bestuursrechtelijke dwangsom wegens het overtreden van een bestemmingsplanvoorschrift), in beginsel geacht wordt zijn woonplaats te hebben op het woonadres dat is vermeld op zijn persoonslijst, behoudens bewijs van het tegendeel. Het is dan ook aan [appellanten] om gemotiveerd aan te geven waarom het zomerhuis niet hun permanente woning is. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat [appellanten] als eigenaren van het zomerhuis zelf vorm geven aan hun woonsituatie. Zij kunnen derhalve bij uitstek daarover gegevens en inlichtingen verschaffen en daarvan bewijsstukken bijbrengen. Tegen die achtergrond mag van hen worden verwacht dat zij een duidelijk en geloofwaardig beeld verschaffen van hun feitelijke woonsituatie, liefst gestaafd met bewijsstukken, ook in hun tegenbewijs.

4.4 Het verweer van [appellanten] dat zij inwonen bij hun zoon en diens vriendin is niet geloofwaardig. De woning aan de [adres 1] betreft een eengezinswoning. Het is niet zonder meer aannemelijk dat daarin twee volwassen paren wonen, ook niet als deze familie van elkaar zijn. In beide zaken is de wijze waarop beide paren beweerdelijk samenleven in de woning aan de [adres 1] niet nader toegelicht. Ook tijdens de getuigenverhoren die in eerste aanleg hebben plaatsgevonden, is over de feitelijke invulling hiervan geen helder beeld ontstaan. In de procedure met rolnummer 03/122 hebben [appellanten] als getuigen niet meer verklaard dan dat zij hun zomerhuis in de loop der jaren niet anders zijn gaan gebruiken. Ook hun zoon heeft over de wijze waarop beweerdelijk wordt samengewoond aan de [adres 1] niets concreets verklaard.

Alleen in de zaak met rolnummer 05/706 heeft [appellant sub 1] als getuige hierover het een en ander verklaard. Zijn verklaring komt erop neer dat hij en zijn vrouw op zolder slapen en daar een woongedeelte hebben, maar dat hij en zijn vrouw ook veel in de huiskamer zijn omdat men in feite leeft als één gezin. Van de keuken wordt gezamenlijk gebruik gemaakt. Zijn vrouw kookt daar doorgaans voor iedereen en doet het huishouden en onderhoudt het huis.

4.5 Het beeld dat aldus wordt geschetst komt erop neer dat [appellante sub 2] in feite ook voor haar zoon en diens vriendin het huishouden doet en samen met [appellant sub 1] om niet gebruik mag maken van het huis en op zolder mag slapen. Naar het oordeel van het hof is dit weinig geloofwaardig, zeker in het licht van de door de Gemeente overgelegde controlerapporten waaruit in elk geval volgt dat [appellant sub 1] en [appellante sub 2] veelvuldig in het zomerhuis verbleven. Daarenboven geldt dat het aldus geschetste beeld ook niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat zij permanent aan de [adres 1] wonen, nu tevens vaststaat dat zij zelf eigenaar zijn van een in de nabijheid gelegen zomerhuis, waar zij veelvuldig verblijven en de nacht doorbrengen.

4.6 De schriftelijke verklaringen die [appellanten] in eerste aanleg in beide procedures hebben overgelegd van diverse buren, vrienden en hun zoon en diens vriendin en die erop neerkomen dat zij feitelijk wonen aan de [adres 1], werpen geen ander licht op het voorgaande, aangezien deze verklaringen na afloop van de voor deze zaak relevante periode van 13 april 1999 tot en met 13 maart 2000 zijn opgemaakt en uit niets blijkt dat hetgeen deze personen hebben verklaard óók gold voor die periode. Bovendien hebben [appellanten] geen van die mensen in het kader van het door [appellanten] in eerste aanleg te leveren tegenbewijs als getuige laten horen, zodat deze verklaringen – terwijl daar wel de gelegenheid toe was – niet door een rechter in aanwezigheid van de wederpartij op juistheid gecontroleerd konden worden. Aan deze verklaringen moet dan ook voorbij worden gegaan.

Ook de door [appellanten] in hoger beroep bij memorie van grieven overgelegde producties, alle geadresseerd aan het adres aan de [adres 1], werpen geen ander licht op de zaak. Een deel van deze producties (1 tot en met 15) heeft betrekking op de periode vóór het in deze zaak relevante tijdvak van 13 april 1999 tot en met 13 maart 2000 en een ander deel (19 tot en met 21, 24 tot en met 35 en 37 tot en met 55) heeft betrekking op de periode nà het relevante tijdvak. Verder betreft productie 16 een brief van [appellanten] waarin zij de Gemeente vragen de correspondentie “via mijn hoofdadres [adres 1] te laten lopen”, hetgeen de Gemeente in productie 17 ook doet. De producties 22 en 36 zijn niet gedateerd. Alleen productie 18, een facturenoverzicht van een autobedrijf, dateert uit het relevante tijdvak.

Bovendien volgt uit deze stukken, anders dan [appellanten] blijkbaar menen, niet zonder meer dat zij op dat adres ook feitelijk woonden. Zij kunnen dat adres immers ook als postadres hebben gebruikt, maar daarmee staat nog niet vast dat zij op dat adres ook permanent woonden. Hetzelfde geldt voor de stukken die zij in eerste aanleg hebben overgelegd ter onderbouwing van hun betwisting dat zij permanent wonen in hun zomerhuis.

4.7 In hoger beroep hebben [appellanten] ook nog aangevoerd dat zij minder dan de helft van het jaar in hun zomerhuis verblijven. In dat verband hebben zij verwezen naar enkele overwegingen in de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2001 in het hoger beroep van het bestuursdwangbesluit (productie 9 bij conclusie van antwoord).

Uit deze uitspraak blijkt dat de Gemeente in die procedure het standpunt heeft ingenomen dat een bewoner tegenbewijs kán leveren tegen het vermoeden dat de inwoner zijn hoofdverblijf op het adres van zijn inschrijving heeft door aan te tonen dat hij minder dan de helft van het kalenderjaar op het ingeschreven adres woont. Dit standpunt is volgens de Afdeling rechtens niet onjuist.

Anders dan [appellanten] kennelijk menen, volgt hieruit niet dat het aantal dagen dat zij in het zomerhuis verblijven zonder meer bepalend is, nu het hier gaat om de vraag waar zij feitelijk wonen. Het aantal dagen dat men ergens verblijft, kan daarvoor een indicatie geven.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellanten] nog steeds hun woonplaats c.q. het centrum van hun maatschappelijke leven in Haaksbergen hebben, waar zij kunnen beschikken over twee woningen: hun zomerhuis en de woning van hun zoon. Tevens volgt uit het hiervoor overwogene dat er niet van kan worden uitgegaan dat zij permanent wonen in hun voormalige woning aan de [adres 1]. Aldus moet het vooralsnog ervoor worden gehouden dat zij hun zomerhuis permanent bewonen.

4.8 In hoger beroep hebben [appellanten] nader getuigenbewijs aangeboden. Daarbij hebben zij aangegeven als getuigen ambtenaar [B.] en “buren en derden” uit Haaksbergen als getuigen te kunnen laten horen. Tot deze nadere bewijslevering zullen zij worden toegelaten.

4.9 Tot slot hebben [appellanten] in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank buiten de vordering is getreden door een verklaring voor recht te geven terwijl zij slechts wensten te worden ontheven van het bepaalde in het dwangbevel. Anders dan [appellanten] menen, heeft de rechtbank geen verklaring voor recht gegeven, maar slechts een oordeel over de gegrondheid van het verzet tegen de tegen [appellanten] uitgevaardigde dwangbevelen. Deze klacht is dus ongegrond.

Slotsom

[appellanten] zullen worden toegelaten tot het leveren van nader tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geoordeelde feit dat [appellanten] het zomerhuis in de periode van 13 april 1999 tot en met 13 maart 2000 in strijd met het bestemmingsplan permanent hebben bewoond.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellanten] toe tot het leveren van nader tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geoordeelde feit dat [appellanten] het zomerhuis in de periode van 13 april 1999 tot en met 13 maart 2000 in strijd met het bestemmingsplan permanent hebben bewoond;

bepaalt dat, indien [appellanten] dat bewijs door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.A.M. Vaessen, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op 19 juni 2007 om 09:00 uur;

bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat voor deze zitting in beginsel één dagdeel (van maximaal 2,5 uur) beschikbaar is en dat partijen zich erop moeten voorbereiden dat aan het einde van deze zitting een datum voor een nieuwe zitting zal worden bepaald voor voortzetting (of tegen)getuigenverhoor;

bepaalt dat de procureurs alleen in geval van dringende verhindering tot twee weken na heden uitsluitend schriftelijk aanhouding kunnen verzoeken met vermelding van die dringende reden van verhindering en onder opgave van verhinderdata van beide partijen en de getuigen en dat aanhoudingsverzoeken na die datum in beginsel niet worden toegestaan;

bepaalt dat [appellanten] het aantal, de namen en de woonplaats van de voor te brengen getuigen uiterlijk een week voor de zitting dient op te geven, ambtshalve peremptoir, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de wederpartij;

bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden, deze tijdig vóór de zitting aan het hof en aan de wederpartij dienen te doen toekomen zodanig, dat deze uiterlijk de vierde werkdag vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Van Ginkel en Vaessen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2007.