Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA2842

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
13-04-2007
Zaaknummer
2006/102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het onderhavige hoger beroep betreft de door geïntimeerde ingestelde vordering tot het aanmerken van A. naast geïntimeerde als medepachter in de bestaande pachtovereenkomst. De pachtkamer in eerste aanleg heeft deze vordering toegewezen. [..] Bij de uitleg van de onderhavige pachtovereenkomst komt het aan op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. Voorts heeft te gelden dat de uitleg van de overeenkomst niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin die zinsnede is gesteld, maar dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze zinsnede, gelezen in de context van de overeenkomst als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken heeft, bij de uitleg van die overeenkomst vaak wel van groot belang is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 maart 2007

pachtkamer

rolnummer 2006/102 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Fortis Vastgoed B.V.,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 De procedure in eerste aanleg

De pachtkamer van de rechtbank te Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, heeft op 7 september 2005 en op 23 november 2005 vonnissen gewezen tussen geïntimeerde (verder te noemen: [geïntimeerde]; diens zoon [A.] hierna te noemen: [A.]) als eiser en appellante (verder te noemen: Fortis) als gedaagde. Van die vonnissen is een afschrift aan dit arrest gehecht. Naar die vonnissen wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg alsmede de in die instantie genomen beslissing en de gronden daarvoor.

2 De procedure in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 22 december 2005 is Fortis in hoger beroep gekomen van het onder 1 bedoelde vonnis van 23 november 2005 met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Fortis vier grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende,

- primair: [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in de door hem ingestelde vordering, althans hem deze te ontzeggen;

- subsidiair: de toewijzing van de vordering tot medepacht afhankelijk zal stellen van de voorwaarden, dat [geïntimeerde] en [A.] een maatschapsovereenkomst sluiten alsmede dat [geïntimeerde] en [A.] het gehele pachtareaal aanwenden voor de akkerbouw als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub 1 Pachtwet;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en een aantal producties overgelegd. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, zonodig onder verbetering van de gronden, het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van Fortis in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 27 november 2006 hebben partijen de zaak doen bepleiten, Fortis door mr. D.M.H.M. van Dijk, advocaat te Arnhem, en [geïntimeerde] door mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Aan [geïntimeerde] is daarbij akte verleend van het in het geding brengen van nieuwe stukken.

2.5 [geïntimeerde] heeft, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het hof ter zitting, bij brief van 29 november 2006 een diploma en bijbehorende cijferlijst van [A.] overgelegd. Fortis heeft bij brief van 6 december 2006 op die productie gereageerd.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 7 september 2005 onder 3.1 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kan hieraan als vaststaand feit worden toegevoegd dat [geïntimeerde] de pachtgronden volgens de landbouwtellingsgegevens van 2006 gebruikt voor de teelt van bloemkool en andere groenten, groentezaden, graszaad, suikerbieten, poot- en plantuien, winter- en zomertarwe.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Sinds 1 november 1972 pacht [geïntimeerde] van (thans) Fortis de hofstede “[...]” te [plaatsnaam], thans kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], sectie A, nummers 183, 185 en 194, met een oppervlakte van 56.09.25 hectare, inclusief woning, bedrijfsgebouwen en erf, overeenkomstig het door de grondkamer voor Noord-Brabant op 30 september 1988 goedgekeurde pachtcontract van april 1988. De oppervlakte cultuurgrond bedraagt ongeveer 55 hectare. [geïntimeerde] exploiteert op de grond een akkerbouwbedrijf. [geïntimeerde] is geboren op 17 oktober 1945, [A.] op 3 maart 1978.

4.2 Het onderhavige hoger beroep betreft de door [geïntimeerde] ingestelde vordering tot het aanmerken van [A.] naast [geïntimeerde] als medepachter in de bestaande pachtovereenkomst. De pachtkamer in eerste aanleg heeft deze vordering toegewezen.

4.3 Fortis stelt dat de voorgestelde medepachter ([A.]) niet voldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering biedt (artikelen 49a lid 2 jo. 49 lid 5 Pw). Aan deze stelling legt Fortis in de eerste plaats ten grondslag dat [geïntimeerde] en [A.] zonder de toestemming van Fortis dan wel machtiging van de (Centrale) Grondkamer die is vereist op grond van artikel 2 van de op de pachtovereenkomst van toepassing verklaarde Algemene voorwaarden en bepalingen 1986 (hierna: AV 1986), de bestemming van een deel van het gepachte hebben gewijzigd door dit voor de tuinbouw (zaadteelt en proefveld) te gebruiken in plaats van voor de akkerbouw. Nu [geïntimeerde] en [A.] menen dat bedoelde toestemming niet vereist is, handelen zij welbewust in strijd met de Pachtwet en de pachtovereenkomst, aldus Fortis (memorie van grieven onder 2-4).

4.4 Bij de uitleg van de onderhavige pachtovereenkomst komt het aan op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. Voorts heeft te gelden dat de uitleg van de overeenkomst niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin die zinsnede is gesteld, maar dat in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze zinsnede, gelezen in de context van de overeenkomst als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken heeft, bij de uitleg van die overeenkomst vaak wel van groot belang is. Het hof overweegt hieromtrent nader als volgt.

4.5 Het hof volgt Fortis niet in haar in 4.3 weergegeven betoog, nu de bestemming van het gepachte in de pachtovereenkomst niet anders is gespecificeerd dan als “hofstede met landerijen” met vermelding van de kadastrale gegevens en de oppervlakte. Gelet hierop ligt niet voor de hand dat Fortis in de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs mocht verwachten dat [geïntimeerde] er bij het aangaan van de pachtovereenkomst van uitging dat het gepachte (alleen) een akkerbouwbestemming had, zeker nu [geïntimeerde]’ vader (naar [geïntimeerde] onweersproken heeft aangevoerd met het oog op de bedrijfsopvolging en de erfdelen van de andere kinderen van [geïntimeerde] sr.) de hoeve aan een rechtsvoorganger van Fortis in eigendom heeft overgedragen en [geïntimeerde]’ vader voordien als eigenaar het bedrijfsbeleid zelf bepaalde. In het midden kan daarom blijven of gebruik voor zaadteelt en als proefveld een wijziging zou hebben opgeleverd van de bestemming van het gepachte als bedoeld in artikel 2 AV 1986 ingeval het gepachte in de pachtovereenkomst wel als grond met de bestemming “akkerbouw” zou zijn aangeduid.

4.6 Aan haar in 4.3 weergegeven stelling legt Fortis in de tweede plaats ten grondslag dat de opleiding van [A.] geheel is gericht op plantenteelt, en niet op akkerbouw, terwijl [geïntimeerde] een akkerbouwbedrijf op het gepachte exploiteert. Fortis wijst erop dat volgens [A.] voor zaadveredeling en gebruik als proefveld tussen de 3 en 6 ha nodig zijn, terwijl het totale pachtareaal meer dan 56 ha bedraagt. Fortis concludeert hieruit dat [A.] geen belangstelling heeft voor de exploitatie van ongeveer 50 ha (memorie van grieven onder 5-6).

4.7 Ook dit betoog kan Fortis niet baten. Zoals blijkt uit het door [geïntimeerde] overgelegde, bij het door [A.] op 16 juli 1998 behaalde diploma voor het met succes voltooien van de opleiding tot “kaderfunctionaris plantenteelt en management in de afdeling plantenteelt” behorende cijferlijst, heeft [A.] zich niet alleen bekwaamd in management- en (overige) ondernemersvaardigheden (welke vakken naar het oordeel van het hof ook voor een akkerbouwer hun vruchten kunnen afwerpen), maar daarnaast tevens in onder meer uitvoerende en verzorgende vakken als gewasbescherming, teelt- en oogstwerkzaamheden. Laatstbedoelde vakken kunnen voor een akkerbouwer evenzeer hun nut bewijzen, nu ook in de akkerbouw gewasbescherming, teelt- en oogstwerkzaamheden een belangrijke rol spelen. Hier komt bij dat [A.] in het kader van genoemde opleiding vier stages in akkerbouwbedrijven heeft gevolgd van in totaal 136 dagen, dat hij ervaring heeft opgedaan en nog zal opdoen in het bedrijf van zijn vader en dat laatstgenoemde, nu hier immers een vordering om [A.] als medepachter aan te merken aan de orde is, met zijn jarenlange ervaring als akkerbouwer pachter blijft. Het hof acht voorts van belang dat [A.] in het bedrijf van [B.] ervaring opdoet die het hem mogelijk maakt zonodig een werkkring te vinden indien aanvulling van de inkomsten uit het op het gepachte uitgeoefende bedrijf noodzakelijk blijkt.

4.8 Anders dan Fortis betoogt (memorie van grieven onder 7) heeft [A.] ter comparitie in eerste aanleg niet verklaard dat hij de arbeidsovereenkomst met [B.] zal opzeggen als [geïntimeerde] zijn werkzaamheden staakt, maar dat hij dan eventueel zal stoppen bij die werkgever. Bovendien heeft hij ter comparitie aangevoerd dat de door [geïntimeerde] met [B.] gesloten teeltcontracten los staan van het dienstverband van [A.] bij [B.]. Voor zover Fortis heeft willen suggereren dat de rendabele teeltcontracten niet worden voortgezet als het dienstverband van [A.] bij [B.] wordt beëindigd, gaat die suggestie, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet op.

4.9 Anders dan Fortis is het hof van oordeel dat de pachtkamer in eerste aanleg terecht heeft beslist dat naar billijkheid [A.] kan worden aangemerkt als medepachter. Dit geldt ook indien [A.] in de toekomst zijn activiteiten zou concentreren op de zaadteelt in plaats van op de akkerbouw. Voor dit oordeel is redengevend dat de pachtovereenkomst, zoals hierboven in 4.5 is overwogen, niet aan gebruik van (een deel van) het gepachte voor zaadteelt in de weg staat. Hieraan doet niet af dat (veronderstellenderwijs aannemend dat dit juist is) in het licht van de rentabiliteit van het bedrijf de akkerbouw een te verwaarlozen onderdeel van het bedrijf zou zijn, zoals Fortis stelt (toelichting op grief III onder 10).

4.10 Fortis stelt zich verder op het standpunt dat het voornemen van [[A.] tot bedrijfsvoortzetting niet serieus gemeend is, omdat na de weigering van Fortis in 1996 om akkoord te gaan met indeplaatsstelling van [A.], er door vader en zoon [geïntimeerde], totdat zij (in oktober 2004) een pachtopzegging hadden ontvangen, jarenlang niets is ondernomen teneinde [A.] in het bedrijf van zijn vader te laten opvolgen, de landbouwtelling in 2005, anders dan in 2004, geen melding maakt van de voorgenomen bedrijfsopvolging door [A.] en [geïntimeerde] een bemiddelingsopdracht heeft gegeven tot verkoop van de boerderij (toelichting op grief IV onder 11-13).

4.11 Hetgeen Fortis aanvoert is, mede in het licht van de uitlatingen van [geïntimeerde] en [A.] tijdens de pleidooizitting, onvoldoende om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat het voornemen van [A.] tot bedrijfsvoortzetting niet serieus gemeend is. Veeleer acht het hof aannemelijk dat vader en zoon [geïntimeerde], mede gelet op de uit de brief van 28 november 1996 (productie 9 bij inleidende dagvaarding) blijkende houding van Fortis, de tijd nog niet rijp achtten om de bedrijfsopvolging door [A.] te laten plaatsvinden. Het feit dat de landbouwtelling 2005 (overgelegd ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg) in tegenstelling tot de landbouwtelling 2004 geen melding maakt van de voorgenomen bedrijfsopvolging door [A.] kan worden verklaard uit de omstandigheid dat naar bedrijfsopvolging wel wordt gevraagd in de landbouwtelling 2004 maar niet in die van 2005. Omtrent de door hem verleende bemiddelingsopdracht heeft [geïntimeerde] gesteld (akte uitlaten productie) dat deze blijkens de nadere omschrijving van de opdracht strekte tot aankoop van de hoeve van AMEV, en dat uit deze opdracht het voornemen van [geïntimeerde] blijkt tot structurele voortzetting van de bedrijfsvoering, in de lijn waarvan de gevorderde medepacht moet worden gezien. Hoewel in de voorgedrukte tekst van de bemiddelingsovereenkomst van een opdracht tot verkoop van de boerderij wordt gesproken, is daarin met de hand ingevuld dat [geïntimeerde] opdracht geeft om met AMEV een bedrag te realiseren van € 1.361.340,-- voor grond en gebouwen. Nu Fortis in het geheel niet ingaat op het hiervoor weergegeven betoog van [geïntimeerde] in de akte uitlaten productie, gaat het hof aan haar stelling wegens onvoldoende onderbouwing voorbij.

4.12 Nu de grieven falen en de beslissing van de rechtbank dat [A.] wordt aangemerkt als medepachter naast [geïntimeerde] derhalve in stand blijft, komt het hof toe aan het verzoek dat Fortis met verwijzing naar de artikelen 49a lid 2 juncto 49 lid 8 Pw onder de voorwaarde dat het hof de vordering tot medepacht toewijsbaar acht, subsidiair heeft gedaan. Dit verzoek houdt in dat het hof de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] afhankelijk zal stellen van de voorwaarden dat [geïntimeerde] en [A.] een maatschapsovereenkomst aangaan en dat [A.] het gehele pachtobject aanwendt voor de akkerbouw als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b onder 1 Pw. Het hof is van oordeel dat Fortis onvoldoende heeft gesteld om te kunnen oordelen dat vervulling van de eerste door Fortis bedoelde voorwaarde in het (met het medepachterschap gemoeide) belang van de verpachter noodzakelijk is (namelijk om te voorkomen dat de verpachter schade lijdt door het medepachterschap). Hierbij komt dat [geïntimeerde] heeft aangegeven dat hij en [A.] met elkaar een maatschap aangaan zodra [A.] bij vonnis medepachter is geworden (memorie van antwoord onder 34). Voor zover het verzoek van Fortis de tweede door haar bedoelde voorwaarde betreft, stuit het af op hetgeen hierboven onder 4.5 is overwogen over de bestemming van het gepachte.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Fortis in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te rechtbank te Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, van 23 november 2005;

veroordeelt Fortis in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,-- voor salaris van de procureur en op € 244,-- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Van der Beek en Kerssemakers en de raden ir. Rogaar en baron Van Verschuer en is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 20 maart 2007.