Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA2912

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
06/00210
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting.

Diensten van uitzendbureau vallen niet onder het verlaagde tarief omdat de van belanghebbende inlenende bedrijven zelf niet zijn aan te merken als landbouwers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/37.23 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0761
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belasting

Locatie Arnhem

nummer 06/00210

op het hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 2 mei 2006, nummer AWB 05/2853, in het geding tussen belanghebbende

en

X te Z (hierna: belanghebbende)

1. De naheffingsaanslag, het bezwaar en het geding voor de Rechtbank

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2002 tot en met 31 december 2002 een naheffingsaanslag omzetbelasting met het aanslagnummer 2317.719.76.F01.2501 opgelegd, ten bedrage van € 3.422. Gelijktijdig hiermee is aan belanghebbende bij beschikking een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 342. Voorts is belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 268.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd en de verzuimboete verminderd tot € 171.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank te Arnhem (hierna: de Rechtbank).

1.4. De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 2 mei 2006 onder nummer

AWB 05/2853 gegrond verklaard.

2. Het geding voor het Hof

2.1. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 16 mei 2006.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het beroepschrift en het verweerschrift, beide met de daarin genoemde bijlagen.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 februari 2007 te Arnhem door de tweede meervoudige belastingkamer. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2.4. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige naheffingstijdvak een uitzendbureau in de vorm van een eenmanszaak. Hij was ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet).

3.2. Belanghebbende leende in het onderhavige tijdvak personeel uit aan dienstverlenende bedrijven in de pluimveesector. De activiteiten van deze bedrijven bestonden uit het enten, laden en lossen van kippen voor pluimveebedrijven. Het van belanghebbende ingeleende personeel werd door deze bedrijven daarvoor ingezet.

3.3. Belanghebbende heeft in het onderhavige tijdvak op de aan de onder 3.2 genoemde inleners verstrekte facturen 6% omzetbelasting in rekening gebracht.

3.4. De Inspecteur die het standpunt inneemt dat op de door belanghebbende verrichte diensten niet het verlaagde tarief van 6% maar het algemene tarief van toepassing is, heeft belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd.

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende de in dezen aangegeven omzetbelasting terecht naar het verlaagde tarief van 6 percent heeft berekend. In het bijzonder spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vraag of het in dezen gaat om diensten die vallen onder Tabel I, onderdeel b, post 13, aanhef en letter a, behorende bij de Wet. Voorts is in geschil of de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur beantwoordt de vragen ontkennend, belanghebbende bevestigend.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het voormelde proces-verbaal .

4.3. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot handhaving van de naheffingsaanslag.

4.4. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet bedraagt de omzetbelasting, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, 6 percent voor levering van goederen en diensten, genoemd in de bij de wet behorende Tabel I.

5.2. De evenbedoelde tabelpost: Tabel I, onderdeel b, post 13, aanhef en letter a luidt als volgt:

“de volgende diensten aan landbouwers, veehouders, tuinbouwers en bosbouwers:

- de diensten door agrarische loonbedrijven.”

5.3. Het Voorschrift inzake de Post b 13 (beschikking 1 februari 1994, in VB 93/3553) luidt – voor zover hier relevant – als volgt:

“3 Diensten door agrarische loonbedrijven

Met de diensten door agrarische loonbedrijven wordt gedoeld op diensten die eigen zijn aan en kenmerkend zijn voor het agrarisch loonbedrijf, en die hun oorsprong vinden in de bedrijfsuitoefening van de landbouwer, enz. Wil de post gelden, dan moet in elk geval aan dit vereiste zijn voldaan. Aan de toepassing van de post staat op zich zelf niet in de weg dat de presterende ondernemer niet de exploitant van een agrarisch loonbedrijf is.”(…)

5.4. De Rechtbank heeft zijn beslissing gebaseerd op voormeld Voorschrift en de voorganger daarvan, de tot 1 februari 1994 geldende Toelichting behorende bij de tabelpost,

waarin uitleg wordt gegeven over “diensten door agrarische loonbedrijven”. De Rechtbank heeft daarbij miskend dat de tabelpost vereist dat de diensten aan landbouwers e.d. worden verricht.

5.5. Belanghebbendes prestaties hebben, naar hij ter zitting heeft verklaard, enkel bestaan uit het uitlenen van personeel aan genoemde dienstverlenende bedrijven. Nu deze bedrijven, gelet op hun activiteiten, zelf niet zijn aan te merken als landbouwers/pluimveehouders e.d., heeft belanghebbende de in rekening gebrachte omzetbelasting ten onrechte naar het verlaagde tarief berekend. Niet belanghebbende als exploitant van een uitzendbureau, doch de dienstverlenende bedrijven hebben in opdracht van pluimveehouders met inzet van het van belanghebbende ingeleende personeel de onder 5.2 bedoelde diensten geleverd.

5.6. Hetgeen belanghebbende met betrekking tot zijn beroep op het vertrouwensbeginsel heeft aangevoerd acht het Hof onvoldoende concreet om te kunnen leiden tot de conclusie dat door een ambtenaar van de Belastingdienst aan hem zodanige mededelingen zijn gedaan op grond waarvan hem een in rechte te beschermen vertrouwen toekomt met betrekking tot het kunnen toepassen van het lage omzetbelastingtarief.

5.7. Het beroep van belanghebbende faalt.

5.8. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke klachten aangevoerd tegen de hem opgelegde verzuimboete. Het Hof acht deze verzuimboete in overeenstemming met de desbetreffende regelgeving. Van enige strijdigheid met algemene rechtsbeginselen is niet gebleken. Het Hof acht de hoogte van de boete, zoals deze na de bestreden uitspraak in stand is gebleven, gelet op de aard van het verzuim en de hoogte van het nageheven bedrag, passend en geboden.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op door de tweede meervoudige belastingkamer in de samenstelling mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. N.E. Haas, raadsheren.

De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De griffier, De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Namens deze,

(J.L.M. Egberts) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20 303, 2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.