Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA3178

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
21-001374-05
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2005:AS9903, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BF3741, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BF3741
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft vandaag,18 april 2007, [verdachte] in hoger beroep veroordeeld voor de moord op [slachtoffer], net als [verdachte] een TBS-patiënt uit de Pompekliniek te Nijmegen. [slachtoffer] werd vermist sinds 4 december 2003 en werd drie maanden na zijn verdwijning dood en begraven gevonden in de nabijheid van de Pompekliniek. Bij sectie bleek dat hij met een zwaar voorwerp met heftig botsend geweld op zijn borst en hoofd was geslagen en, nadat hij (levend) was begraven, gestikt. [verdachte], die vanaf het begin af aan heeft ontkend, werd voor dit feit door de rechtbank te Arnhem bij vonnis van 11 maart 2005 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. In hoger beroep werd door de advocaat-generaal wederom een levenslange gevangenisstraf geëist. Het hof komt tot een bewezenverklaring van het feit en verwerpt het verweer dat op-legging van een levenslange gevangenisstraf in strijd zou zijn met de artikelen 3 en/of 5 van het EVRM. Het hof legt net als de rechtbank een levenslange gevangenisstraf op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 181
NBSTRAF 2007/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001374-05

Uitspraak d.d.: 18 april 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 11 maart 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte].,

geboren in 1959,

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 maart 2006, 13 juni 2006, 4 september 2006, 18 oktober 2006, 8 januari 2007, 4 april 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij hij ter zake van het onder 2 tenlaste-gelegde werd vrijgesproken, zodat het hof verstaat dat het hoger beroep van verdachte uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde werd veroordeeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 december 2003, althans in de periode van 4 december 2003 tot en met 9 maart 2004 te Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) te voren genomen besluit, voornoemde [slachtoffer] met een bats, althans met een hard voorwerp op het lichaam en/of het hoofd heeft/hebben geslagen en/of vervolgens heeft /hebben begraven, waarna [slachtoffer] is gestikt, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

1. Overlijden van het slachtoffer

1.1 Op 9 maart 2004 is in een kuil in een bosperceel gelegen tussen de Weg door het Jonkerbos en de Tarweweg te Nijmegen in de directe omgeving van de Pompekliniek het stoffelijke overschot aangetroffen van het [slachtoffer] blijkens het sectie-rapport is hij met een zwaar voorwerp met heftig botsend geweld op zijn borst en zijn hoofd geslagen en, nadat hij was begraven, gestikt.

1.2 Het slachtoffer woonde in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging in Arcuris, een dependance van de Pompekliniek aan de Nieuwe Dukenburgseweg, hoek Tarweweg, te Nijmegen. Hij heeft daar in de vooravond van 4 december 2003 met enkele medebewoners Sinterklaas gevierd. Nadat hij zijn cadeaus, waaronder een strijkplank, naar zijn kamer had gebracht, is hij die avond rond 20.15 uur vertrokken uit Arcuris. Hij is lopend weggegaan, naar hij heeft gezegd om de bus te nemen. Dat hij met de bus ging, was uitzonderlijk. Zijn bromfiets heeft hij bij Arcuris achtergelaten. Daarna is hij door niemand meer met zekerheid gesignaleerd. Niets wijst erop dat hij die avond zou wegblijven. Zijn bed bleek de volgende dag onbeslapen. Het slachtoffer heeft na 4 december 2003 geen (pogingen tot) financiële transacties met zijn betaalpas/via zijn bankrekening verricht. Ook heeft hij na 4 december 2003 geen gebruik gemaakt van zijn mobiele telefoon; hij heeft geen uitgaande gesprekken ge-voerd, noch heeft hij inkomende oproepen beantwoord, terwijl hij zijn mobiele telefoon bijna altijd bij zich had. Niets wijst erop dat hij die telefoon op 4 december 2003 bij zijn vertrek niet bij zich had. Deze telefoon is in ieder geval op 6 december 2003 in het bezit van verdachte en daarna in het bezit van een vriendin van verdachte. Verder heeft het slachtoffer op 4 december 2003 niet aan de Pompekliniek laten weten dat hij die avond niet zou terugkeren en ook na 4 december 2004 geen contact gezocht met de Pompekliniek. Dit uitblijven van contact met de kliniek past in het geheel niet bij hetgeen gelet op zijn persoon verwacht mocht worden: hij was oppassend en nauwgezet en hield zich aan de regels en de afspraken. Hij was tevreden met zijn leven in Arcuris en wilde niet meer weg. Verder leed hij aan suikerziekte en gebruikte daarvoor medicijnen die hij bij zijn vertrek niet bij zich had. Ook zijn bankpassen heeft hij niet meegenomen.

1.3 Getuige … die werkzaam was in het café De Vier Jaargetijden in de binnenstad van Nijmegen, heeft verklaard dat zij zich herinnert dat het slachtoffer haar – naar het hof begrijpt: in dat café - heeft verteld dat hij een strijkplank had gekregen met pakjesavond, maar dat zij zich niet herinnert op welke dag of datum dat is geweest. Zij verklaart dat het slachtoffer haar heeft gezegd dat hij een gestreken blouse aan had en dat hij een tijd geleden een strijkbout had gekocht maar dat hij daar niets mee aankon. Vaststaat dat de strijkplank die het slachtoffer op de avond van 4 december 2003 had gekregen, na zijn verdwijning nog ingepakt op zijn kamer in Arcuris stond. Verder verklaren verschillende getuigen dat het slachtoffer op de avond van 4 december 2003 een sweater/trui aan had. Later heeft de getuige wederom verklaard dat zij niet met zekerheid kan aangeven wanneer het slachtoffer in het café was en het gesprek over de strijkplank ging. Het hof acht daarom hetgeen getuige in haar de eerste verklaring heeft gezegd omtrent haar ontmoeting met het slachtoffer, onvoldoende hard om aan te nemen dat zij het slachtoffer op 4 december 2003 na 20.15 uur heeft gezien. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het slachtoffer zijn cadeaus zelf had uitgezocht en dus voor 4 december 2003 wist dat hij een strijkplank zou krijgen. Hij kan het dus ook voor 4 december 2003 met anderen over de strijkplank hebben gehad.

1.4 Het hof ziet in hiervoor onder 1.1 t/m 1.3 weergeven feiten en omstandigheden grond

voor de conclusie dat het slachtoffer op de avond van 4 december 2003 om het leven is

gebracht.

2. CSE-Dating

2.1 Verdachte en het slachtoffer werden beiden behandeld in de Pompekliniek te Nijmegen.

Ze kenden elkaar sinds 1999. Verdachte verbleef in de hoofdvestiging van de Pompe-kliniek aan de Weg door het Jonkerbos; het slachtoffer woonde sinds een jaar in de dependance Arcuris aan de Nieuwe Dukenburgseweg/Tarweweg.

2.2. Het slachtoffer was op zichzelf tevreden met zijn leven in Arcuris, maar hij wilde een

relatie met een vrouw. Hij heeft daarover gesproken met verdachte. Verdachte zou voor het slachtoffer als tussenpersoon optreden bij de inschrijving bij CSE Dating maar heeft hem niet bij dat bureau ingeschreven. Hij heeft op zijn PC een vals contract van CSE Dating opgemaakt dat inhoudt dat CSE Dating tegen betaling van € 500,-- dates zou regelen voor het slachtoffer. Hij heeft dat valse contract aan het slachtoffer gegeven. Het slachtoffer ging uit van de echtheid van het contract en van de inschrijving. Dat blijkt uit hetgeen hij tegen anderen over die inschrijving heeft verklaard. Het slachtoffer heeft op 13 november 2003 € 500,-- via een geldautomaat opgenomen van zijn bankrekening en gezegd dat hij dit aan verdachte zou betalen voor het datingbureau. Het slachtoffer heeft ook daarna verklaard dat hij het geld aan verdachte had gegeven. Bovendien heeft het slachtoffer op het desbetreffende dagafschrift geschreven: inschrijfgeld datingbureau. Vast staat dat het slachtoffer verdachte dezelfde dag kort nadat hij het geld had opgenomen, heeft ontmoet en zij toen met elkaar over een datingbureau hebben gesproken. Ondanks de ontkenning door verdachte acht het hof daarom aannemelijk dat verdachte ook daadwerkelijk het geldbedrag heeft ontvangen. De stelling van verdachte dat hij het contract op verzoek van het slachtoffer heeft opgesteld teneinde deze in staat te stellen de opname van het geldbedrag aan de Pompekliniek te verklaren, en dat hij het geld niet heeft ontvangen, acht het hof ongeloofwaardig. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het onderzoek is gebleken dat het slachtoffer over voldoende geldmiddelen kon beschikken en dat hij, zoals hiervoor is overwogen, ervan overtuigd was dat er sprake was van de echtheid van het contract met CSE-Dating.

2.3 Uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat het slachtoffer meende dat hij op de avond

van 4 december 2003 een date-afspraak had. Het is aannemelijk dat hij om die reden die avond Arcuris heeft verlaten. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat het slachtoffer hetzij via het Internet, hetzij via de telefoon hetzij via anderen (dan verdachte) zelf een afspraak heeft gemaakt. Verdachte ontkent betrokkenheid bij een date-afspraak op 4 december 2003. Uit de frauduleuze rol die verdachte ten opzichte van het slachtoffer heeft gespeeld bij diens inschrijving bij CSE-Dating, leidt het hof echter af dat er sprake is geweest van een door verdachte verzonnen afspraak.

2.4 Verdachte moest op 4 december 2004 dus ernstig rekening houden met de mogelijkheid

dat het slachtoffer die avond achter zijn bedrog met CSE Dating zou komen, maar ook dat vervolgens dat bedrog bekend zou worden bij de Pompekliniek en dat er door de kliniek tegen hem (beperkende) maatregelen genomen zouden worden. De realiteit van dat laatste wordt bevestigd door het feit dat de kliniek op 8 december 2003 tegen ver-dachte beperkende maatregelen heeft getroffen in verband met de betaling van € 500,-- door het slachtoffer aan verdachte: hij is op de binnenrun geplaatst. Zoals blijkt uit de rapportage van de Pompekliniek in het kader van de verlenging van de terbeschikking-

stelling van verdachte, hecht hij zeer aan (het verkrijgen van) zijn vrijheden en heeft hij in verband daarmee, met name met het oog op het verkrijgen van verlof, na jaren besloten - stukje bij beetje - zijn daderschap bij de gewelddadige dood van zijn nichtje in 1994 te bekennen.

2.5. Het hof ziet in hetgeen hiervoor onder 2.1 t/m 2.4 is overwogen grond voor de conclusie

dat verdachte een motief had om het slachtoffer het zwijgen op te leggen.

3. Verdachte als dader

3.1 De Weg door het Jonkerbos, de Tarweweg, de Nieuwe Dukenburgseweg, de Gerstweg,

de Hatertseweg en de Goffert zijn alle gelegen in de (wijdere) omgeving van de Pompekliniek te Nijmegen. De dependance Arcuris, het BIM-tankstation, de Gamma en de uiteindelijke vindplaats van het stoffelijk overschot van het slachtoffer zijn ook in die omgeving gelegen.

3.2. Het slachtoffer heeft op 4 december 2003 rond 20:15 uur Arcuris lopend verlaten, naar

zijn zeggen om met de bus naar zijn afspraak te gaan. Zoals hiervoor is overwogen, is hij daarna niet meer door anderen gezien en is zijn stoffelijk overschot op 9 maart 2004 in een kuil in een bosperceel in de directe omgeving van de Pompekliniek gevonden terwijl bij de sectie is gebleken dat hij door geweld en verstikking om het leven is gekomen.

3.3 Tussen de mobiele telefoon van verdachte en de mobiele telefoon van het slachtoffer

heeft op 4 december 2003 om 15.51 uur een telefoongesprek plaatsgevonden. Verdachte heeft daarna om 16.12 uur de Pompekliniek verlaten. Die dag heeft verdachte zich vanaf 17.00 uur tot en met 21.00 uur bevonden in de omgeving van de Pompe-kliniek te Nijmegen. Hij is met zijn snorfiets naar het BIM-tankstation aan de Tarweweg gegaan en heeft daar omstreeks 17.07 uur getankt. Vervolgens koopt verdachte om 18.01 uur een bats bij de Gamma aan de Tarweweg. Verdachte is van 20.41 uur tot 20.52 uur niet bereikbaar op zijn mobiele telefoon, omdat deze is uitgeschakeld; daarvoor en daarna niet. Omstreeks 20.52 uur belt hij met zijn mobiele telefoon (via de zendmast aan de Oude Dukenburgseweg) naar de vriendin van verdachte. Daarna arriveert verdachte omstreeks 21.20 uur met zijn snorfiets bij de fietsenstalling in het centrum van Nijmegen. Hij vertrekt daar weer omstreeks 21.47 uur. Zijn telefoon is tussen 22.05 uur en 22.09 uur weer uitgeschakeld. Hij meldt voor 22.30 uur aan medewerkers van de kliniek dat hij op de terugweg uit de binnenstad is overvallen.

Die overval blijkt later door verdachte te zijn verzonnen. Als medewerkers hem na zijn terugkeer in de Pompekliniek spreken, maakt hij een geschrokken indruk en vertoont niet bij hem passend gedrag.

3.4 Verdachte heeft op 4 december 2003 om 18.01 uur bij de Gamma een bats aange-

schaft. Gezien is dat verdachte alleen en met de bats achterop zijn snorfiets bij de Gamma is vertrokken. Markant is dat verdachte eerst heeft ontkend dat hij die bats heeft gekocht en dat hij, toen hij daar niet onderuit kon, later heeft verklaard dat hij een ouder echtpaar heeft geholpen, hetgeen ook niet waar bleek te zijn. Weer later, met name in zijn verklaring van 7 april 2003, is hij op de proppen gekomen met het verhaal dat hij die bats heeft gekocht in opdracht van drie mannen, dat hij de bats op de avond van 4 december 2003 aan die mannen heeft gegeven en later die avond weer heeft terugge-kregen en dat hij daarna die avond het slachtoffer in gezelschap van die mannen heeft ontmoet. Wat verdachte omtrent de ontmoeting met die drie mannen op 1 of 2, en 4 december 2003 heeft verklaard, wordt door niets of niemand ondersteund. Het enige controleerbare contact met die mannen wordt niet bevestigd door getuige …, die verdachte heeft gezien toen hij op 4 december 2003 omstreeks 18.00 uur de Gamma verliet. Het hof acht hetgeen verdachte omtrent deze drie mannen heeft verklaard ongeloofwaardig en stelt het terzijde. Hiertoe draagt bij dat het verhaal van verdachte over de drie onbekende mannen een markante overeenkomst vertoont met zijn verhaal over de gewelddadige dood van zijn nichtje in 1994. In die zaak heeft hij immers lang volgehouden dat twee onbekende mannen haar hadden gedood. Ook toen was hij in de buurt. Ook toen zou hij door die mannen zijn bedreigd. Ook dat verhaal werd door niets of niemand ondersteund. Later bleek het te zijn gelogen. Frappant is verder dat verdachte tussen de laatste terechtzitting in eerste aanleg en de uitspraak in eerste aanleg wederom heeft getracht via een derde met betrekking tot de dood van het slachtoffer vier onbekende mannen ten tonele te voeren. Dit keer zouden drugs in de Pompekliniek een rol spelen. Ook dat verhaal wordt door niets of niemand ondersteund. Integendeel, het duidt naar het oordeel van het hof mede door de wijze waarop het door verdachte de wereld is ingestuurd op een - hernieuwde - poging om op slinkse wijze de verdenking van zich af te wenden. Ook deze poging van verdachte draagt ertoe bij dat aan het verhaal van verdachte dat derden betrokken zouden zijn bij de dood van het slachtoffer, door het hof geen geloof wordt gehecht.

3.5. Verdachte heeft op 4 december 2003 tussen 18.01 uur en 20.52 uur ook gelegenheid gehad om een kuil te graven. Zoals eerder overwogen, heeft verdachte zich op 4 december 2003 tussen 17.00 uur en 21.00 uur in de omgeving van de Pompekliniek bevonden. Voor zijn doen en laten in dat tijdvak heeft hij geen sluitend alibi. Het tijdvak was voldoende om de kuil waarin het stoffelijk van het slachtoffer is aangetroffen, te graven zoals is gebleken bij de graafproef die in opdracht van het hof heeft plaatsgehad. Verdachte heeft gesteld dat hij destijds fysiek niet in staat was om zo’n kuil te graven, maar die stelling acht het hof ongeloofwaardig in het licht van hetgeen omtrent zijn werk in 2003 bij Het Goed is verklaard. Ook het onderzoek door de deskundige … sluit niet uit dat verdachte in 2003 in staat was zo’n kuil te graven. De deskundige houdt bovendien zelfs uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid dat verdachte haar voor de gek heeft gehouden.

3.6. Het tijdvak tussen 20.15 uur en 20.52 uur is gezien de korte afstand tussen de Pompe-

kliniek en de vindplaats van het stoffelijk overschot voldoende voor de noodlottige ontmoeting tussen verdachte en het slachtoffer. Markant is het feit dat gedurende een gedeelte van dat tijdvak de telefoon van verdachte was uitgeschakeld. Ook markant is dat verdachte bij terugkeer in de Pompekliniek later die avond een geschrokken indruk heeft gegeven, en aanvankelijk heeft gelogen omtrent de reden daarvan .

3.7. Verdachte heeft na de avond van 4 december 2003 ook gedrag vertoond dat wijst op

zijn betrokkenheid bij en/of wetenschap met betrekking tot de dood van het slachtoffer. Daarbij noemt het hof in het bijzonder:

3.7.1. Hij heeft na 4 december 2003 in tegenstelling tot de periode daarvoor niet eenmaal

telefonisch contact gezocht met de mobiele telefoon van het slachtoffer. Daarmee vormt hij een zeer opvallende uitzondering ten opzichte van alle andere personen die voordien vaker dan een keer naar die telefoon belden, en die nadien wél getracht hebben via die telefoon met het slachtoffer contact te krijgen. Verdachte heeft gesteld dat hij nadien nog wel heeft getracht heeft het slachtoffer via de huistelefoon van de Pompekliniek te bellen. Niet alleen wordt ook deze stelling door niets of niemand ondersteund, maar het hof acht die stelling ook ongeloofwaardig omdat verdachte, zoals hij ter terechtzitting van 4 september 2006 heeft bevestigd, toen al wist van de vermissing van het slachtoffer, en dat deze dus niet was te bereiken bij Arcuris.

3.7.2. Hij heeft op 5 december 2003, toen de vermissing van het slachtoffer nog niet bekend

was geworden (pas op 6 december 2003 wordt alarm geslagen), zijn vriendin opgezocht op haar werk bij Eroworld en haar gezegd dat het slachtoffer weg was en dat hij niet was teruggekeerd na verlof. Hij heeft toen op een kassabon van die videotheek een tekst geschreven (Hennie is gisteren niet teruggekomen van verlof. Er is niets aan de hand. Hij heeft even een time-out nodig. Hij neemt zondagavond laat contact op.) en haar gezegd dat hij nog zou laten weten wanneer zij deze tekst telefonisch met de door hem aan haar gegeven mobiele telefoon moest doorgeven aan de politie en de Pompe-kliniek. Verdachte is de volgende dag bij zijn vriendin thuis geweest en heeft haar gezegd dat zij een andere tekst moest doorgeven. Zij heeft aan die opdracht voldaan door die dag om 17.22 uur de Pompekliniek en om 18.10 uur de politie te bellen. Aan de Pompekliniek heeft zij doorgegeven: Hennie is naar Arnhem, vrouw en kind opzoeken. Deze gedragingen van verdachte die hij op eigen initiatief heeft ondernomen, beschouwt het hof als een doelbewuste stap om de politie en de kliniek (tijdelijk) op een dwaalspoor te zetten en om hetgeen het slachtoffer was overkomen te verhullen.

3.7.3. Hij is in ieder geval op 6 december 2003 in het bezit van de mobiele telefoon van het

slachtoffer, die, zoals hiervoor is overwogen, het slachtoffer vrijwel altijd bij zich had. Hij geeft die telefoon die dag aan zijn vriendin die later van verdachte schriftelijk de opdracht krijgt in het geval van vragen te zeggen dat de telefoon is weggegooid. Ook heeft verdachte zijn vriendin schriftelijk opdracht gegeven om als hij haar zou bellen met de mededeling: doe het nu, deze telefoon (en de hierna te noemen harde schijf) tijdelijk uit haar flat te verplaatsen. Uit deze opdracht leidt het hof af dat verdachte heeft geweten dat het ging om de telefoon van het slachtoffer, en dat deze maatregen heeft genomen teneinde zijn betrokkenheid bij diens dood te verdoezelen.

3.7.4. Hij heeft eveneens op 6 december 2003 de harde schijf van zijn PC aan zijn vriendin

gegeven om deze voor hem te bewaren. Verdachte heeft later aan zijn vriendin

schriftelijk de opdracht gegeven bij een onderzoek te zeggen dat zij de harde schijf had weggegooid. Ook heeft verdachte haar schriftelijk opdracht gegeven om als hij haar zou bellen met de mededeling: doe het nu, deze harde schijf tijdelijk uit haar flat te verplaatsen. Op deze harde schijf worden later de door hem gemaakte, valse stukken met betrekking tot de inschrijving van het slachtoffer bij CSE Dating gevonden. Verdach-te heeft toegegeven deze valse stukken te hebben gemaakt. Uit deze inbewaringgeving en die schriftelijk instructies leidt het hof af dat verdachte doelbewust heeft gepoogd zijn frauduleuze handelen ten opzichte van het slachtoffer en daarmee een motief voor zijn betrokkenheid bij diens dood te verdoezelen.

3.8. Het hof ziet in hetgeen hiervoor onder 1.1 t/m 3.7 is overwogen grond voor de conclusie

dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven heeft

beroofd.

3.9. Aan deze conclusie doet niet af hetgeen twee getuigen in de middag van 4 december 2003 hebben gezien in het bosperceel waar later het stoffelijk overschot van het slacht-offer is gevonden. Er is immers geen aanwijzing dat de personen die zij daar gezien hebben, enig verband hebben met de dood van het slachtoffer. Dat ligt bij verdachte geheel anders. Aan zijn daderschap twijfelt het hof op basis van de bewijsmiddelen niet. Het hof acht het overigens niet uitgesloten dat naast verdachte een of meer anderen bij de gewelddadige dood van het slachtoffer zijn betrokken, maar daarvoor is geen bewijs.

4. De voorbedachte raad

Verdachte heeft het slachtoffer, zo blijkt uit het voorgaande, volgens een vooropgezet plan van het leven beroofd. Op de bewuste avond van 4 december 2003 heeft het slachtoffer zich om 20.15 uur op weg begeven naar een door verdachte verzonnen afspraak. Te voren, te weten om 18.01 uur had verdachte een bats aangeschaft – een voorwerp dat, naar het hof van oordeel is, door verdachte tot niets anders bestemd kan zijn geweest dan om een rol te spelen bij het begraven van het slachtoffer. In dat verband was gelet op het tijdsverloop tussen de aanschaf van de bats en het opnieuw inschakelen van de mobiele telefoon van verdachte om 20.52 uur ook voldoende tijd beschikbaar om een kuil van de benodigde omvang te graven. Verdachte heeft derhalve reeds ruim voor de uiteindelijke levensberoving het voornemen daartoe gevormd. De vastheid van dat voornemen wordt tenslotte bevestigd door het gegeven dat verdachte het slachtoffer, terwijl dat nog leefde, daadwerkelijk in die gegraven kuil heeft begraven, waardoor hij is gestikt. Waar verdachte derhalve volgens een vooropgezet plan, na kalm beraad en rustig overleg, het slachtoffer van het leven heeft beroofd, is naar het oordeel van het hof voldaan aan de vereisten van voorbedachten raad.

5. De conclusie

Verdachte had een motief om het slachtoffer het zwijgen op te leggen. Hij had daartoe op 4 december 2003 de gelegenheid, hij was toen in het bezit van een schop en in de buurt waar het stoffelijke overschot uiteindelijk is gevonden. Verder heeft hij veel gedaan om (zijn rol bij) de verdwijning van het slachtoffer te verhullen hetzij door onware of ongeloofwaardige verklaringen af te leggen hetzij door anderen in te schakelen om de waarheidsvinding te frustreren en/of de verdenking van zich af te wenden. Alles in onderling verband en samenhang beziend komt het hof tot de conclusie dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer opzettelijk met voorbedachte raad op 4 december 2003 te Nijmegen door geweld van het leven heeft beroofd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 december 2003 te Nijmegen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] met een bats, althans met een hard voorwerp op het lichaam en/of het hoofd heeft geslagen en vervolgens heeft begraven, waarna [slachtoffer] is gestikt, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verweer met betrekking tot de artikelen 3 en 5 EVRM

Ter terechtzitting van 4 april 2007 heeft de raadsman mr. W. Anker ten aanzien van de (moge-lijke) oplegging van levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met de overgelegde pleitnotitie (p. 12) het volgende aangevoerd:

“Gelet op de literatuur en de jurisprudentie op dit punt acht de verdediging schending van art. 3 en 5 van het EVRM in casu aanwezig. Wij zijn van mening dat, gelet op de feiten en omstandig-heden, een levenslange gevangenisstraf in deze zaak niet kan worden opgelegd.”

In aanvulling op deze passage uit de pleitnota heeft mr. Anker opgemerkt dat het ‘hier aange-voerde een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt betreft’, daarbij klaarblijkelijk doelende op artikel 359, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waar is bepaald dat de rechter, indien zijn beslissing afwijkt van een onder meer door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, in het vonnis in het bijzonder de redenen dient op te geven die daartoe hebben geleid.

Het hof vat het aangevoerde, in het licht van de door de raadsman gegeven toevoeging, op als een verweer, inhoudende dat oplegging van een levenslange gevangenisstraf in het onder-havige geval schending oplevert van artikel 5 dan wel artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Artikel 5 EVRM heeft als doel de bescherming tegen willekeurig ingrijpen in de persoonlijke vrijheid. Met het oog daarop is vrijheidsontneming door de overheid slechts in een limitatief aangegeven aantal gevallen mogelijk. In het thans aan de orde zijnde geval is, na veroordeling door het hof, de vrijheidsbeneming toegelaten op grond van artikel 1 lid 1 onder a, dat (in de Nederlandse vertaling) luidt:

- indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter.

Van belang in het kader van de toetsing aan deze bepaling uit artikel 5 EVRM is dat de Neder-landse wet ten aanzien van hetgeen is bewezen verklaard de oplegging door de rechter van een levenslange gevangenisstraf mogelijk maakt, hetgeen de detentie voor de duur van die straf in beginsel rechtmatig maakt. Opmerking verdient dat het EVRM – anders dan is bepaald ten aanzien van de doodstraf in artikel 1 van het Vierde Protocol bij het Verdrag - geen verbod op de levenslange gevangenisstraf inhoudt. Tot een verdergaande toetsing van de Nederlandse wet in het kader van artikel 5 lid 1 EVRM is het hof niet gehouden. Op dit punt wordt het verweer derhalve verworpen.

Verder stelt het hof – ten overvloede – nog het volgende. Op een aantal punten heeft de raads-man (kennelijk) gerefereerd aan artikel 5 lid 4 EVRM. Daarin is bepaald dat een ieder die van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft een voorziening te vragen bij het gerecht, opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie. Voor zover de raadsman wil betogen dat oplegging van levenslange gevangenisstraf moet worden uitgesloten omdat het Neder-landse rechtstelsel op dit punt tekortschiet, deelt het hof die opvatting niet. Immers, deze bepaling mist thans toepassing nu de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf reeds berust op een rechterlijk vonnis. De tenuitvoerlegging van deze straf is in het onderhavige geval niet afhankelijk van nadere voorwaarden, op welker naleving slechts in administratief toezicht is voorzien. In zoverre is een fundamenteel verschil aanwezig met de veroordeling tot vormen van vrijheidsbeneming met een meer onbepaalde duur, zoals die in uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aan de orde is geweest. In het algemeen kan slechts worden gesteld dat niet uit te sluiten valt dat wellicht in de (verre) toekomst de vraag rijst naar de recht-matigheid van de voortzetting van de detentie. Mocht zich een dergelijk geval voordoen – een mogelijkheid die thans geheel theoretisch genoemd moet worden – dan staat binnen het Nederlandse rechtstelsel de rechtsgang bij de voorzieningenrechter open.

Waar de raadsman heeft betoogd dat door de oplegging van een levenslange gevangenisstraf wordt gehandeld in strijd met artikel 3 EVRM verwerpt het hof dit verweer eveneens. Artikel 3 EVRM luidt (in de Nederlandse vertaling): Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Vooropgesteld moet worden dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf als zodanig geen schending van artikel 3 EVRM oplevert. Hoe bezwaarlijk een dergelijke straf ook ervaren zal worden, het enkele leed dat inherent is aan levenslange gevangenisstraf levert geen onmenselijke bestraffing op (vergelijk EHRM 11 april 2006, Léger tegen Frankrijk, application no. 19324/02, par. 93). Daarenboven kan worden vastgesteld dat de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf in het Nederlandse penitentiaire recht met een groot aantal, op de wet berustende waarborgen is omringd, zoals regels met betrekking tot het regiem in penitentiaire inrichtingen en met betrekking tot de rechtspositie van gedetineerden waaronder het klacht- en beroepsrecht van gedetineerden. Opmerking verdient ook dat binnen het gevangeniswezen een gedifferentieerd stelsel van plaatsing bestaat, waarbij is voorzien in inrichtingen of afdelingen voor gedetineerden die bijzondere opvang behoeven (artikel 14 Penitentiaire Beginselenwet) en tevens de plaatsing mogelijk is in een justitiële inrichting voor verpleging van terbeschikking-gestelden op grond van artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht. Uitzonderlijke omstandig-heden, gelegen in de persoon van de verdachte, die de detentie zouden verzwaren tot een niveau dat onmenselijk genoemd zou moeten worden zijn naar het oordeel van het hof niet gesteld of anderszins aannemelijk geworden.

Ten slotte kan in dit verband worden gewezen op het in de wet geregelde instrument van de gratie, waarbij – ondermeer – gratie kan worden verleend indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. Al met al levert naar het oordeel van het hof de oplegging van de levenslange gevangenisstraf geen blootstelling op aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 EVRM.

De conclusie is dat het verweer van de raadsman, dat oplegging van levenslange gevangenis-straf in het onderhavige geval in strijd is met artikel 3 dan wel artikel 5 EVRM, wordt verworpen.

Motivering van de strafoplegging

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- de volgende omstandigheden.

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een levenslange gevange-nisstraf. De verdachte is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, overeenkomstig het vonnis in eerste aanleg, wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Bewezen is verklaard dat verdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Dat is op gruwelijke wijze gebeurd. Het slachtoffer is met een hard voorwerp verschillende malen met kracht op het hoofd en het lichaam geslagen, waardoor ernstige botbreuken aan de schedel en aan het borstbeen en de ribben ontstonden en inwendig letsel werd veroorzaakt. Hierna is het slachtoffer levend begraven en als gevolg van verstikking om het leven gekomen. Uit het sectierapport blijkt dat sprake was van massale aanwezigheid van zand in de bovenste en onderste luchtwegen, in de slokdarm en de maag. De bovenste en ook de diepere luchtwegen waren vrijwel compleet geblokkeerd. Vooral deze uiteindelijke doodsoorzaak maakt dat de dood van het slachtoffer niet alleen door zijn nabestaanden, maar door iedereen die hem gekend heeft als bijzonder afschuwelijk zal zijn beleefd en naar verwachting nog lange tijd door velen als een nachtmerrie zal worden ervaren.

Voor een dergelijke weerzinwekkende daad past binnen het Nederlandse rechtstelsel geen andere straf dan gevangenisstraf, de zwaarste strafsoort. Volgens artikel 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan voor moord worden opgelegd levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf voor de bewezen verklaarde moord op het slachtoffer spelen de volgende omstandigheden waaronder de moord is begaan een rol.

Zowel het slachtoffer als verdachte waren rond de tijd van het gebeuren in het kader van een TBS-maatregel opgenomen in de Pompekliniek. Het latere slachtoffer was vanwege zijn verder-gaande resocialisatie inmiddels zelfstandig woonachtig in een dependance van de kliniek. Uit het dossier valt een beeld te vormen van een tamelijk kwetsbare man, niet alleen in fysiek opzicht maar ook in psychische zin. Het slachtoffer was over het algemeen niet ongelukkig met zijn leven, dat zich tamelijk gestructureerd en daardoor ook in zekere zin beschermd afspeelde binnen de grenzen van zijn behandeling. Het enige dat hij miste was naar eigen zeggen een vrouw. Verdachte, die inmiddels binnen de kliniek eveneens een aantal vrijheden had ver-kregen, wist gaandeweg het vertrouwen van het slachtoffer te winnen en spiegelde het hem voor dat hij wel een ‘date’ voor hem kon regelen. Voor een bedrag van € 500 liet het slachtoffer zich – zogenaamd door bemiddeling van verdachte – inschrijven bij een bemiddelingsbureau. Verdachte fabriceerde in dit verband een vals inschrijvingsbewijs op zijn computer, dat hij aan het slachtoffer ter hand stelde. Het is aannemelijk geworden dat het slachtoffer in de vooravond van 4 december 2003, na de Sinterklaasviering in de Pompekliniek, het terrein van de instelling verliet om, in zijn voorstelling, een vrouw te ontmoeten naar aanleiding van een door verdachte geregelde ‘date’.

Nog in de buurt van de instelling moet verdachte het slachtoffer hebben ontmoet of opgewacht, waarna verdachte het slachtoffer op de genoemde uiterst gewelddadige wijze op het hoofd en het lichaam heeft geslagen en het slachtoffer vervolgens heeft begraven. Daarbij staat vast dat verdachte in verband met zijn latere handelen diezelfde namiddag bij een doe-het-zelfzaak een bats (schop) heeft aangeschaft.

Wat feitelijk verdachte tot zijn handelen heeft gebracht, is tot dusverre niet onomstotelijk komen vast te staan. Verdachte heeft van het begin af aan elke betrokkenheid bij het gebeuren ont-kend. Het hof acht het echter aannemelijk geworden dat verdachte uit pure zelfzucht heeft gehandeld, door het slachtoffer eerst geld af te troggelen en vervolgens, omdat hij vreesde dat een en ander aan het licht zou komen, heeft besloten om het slachtoffer uit de weg te ruimen. Gebleken is dat verdachte er op was gebrand om de inmiddels door hem verworven vrijheden binnen de TBS-instelling, en dan met name zijn verlofmogelijkheden, niet te verliezen. Enig ander motief is niet aannemelijk geworden. In ieder geval is het hof, zowel uit het dossier als uit de waarneming van de persoon van de verdachte, overtuigend gebleken dat het slachtoffer op geen enkele wijze – in fysiek noch in geestelijk opzicht – tegen verdachte opgewassen moet zijn geweest.

Waar het slachtoffer ten aanzien van het, naar aan te nemen valt onverhoeds, tegen hem gepleegde geweld (het slaan met een hard voorwerp tegen het hoofd en het lichaam) al zo goed als weerloos moet zijn geweest, is hij nadien, terwijl hij nog leefde, in een kuil in het bos begraven. Hierbij is verdachte – op zijn minst genomen – volstrekt onverschillig geweest voor de deerniswekkende situatie waarin hij het slachtoffer reeds had gebracht en heeft hij, zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om de staat waarin het slachtoffer verkeerde, de gevolgen van zijn handelen willen verdoezelen door hem te begraven. Nog los van al hetgeen daaraan vooraf is gegaan, rekent het hof hem dit laatste handelen buitengewoon zwaar aan.

Van verregaande gevoelloosheid getuigt ook het handelen van verdachte na de verdwijning van het slachtoffer, waardoor naar valt te begrijpen binnen de Pompekliniek veel ongerustheid ont-stond. Gedurende de periode dat het slachtoffer onvindbaar was – doch waarbij al snel het ergste werd gevreesd - heeft verdachte op geen enkele wijze blijk gegeven van zijn betrokken-heid bij de verdwijning van het slachtoffer, dat pas na drie maanden in de kuil waarin hij was begraven in het bosperceel werd gevonden. Integendeel, verdachte heeft, door het ophangen van een – zoals hij later ook heeft toegegeven – verzonnen verhaal dat hijzelf die avond was overvallen in het bos, getracht de aandacht af te leiden van zijn betrokkenheid bij de verdwijning van het slachtoffer en nadien nog, door tussenkomst van anderen, valse informatie over de mogelijke verblijfplaats van het slachtoffer aan de kliniek doorgegeven, om daarmee de suggestie te wekken dat het slachtoffer nog in leven was. Daarmee heeft verdachte het leed, dat samenhing met de onverklaarbare verdwijning van het slachtoffer, op een hem ook zeer kwalijk te nemen manier verergerd.

Ten slotte rekent het hof verdachte tevens aan dat hij ook nu nog het ten laste gelegde in alle toonaarden ontkent, waarbij hij op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van inzicht in het leed dat de dood van het slachtoffer, op de wijze zoals beschreven, heeft veroorzaakt. Daarbij schroomt verdachte niet om op welhaast absurde wijze alsmaar nieuwe scenario’s voor de verdwijning te verzinnen, om aan zijn eigen verantwoordelijkheid voor het gebeurde te ont-komen, waarbij hij ook nog eens stelselmatig andere personen inschakelt.

Bij het bepalen van de straf moet ook hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte in aanmerking worden genomen. In het geval van verdachte is naast de buitengewone ernst van het feit dat thans ten laste van hem is bewezen verklaard, de recidive van verdachte zoals blijkt uit het justitieel documentatieregister een factor van groot belang bij de straftoemeting. Op 2 april 1996 is verdachte terzake van doodslag door het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch veroor-deeld tot een gevangenisstraf van acht jaren alsmede terbeschikkingstelling met last tot verpleging van overheidswege. Uit het dossier van die strafzaak, dat in de onderhavige zaak bij de processtukken is gevoegd, blijkt dat verdachte in 1994 zijn toen vijftien jaar oude nichtje, dat zo nu en dan bij hem thuis huishoudelijke klusjes verrichtte, op eveneens uiterst gewelddadige wijze, door slaan en schoppen over het hele lichaam en verwurging, om het leven heeft ge-bracht. Daarna heeft hij het levenloze lichaam van het meisje in een stuk vloerbedekking gerold en de volgende dag, na haar in zijn fietskarretje te hebben getransporteerd, in een nabijgelegen park in de struiken verborgen. Nog geheel los van al hetgeen nog nader omtrent de persoon van verdachte is gebleken – en waaraan hierna nog zal worden gerefereerd – moet worden geconstateerd dat verdachte door de strafrechtelijke reactie op dat eerdere feit, bestaande uit de vervolging, berechting en oplegging van een langdurige gevangenisstraf in combinatie met een strafrechtelijke maatregel, gevolgd door de tenuitvoerlegging daarvan, zich niet heeft laten weerhouden van het opnieuw plegen van een levensdelict, en dan ook nog in een verzwaarde variant van het delict waarvoor hij eerder was veroordeeld. Dat maakt dat er gegronde vrees bestaat dat verdachte nogmaals een zeer ernstig delict begaat, hetgeen ter bescherming van de maatschappij zo goed als maar enigszins mogelijk is moet worden uitgesloten. Het hof is van oordeel dat de ernst van het thans bewezen verklaarde feit, in combinatie met het recidive-gevaar dat van verdachte uitgaat, het opleggen van levenslange gevangenisstraf onontkoom-baar maakt.

In opdracht van het hof is nader onderzoek naar de persoonlijkheid verricht door drs. A.J. de Groot, psycholoog en dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater. Bij dit onderzoek hebben de beide deskundigen betrokken de omtrent verdachte, in het kader van zijn ter beschikkingstelling eerder uitgebrachte multidisciplinaire rapportages alsmede de rapportages omtrent het verloop en de verlenging van zijn terbeschikkingstelling, zoals uitgebracht door de deskundigen van de Pompekliniek.

Beide deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het delict lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis. Drs. De Groot spreekt in zijn rapport van 29 januari 2007 van: een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijk-narcistische, passief-agressieve en psycho-pathiforme kenmerken (p.10). Dr. Kaiser stelt in haar rapport van eveneens 29 januari 2007:

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO (het hof begrijpt: niet anders omschreven in de DSM-IV-klassificatie) met vermijdende, passief-agressieve en antisociale trekken (p. 20). Drs. De Groot stelt, gelet op de eerdere rapportages: De huidige diagnostische bevindingen sluiten aan bij eerdere psychodiagnostische bevindingen (p. 9). Omtrent het verband met de eerder bij verdachte geconstateerde persoonlijkheidsproblematiek vermeldt dr. Kaiser: In het onderzoek valt op dat betrokkene nog steeds gebruik maakt van dezelfde mechanismen als die een rol speelden bij het indexdelict in 1994. Daarin lijkt geen verandering gekomen te zijn in vergelijking met toen. Dat betekent dat de behandeling weinig effect heeft gehad, ondanks dat betrokkene wel in de resocialisatiefase is gekomen tijdens zijn behandeling. Hij heeft na zes jaar pas het indexdelict bekend maar daarbij waren winstoverwegingen omdat hij merkte dat hij dán alleen verlof zou krijgen (p. 19).

Ten aanzien van de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte in relatie tot het huidige aan de orde zijnde delict onthouden beide deskundigen zich van een oordeel, omdat de verdachte het tenlastegelegde ontkent. Wel stelt dr. Kaiser (p.21): Betrokkene ontkent het ten laste gelegde. Uitgaande van hetgeen betrokkene wel vertelt kan gesteld worden dat betrok-kene handelde met een minimum aan empathie met een lacunaire gewetensfunctie omtrent hetgeen hij erover vertelt.

Het hof neemt de in de voormelde rapporten opgenomen conclusies, dat verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis, over en maakt deze tot de zijne. Op grond van deze rapporten, en tevens op basis van hetgeen overigens aan het hof omtrent de persoonlijkheid van verdachte is gebleken, waaronder de indrukken die het hof ter terechtzitting van verdachte heeft verkregen, is het hof van oordeel dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die maken dat het ten laste gelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend.

Tevens is het hof van oordeel dat het ten tijde van het delict bestaan van een persoonlijkheids-stoornis zoals omschreven in de rapportages evenmin leidt tot het aannemen van enige mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Derhalve is geen grond tot strafvermindering aanwezig.

Drs. De Groot en dr. Kaiser hebben in verband met de ontkennende houding van verdachte geen oordeel gegeven omtrent het gevaar voor herhaling van een delict van de aard als het ten laste gelegde. Dat zij zich onthouden van enig oordeel op dit punt valt te verklaren uit hun specifieke rol als deskundige in een fase van het strafproces waarin nog open is of tot een bewezenverklaring zal worden gekomen. Het hof, dat anders dan de deskundigen uitgaat van het bewezen verklaarde delict, dient zich gelet op de doeleinden van de strafrechtspleging wel een oordeel te vormen over het gevaar voor herhaling. In dat verband wordt als vaststaand feit geconstateerd dat verdachte, ondanks een eerdere strafoplegging en een gevorderde behandeling in het kader van zijn terbeschikkingstelling, zich wederom schuldig heeft gemaakt aan een levensdelict. Daarnaast valt uit de rapportages, zoals zo-even vermeld, af te leiden dat verdachtes handelen wordt gekenmerkt door een lacunaire gewetensfunctie en een – zoals ook door het hof is geconstateerd – totaal gebrek aan empathie. Ook moet worden geconstateerd dat deze persoonskenmerken in 1994, ten tijde van het plegen door verdachte van de doodslag op zijn vijftienjarige nichtje, ook al aanwezig waren en dat de behandeling van deze stoornis in het kader van de terbeschikkingstelling geen positief resultaat heeft gehad. Hooguit kan sprake geweest zijn van een schijnaanpassing.

Het hof acht het gevaar dat van verdachte uitgaat al met al dermate groot dat het noodzakelijk is dat verdachte uit de vrije samenleving wordt uitgesloten. Volgens het hof dient dat niet langs de weg van een terbeschikkingstelling te geschieden. Daargelaten dat geen van de beide door het hof geraadpleegde deskundigen daartoe adviseert, acht het hof gelet op de persoon van verdachte en gelet op hetgeen is geschied na zijn eerdere terbeschikkingstelling in het (her-nieuwd) opleggen van een dergelijke maatregel onvoldoende waarborgen aanwezig om de samenleving tegen verdachte te beschermen.

De raadsman mr. W. Anker heeft in een tweetal pleitnota’s aan de hand van een groot aantal overwegingen uit Nederlandse rechterlijke uitspraken, waarbij levenslange gevangenisstraf werd opgelegd dan wel gemotiveerd werd afgezien van het opleggen van deze straf, getracht aan te tonen dat in het onderhavige geval deze straf niet in aanmerking komt. Het hof volgt de raadsman niet in dit onderdeel van zijn betoog. Bij kennisneming van de rechterlijke uitspraken waarnaar is verwezen – waarbij in een aantal gevallen bepaalde overwegingen niet geïsoleerd, doch in samenhang met hetgeen verder in het arrest is overwogen dienen te worden bezien – kan in geen enkel opzicht worden geconcludeerd dat er in Nederland een vast beleid inzake de straftoemeting zou zijn dat in een geval als dit in de weg zou staan aan oplegging van een levenslange gevangenisstraf. Slechts kan blijken dat de straftoemeting telkens een resultante is van de afweging van een groot aantal factoren, waarbij – afhankelijk van de specifieke kenmerken van een bepaalde strafzaak – meer of minder gewicht toekomt aan enkele van die factoren. In de onderhavige strafzaak kan – gelet op de geheel eigen kenmerken ervan – niet anders of meer worden verwacht van het hof dan dat, zoals te dezen is geschied, de dragende overwegingen voor de beslissing omtrent de straf in het arrest worden aangegeven.

Gelet op de noodzaak tot vergelding van de moord op [slachtoffer] alsmede ter beveiliging van de maatschappij zal het hof verdachte veroordelen tot levenslange gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat, dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot levenslange gevangenisstraf.

Aldus gewezen door

mr E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

mr G. Mintjes en mr A.E. Harteveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van A.C. Wormgoor, griffier,

en op 18 april 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.