Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA2300

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
21-000503-06
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHLEE:2005:AS5729, Overig
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2006:AU7139, Overig
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot moord in een asielzoekerscentrum in Appelscha. Veroordeling tot een gevangenisstraf van acht jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 21-000503-06

Uitspraak d.d.: 4 april 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van 4 mei 2004 in de strafzaak tegen

Z.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 juni 2006, 1 september 2006, 24 november 2006, 24 januari 2007 en 21 maart 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof te Leeuwarden heeft voormeld vonnis bij arrest van 2 februari 2005 vernietigd en -opnieuw rechtdoende- verdachte ter zake van poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar met aftrek van voorarrest.

Bij arrest van 10 januari 2006 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te

Leeuwarden van 2 februari 2005 vernietigd en de zaak naar dit hof verwezen, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 22 oktober 2003,

te Appelscha, (in elk geval) in de gemeente Ooststellingwerf,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

(en al dan niet met voorbedachten rade) N., (althans een persoon), van het leven te beroven,

met dat opzet (en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg), voornoemde N., (althans een persoon)

meermalen, althans éénmaal, (met kracht), met een mes, althans met een scherp

en/of puntig voorwerp, in diens (onder)buik en/of in diens maag(streek) en/of

in diens bil en/of elders in diens lichaam heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweren met betrekking tot het gebruik van de verklaringen van N. tot het bewijs.

De raadsvrouwe heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de verklaringen van het slachtoffer niet voor het bewijs mogen worden gebruikt nu de verdediging op geen enkel moment in de procedure de gelegenheid heeft gehad om hem te (doen) ondervragen terwijl door verdachte en de verdediging daar van stonde af aan om is verzocht. Gebruik van de verklaringen van het slachtoffer voor het bewijs zou in strijd zijn met het bepaalde in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) nu een bewezenverklaring in beslissende mate zou zijn gebaseerd op de verklaringen van het slachtoffer.

De raadsvrouwe heeft zich voorts, eveneens zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar zijn en ook om die reden niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Het hof merkt allereerst op dat ingevolge opdracht van dit hof de rechter-commissaris, zoals blijkt uit het door hem opgemaakte proces-verbaal van zijn voornaamste ambtshandelingen in deze zaak, met grote inzet en vasthoudendheid heeft getracht om een verhoor van het slachtoffer in bijzijn van de verdediging te realiseren. Zijn inspanningen hebben uiteindelijk niet tot het gewenste resultaat geleid.

Anders dan de raadsvrouwe is het hof van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer wel voor het bewijs mogen worden gebezigd, nu de bewezenverklaring niet geheel of in overwegende mate steunt op zijn verklaringen maar in voldoende mate steun vindt in de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Ook is het hof van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar zijn, in het bijzonder gelet op de verklaringen van F. en G. die beiden hebben verklaard, zakelijk weergegeven, te hebben gehoord dat het slachtoffer kort na te zijn gestoken heeft verteld dat verdachte dit had gedaan, de verklaring van Ah. en die van Ag. , die hebben verklaard, zakelijk weergegeven, het slachtoffer bloedend op de grond te hebben zien liggen, een man (volgens Ag.: verdachte) te hebben zien wegrennen en van het slachtoffer te hebben gehoord dat verdachte hem had gestoken en de verklaring van Aj. , die verklaart, kort gezegd, van verdachte te hebben gehoord dat verdachte op het AZC erge ruzie had gehad met een man die F. zou hebben lastiggevallen en dat hij, verdachte, die man erg hard had geslagen op diens keel, borst en buik. Voorts is er de verklaring van de behandelende chirurg dat het zeer lastig is om de steekwonden in de bil zelf toe te brengen .

Het verweer wordt in beide onderdelen verworpen.

Nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij door verdachte is gestoken. Hij heeft verklaard dat hij door verdachte met een mes werd opgewacht.

Verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor van 21 november 2003 en ter zitting van dit hof verklaard dat hij het slachtoffer bij toeval bij de caravan van F. heeft ontmoet waarna zij beiden ruzie kregen. Het slachtoffer zou volgens verdachte de caravan van F. binnen zijn gegaan en kort daarna met een mes in zijn linkerhand naar buiten zijn gekomen. Vervolgens zou hij zichzelf met een mes in buik en bil hebben gestoken. Verdachte zou hem tevoren alleen een duw tegen de schouder hebben gegeven. Nadat hij zag dat aangever zichzelf had gestoken, is hij gevlucht.

Het hof acht de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. De verklaring van verdachte dat het slachtoffer de caravan van F. zou zijn binnengegaan om kort daarop terug te keren met een mes wordt door niets ondersteund. Blijkens de verklaring van de chirurg kunnen de messteken in de bil lastig door het slachtoffer zelf zijn toegebracht en het hof acht het onaannemelijk dat het slachtoffer zichzelf heeft gestoken. Een mes is niet gevonden, hetgeen toch in de rede zou hebben gelegen indien het slachtoffer een mes had gehad waarmee hij zichzelf had gestoken. De getuigen F., G., Ah. en Ag. verklaren dat het slachtoffer dadelijk heeft aangegeven dat verdachte hem had gestoken. Ook de hiervoor genoemde verklaring van Aj. verdraagt zich niet met de bewering van verdachte dat hij het slachtoffer alleen een duw zou hebben gegeven. Het hof merkt bij dit alles nog op dat op grond van de processen-verbaal van verhoor van aangever geenszins vaststaat dat verdachte en het slachtoffer in het Engels en niet in het Farsi met elkaar hebben gesproken en in zoverre vormen ook deze processen-verbaal geen contra-indicatie voor het daderschap van verdachte.

Tot slot merkt het hof nog op dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting ook geen enkel aannemelijk motief naar voren is gekomen waarom het slachtoffer zichzelf dodelijk zou hebben willen verwonden.

De door verdachte toegebrachte messteken hadden zonder medisch ingrijpen tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden. Gelet hierop en op de omstandigheden waaronder verdachte de steken heeft toegebracht acht het hof het opzet van verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven bewezen.

Het hof acht tevens bewezen dat sprake is geweest van voorbedachten raad.

F. heeft verklaard dat verdachte reeds eerder tegen haar had gezegd dat hij het slachtoffer zou vermoorden en dat hij haar een mes had getoond. Zij heeft voorts verklaard dat verdachte in de nacht van zondag op maandag op het slachtoffer heeft staan wachten.

G. heeft verklaard van F. te hebben gehoord dat verdachte tegen F. had gezegd dat hij het slachtoffer zou vermoorden.

Verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor van 21 november 2003 en ter zitting van dit hof verklaard dat hij op de bewuste avond op het terrein van het AZC in Appelscha aanwezig was. Daar zou hij bij de caravan van F. aangever hebben getroffen. Op grond van de verklaringen van getuige S. staat vast dat verdachte de bewuste avond reeds geruime tijd eerder, rond 22.45 uur, dicht bij het AZC aanwezig was. Hij zat daar in een auto. Deze verklaring van S. wordt ondersteund door de locatiegegevens met betrekking tot de mobiele telefoon van verdachte. Uit deze gegevens blijkt dat om 22.40.56 uur voor het eerst de mast aan de Hoogengaardelaan te Oosterwolde door de mobiele telefoon van verdachte werd aangestraald. Nadien is deze mast nog acht keer door deze mobiele telefoon aangestraald, voor het laatst om 23.23.20. In de tussengelegen periode was het niet zo druk met telefonisch verkeer dat er overgeschakeld moest worden naar een andere mastlocatie. Verdachte heeft verklaard dat hij de weg naar het AZC niet kon vinden en lange tijd heeft rondgereden en intussen ook mobiel heeft gebeld. Dit zou verklaren waarom de betreffende mast is aangestraald. Het hof hecht aan deze verklaring geen geloof gelet op de hiervoor genoemde verklaring van S. en de verklaring van verdachte ter zitting van dit hof dat hij in de periode van woensdag 16 oktober 2003 tot en met 22 oktober 2003 in ieder geval 5 keer op het AZC is geweest en al die vijf keer op weg daar naartoe de weg niet is kwijtgeraakt alsook gelet op zijn verklaring dat hij normaal gesproken ieder weekend en soms ook door de week op het AZC kwam.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 oktober 2003,

te Appelscha, in de gemeente Ooststellingwerf,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

met voorbedachten rade N. van het leven te beroven,

met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde N.,meermalen met kracht met een mes in diens buik en in diens bil heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van poging tot moord veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf van acht jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen vrijheidsstraf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in zijn overwegingen betrokken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord. Een poging een mens het leven te benemen, is een zo ernstig feit dat alleen een vrijheidsbenemende straf van geruime duur in aanmerking komt.

Verdachte is met een mes op weg gegaan naar het Asielzoekerscentrum in Appelscha. Daar heeft hij enige tijd gewacht op het slachtoffer. Toen het slachtoffer de caravan van vrouwelijke kennissen van hem en van verdachte had verlaten, heeft verdachte hem met een mes dusdanige verwondingen toegebracht dat het slechts aan adequaat medisch ingrijpen te danken is geweest dat het slachtoffer de steekpartij heeft overleefd. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen en bij hem is door middel van een operatie een deel van de dunne darm verwijderd. Het slachtoffer heeft ongeveer een maand in het ziekenhuis verbleven.

Feiten als de onderhavige raken niet alleen het slachtoffer in zijn lichamelijk en psychische integriteit, maar door dergelijke geweldsmisdrijven wordt ook de rechtsorde in ernstige mate geschokt. Bestaande gevoelens van onveiligheid in de maatschappij worden er door versterkt.

Verdachte heeft geen inzicht gegeven in zijn motieven tot het plegen van de daad, zodat het hof slechts uit kan gaan van een de bewezenverklaarde poging tot moord, zonder meer. Bij gebrek aan enig concreet aanknopingspunt op dat gebied kan het hof de zienswijze van de rechtbank dat er sprake moet zijn geweest van een “crime of passion” niet onderschrijven, nog daargelaten dat niet valt in te zien welk effect deze enkele omstandigheid als zodanig op de straftoemeting zou moeten hebben.

Naar een algemene hier te lande gebruikelijke maatstaf wordt het begaan van een feit als het onderhavige veelal bestraft met een aanzienlijk langere gevangenisstraf dan door de rechtbank is opgelegd. Feiten of omstandigheden die aanleiding zouden geven van deze maatstaf af te wijken zijn in dit geval niet gebleken.

Op grond van het vorenstaande komt het hof daarom tot oplegging van een zwaardere straf dan door de rechtbank is opgelegd. Bij de strafoplegging heeft het hof ook rekening gehouden met de inhoud van het over verdachte opgemaakt voorlichtingsrapport van 11 januari 2005.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren als door de advocaat-generaal gevorderd passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 (oud) en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

Gelast de teruggave aan N. van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een broek (jeans), kleur blauw,

- ondergoed, kleur zwart,

- kleding (badstof), kleur crème.

Gelast de teruggave aan Asielzoekerscentrum te Appelscha van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een videoband.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een telefoontoestel, kleur zilver, merk Siemens, S 142,

- een jas, kleur zwart,

- een broek, kleur zwart.

Aldus gewezen door

mr A. van Waarden, voorzitter,

mr M.H.M. Boekhorst Carrillo en mr J.J. van den Berg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw M.C.L. Roelofs, griffier,

en op 4 april 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.