Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA1794

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
2006/1068
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op die feiten en omstandigheden hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] (in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure) onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat hun werkzaamheden een andere markt betreffen dan die waarop Teleflex zich richt en dat zij aldus niet werkzaam zijn “in een zaak, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van WERKGEVER” als bedoeld in artikel 8 van het concurrentiebeding. Dat nog niet zeker is dat hun product functioneert en alle keuringen doorstaat en dat hun activiteiten weliswaar LPG-gerelateerd zijn, maar in hun huidige vorm beslist niet concurrerend zijn met die van Teleflex, zoals [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen en dat er al volop concurrentie is, doet aan het vorenstaande niet af. Gelet op het vorenstaande heeft Teleflex een te beschermen belang bij nakoming van het concurrentiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 maart 2007

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/1068

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

eisers in het incident,

procureur: mr. T.J. van Veen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Teleflex GFI Europe B.V.,

gevestigd te Gorinchem,

geïntimeerde,

gedaagde in het incident,

procureur: mr. P.A.M. de Jong.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen) van 13 september 2006, in kort geding gewezen tussen appellanten tevens eisers in het incident (hierna ook te noemen: [appellant sub 1] en [appellant sub 2]) als gedaagde partijen in conventie tevens eisende partijen in voorwaardelijke reconventie enerzijds en geïntimeerde tevens gedaagde in het incident (hierna ook te noemen: Teleflex) als eisende partij in conventie tevens verwerende partij in voorwaardelijke reconventie anderzijds; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben bij exploot van 10 oktober 2006 Teleflex aangezegd van voornoemd vonnis in spoedappel te komen, met dagvaarding van Teleflex om te verschijnen voor dit hof op 24 oktober 2006. In genoemd exploot hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] elf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zij hebben daarbij geconcludeerd (zo begrijpt het hof) dat het hof:

in het incident: de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op grond van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zal schorsen tot het eindarrest is gewezen;

in de hoofdzaak: het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

in conventie: primair de vorderingen van Teleflex zal afwijzen en

subsidiair de geldigheidsduur van het concurrentiebeding zal beperken tot maximaal 1 maart 2007 en de geografische reikwijdte van het concurrentiebeding zal beperken tot een straal van 50 kilometer rond Gorinchem;

in voorwaardelijke reconventie: slechts indien en voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan

het concurrentiebeding worden gehouden, Teleflex zal veroordelen tot betaling aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van een door het hof in goede justitie te bepalen vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), zulks vanaf 1 oktober 2006 tot het moment waarop Teleflex bij aangetekend schrijven [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van hun verplichtingen uit hoofde van het beding heeft ontslagen of het beding door tijdsverloop is geëxpireerd;

in conventie en in voorwaardelijke reconventie: Teleflex zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.2 Op de aangezegde rechtsdag hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geconcludeerd overeenkomstig voornoemd exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Teleflex de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd (zo begrijpt het hof) dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hun appel niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de door hen gevorderde schorsing en opgeworpen grieven zal verwerpen, onder bekrachtiging van het bestreden vonnis, en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zal veroordelen in de kosten van (bedoeld zal zijn:) het hoger beroep.

2.4 Ter zitting van 19 januari 2007 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] door mr. C.J. van Dijk, advocaat te Ede en Teleflex, namens welke is verschenen [A.], door mr. G. Bloem, advocaat te Den Haag; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder “De voorgeschiedenis” feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken, kunnen hieraan de volgende vaststaande feiten worden toegevoegd.

3.2 Artikel 8 van de (schriftelijke) arbeidsovereenkomst tussen Teleflex enerzijds en [appellant sub 1] respectievelijk [appellant sub 2] anderzijds - hierna: het concurrentiebeding - luidt:

“WERKNEMER zal zonder schriftelijke toestemming van de WERKGEVER, gedurende de arbeidsovereenkomst en na het einde hiervan gedurende een tijdvak van 2 jaar niet in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van WERKGEVER vestigen, drijven of doen drijven hetzij direct hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm ook bij een dergelijke zaak belang hebben, daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam zijn, al dan niet in dienstbetrekking hetzij tegen vergoeding hetzij om niet, of daarin aandeel hebben.”

3.3 Artikel 9 van de arbeidsovereenkomst tussen Teleflex enerzijds en [appellant sub 1] respectievelijk [appellant sub 2] anderzijds luidt:

“WERKNEMER zal tegenover derden alsmede collega’s tijdens en na de dienstbetrekking bijzonderheden of informatie betreffende WERKGEVER of betreffende zakelijke relaties van WERKGEVER, geheimhouden, tenzij WERKGEVER toestemt in het doen van dergelijke uitlatingen.

Tevens wordt WERKNEMER, behoudens uitdrukkelijke toestemming, verboden afschriften, tekeningen, correspondentie etc. in zijn particulier bezit te houden en/of buiten de gebouwen en terreinen van WERKGEVER te brengen. Al dergelijke stukken, correspondentie etc. moeten bij het einde van de dienstbetrekking ongevraagd en onverwijld aan WERKGEVER ter hand worden gesteld.”

3.4 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ieder na opzegging van de arbeidsovereenkomst met Teleflex bij XLR 8 B.V. (hierna: XLR 8) in dienst getreden. Bestuurder en enig aandeelhouder van XLR 8 is Trientalis Investments B.V., een holding waarvan [B.] (hierna: [B.]) bestuurder en enig aandeelhouder is. In een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 3 april 2006 betreffende XLR 8 staat het volgende vermeld: “Bedrijfsomschrijving: Ontwerpen van, reengineering van en handel in gasinstallaties”.

3.5 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn na het bestreden vonnis door XLR 8 B.V. op non actief gesteld met behoud van salaris. Hun arbeidsovereenkomsten met XLR 8 duren ten tijde van het pleidooi in hoger beroep nog voort.

3.6 De markt waarop Teleflex zich begeeft, is beperkt tot ongeveer tien vergelijkbare bedrijven.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

In het incident

4.1 Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hun vordering in het incident, te weten dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op grond van artikel 351 Rv zal schorsen tot het eindarrest is gewezen, ingetrokken. Gelet daarop zal de vordering in het incident worden afgewezen.

4.2 Het hof ziet aanleiding, mede gezien het beperkte verweer tegen deze vordering in de memorie van antwoord, geen aparte kostenveroordeling te geven ter zake van dit incident.

In de hoofdzaak

4.3 Het spoedeisend karakter van de zaak staat vast, nu deze zaak, kort gezegd, de vraag betreft of, zoals Teleflex stelt, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bedingen uit hun arbeidsovereenkomsten met Teleflex niet nakomen, waardoor Teleflex schade lijdt en Teleflex die schade zoveel mogelijk wenst te beperken.

4.4 Met hun grieven beogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. Nu evenwel geen (incidenteel) hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis voor zover daarin de vorderingen van Teleflex in conventie gedeeltelijk zijn afgewezen en dwangsommen zijn gemaximeerd, is dat vonnis in zoverre niet aangevochten en zijn die gedeeltelijk afgewezen vorderingen niet in het hoger beroep betrokken. Met inachtneming daarvan zal het hof het geschil in volle omvang beoordelen.

De vorderingen in conventie

4.5 Het vorenstaande brengt met zich dat in hoger beroep aan de orde is de vraag of de vorderingen in conventie van Teleflex zoals weergegeven in haar (gewijzigde) eis in eerste aanleg onder 1, 3 en 4 toewijsbaar zijn. Die vorderingen strekken, kort gezegd, tot:

- (de vordering sub 1:) gelasting van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het concurrentiebeding na te komen, op straffe van een dwangsom;

- (de vordering sub 3:) gelasting van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen (al dan niet) vertrouwelijke/geheime informatie van Teleflex te gebruiken, publiceren of aan derden te verstrekken, op straffe van een dwangsom;

- (de vordering sub 4:) veroordeling van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tot betaling van de proceskosten.

- De vordering betreffende het concurrentiebeding (de vordering sub 1)

4.6 De grieven II tot en met VIII hebben betrekking op de vordering betreffende het concurrentiebeding. Teleflex heeft ter onderbouwing van die vordering, kort gezegd, gesteld dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2], gelet op hun (bij Teleflex opgedane) kennis en ervaring, met hun werkzaamheden bij XLR 8 voor Teleflex een grote bedreiging als concurrent vormen, dat zij daarmee het concurrentiebeding niet nakomen, waardoor Teleflex schade lijdt en dat Teleflex die schade zoveel mogelijk wenst te beperken in lijn met de ratio van het concurrentiebeding. Teleflex stelt recht en belang te hebben bij nakoming door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van het concurrentiebeding.

4.7 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zich tegen de vordering verweerd. Primair voeren zij aan, kort gezegd, dat het concurrentiebeding geheel behoort te worden vernietigd, enerzijds op grond van een belangafweging (in de zin van artikel 7:653 lid 2 BW) en anderzijds (ook) omdat de formulering van het concurrentiebeding te onbepaald en te verstrekkend en het concurrentiebeding te langdurig is. Zij hebben daarbij gesteld dat het concurrentiebeding nietig is wegens strijd met het mededingingsrecht.

Subsidiair voeren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan dat het concurrentiebeding moet worden beperkt tot een omvang die noodzakelijk is ter bescherming van het werkelijk beschermenswaardige bedrijfsdebiet van Teleflex, door verkorting van de termijn tot een jaar en beperking van de straal tot maximaal 50 kilometer rond Gorinchem.

Meer subsidiair voeren zij aan dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het beroep van Teleflex op het concurrentiebeding.

4.8 Met betrekking tot het primaire verweer overweegt het hof als volgt.

4.9 Het hof zal als eerste ingaan op het meest verstrekkende deel van het verweer van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], te weten dat het concurrentiebeding nietig is wegens strijd met het mededingingsrecht, meer specifiek met artikel 6 van de Mededingingswet (Mw). [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen daartoe dat het concurrentiebeding de concurrentie tussen Teleflex en - wat zij noemen - “hun” onderneming, XLR 8, beperkt en dat het concurrentiebeding door de formulering de strekking heeft de mededinging te beperken. Reeds omdat voorshands onvoldoende is komen vast te staan dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn aan te merken als onderneming in de zin van artikel 6 lid 1 Mw, gaat het beroep op strijd van het concurrentiebeding met dat artikel niet op. In ieder geval valt dat ondernemerschap niet af te leiden uit het feit dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] feitelijk als “eigen baas” werk(t)en en [B.] “slechts” als financier optrad. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn in loondienst werkzaam bij XLR 8 en zijn geen bestuurder(s)/aandeelhouder(s) van die vennootschap. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat zij zodanige zeggenschap hebben binnen deze vennootschap dat zij feitelijk het beleid binnen en buiten die vennootschap bepalen. Het feit dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] na het bestreden vonnis door [B.] op non-actief zijn gesteld, vormt hiervan eveneens een bevestiging.

4.10 Beoordeeld moet vervolgens worden of valt te verwachten dat de rechter in een bodemprocedure het concurrentiebeding (gedeeltelijk) zal vernietigen. Daarvan kan onder meer sprake zijn als, in verhouding tot het te beschermen belang van Teleflex, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] door het beding onbillijk worden benadeeld. Hiertoe moeten de belangen van partijen worden afgewogen.

4.11 Volgens Teleflex vormen [appellant sub 1] en [appellant sub 2], gelet op hun (bij Teleflex opgedane) kennis en ervaring, met hun werkzaamheden bij XLR 8 voor Teleflex een grote bedreiging als concurrent en is het concurrentiebeding bedoeld om Teleflex tegen dergelijke werkzaamheden te beschermen. Naar het oordeel van het hof moet voorshands worden uitgegaan van de juistheid van dit standpunt. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben dit standpunt namelijk onvoldoende gemotiveerd betwist, gezien de volgende feiten en omstandigheden:

- Teleflex houdt zich bezig met de ontwikkeling van componenten voor en de samenstelling van complete systemen voor het toepassen van gas als brandstof voor auto’s,

- de markt waarop Teleflex zich begeeft, is beperkt tot ongeveer tien vergelijkbare bedrijven,

- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn in dienst bij XLR 8,

- de onder 3.4 genoemde bedrijfsomschrijving van XLR 8,

- de stelling van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hun appeldagvaarding dat zij zich richten op de ontwikkeling van een heel ander product dan dat Teleflex ontwikkelt; hun systeem betreft, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2], een electronisch brandstofinjectiesysteem, niet alleen geschikt voor LPG, maar ook voor diesel, benzine en andere hoogwaardige autobrandstoffen, bedoeld voor de autosportindustrie en niet “primair” voor de “huis-, tuin- en keuken-personenauto-markt” waarop Teleflex zich richt;

- de door partijen bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep gedane uitlatingen, van de zijde van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], kort gezegd: dat zij zich richten op een breder marktsegment dan Teleflex, dat het door hen ontwikkelde systeem op zichzelf kan draaien, terwijl het systeem van Teleflex een motormanagementsysteem nodig heeft en dat hun systeem nog vernuftiger is dan het systeem van Teleflex, en van de zijde van Teleflex, kort gezegd: dat zij ook een product voeren, overeenkomend met het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ontwikkelde systeem.

Gelet op die feiten en omstandigheden hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] (in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure) onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat hun werkzaamheden een andere markt betreffen dan die waarop Teleflex zich richt en dat zij aldus niet werkzaam zijn “in een zaak, gelijksoortig of aanverwant aan het bedrijf van WERKGEVER” als bedoeld in artikel 8 van het concurrentiebeding. Dat nog niet zeker is dat hun product functioneert en alle keuringen doorstaat en dat hun activiteiten weliswaar LPG-gerelateerd zijn, maar in hun huidige vorm beslist niet concurrerend zijn met die van Teleflex, zoals [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen en dat er al volop concurrentie is, doet aan het vorenstaande niet af. Gelet op het vorenstaande heeft Teleflex een te beschermen belang bij nakoming van het concurrentiebeding.

4.12 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] menen dat zij door het beding onbillijk worden benadeeld. Zij hebben er, kort gezegd, op gewezen dat

- zij deskundigheid hebben uitsluitend op het gebied van autogas,

- indien zij worden gehouden aan het concurrentiebeding, hun (specialistische) kennis verloren gaat, gezien het feit dat, zo is niet weersproken, hun kennis “vluchtig” is,

- zij weliswaar in een andere branche zouden kunnen gaan werken, maar dat dit tegen een veel lager salaris zou moeten dan zij bij Teleflex en XLR 8 verdien(d)en,

- zij bij Teleflex gefrustreerd raakten door de wisselingen in het management en het beleid,

- zij bij XLR 8 praktisch “eigen baas” zijn,

- zij bij XLR 8 fatsoenlijke arbeidstijden, minder reistijd en minder stress hebben,

- zij bij XLR 8 zijn “gepromoveerd” van programmeur naar eindverantwoordelijke voor de engineering,

- zij bij XLR 8, mocht het product commercieel succesvol blijken, (door middel van aandelen) mee kunnen delen in de winst, en

- zij bij Teleflex niet en buiten Teleflex wel innovatief bezig kunnen zijn, hetgeen gunstig is voor hun mogelijkheden tot ontplooiing van hun kennis en ervaring en voor hun loopbaanontwikkeling.

Het in eerste aanleg door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gevoerde verweer dat het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken, is in hoger beroep niet meer aan de orde. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben immers geen grief gericht tegen de afdoening van dat verweer door de kantonrechter. Het hof acht de hiervoor door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangevoerde omstandigheden tegenover de hiervoor door Teleflex aangevoerde omstandigheden niet zodanig zwaarwegend dat er sprake van is dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] door het concurrentiebeding onbillijk worden benadeeld.

4.13 Dat de formulering van het concurrentiebeding te onbepaald en te verstrekkend en dat het concurrentiebeding te langdurig is, onderschrijft het hof, gezien de specifieke markt waarop partijen zich begeven en de specifieke producten die zij ontwikkelen, zoals voorshands is gebleken, niet.

4.14 Naar aanleiding van het subsidiaire verweer overweegt het hof dat in een voorlopige voorzieningenprocedure als de onderhavige geen plaats is voor beperking van het concurrentiebeding als door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bepleit. Hun subsidiaire verweer faalt dan ook. Desgevraagd hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ter gelegenheid van het pleidooi verklaard dat zij geen schorsing van het concurrentiebeding beogen of “vorderen”.

4.15 Op de hiervoor vermelde gronden verwerpt het hof eveneens het meer subsidiaire verweer van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het beroep van Teleflex op het concurrentiebeding. Het hof acht voor de beantwoording van die vraag voorshands niet relevant de door Teleflex gestelde omstandigheden dat wel heel toevallig is dat de laptop van [appellant sub 1] is gestolen en dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stiekem bij XLR 8 zijn gaan werken of daaromtrent jegens Teleflex hebben gelogen, reeds omdat die omstandigheden onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. Dat Teleflex al dan niet heeft doorgevraagd bij de ontslagname door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] acht het hof daarvoor evenmin van belang.

4.16 Gezien het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de vordering tot nakoming van het concurrentiebeding toewijsbaar is. De grieven II tot en met VIII falen.

- De vordering betreffende informatie van Teleflex/geheimhouding (de vordering sub 3)

4.17 Met grief IX betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de kantonrechter de reikwijdte van artikel 9 van de arbeidsovereenkomst te ruim heeft opgevat en dat de op dit artikel gebaseerde vordering van Teleflex niet kan worden toegewezen. Het hof is voorshands van oordeel dat dit artikel redelijkerwijs aldus moet worden begrepen dat de door Teleflex in haar vordering genoemde gedragingen en informatie(bestanden in welke vorm dan ook) als specificatie van de in dat artikel genoemde gedragingen en informatie(bestanden in welke vorm dan ook) onder dat artikel vallen. Het hof is met [appellant sub 1] en [appellant sub 2] van oordeel dat hen niet kan worden ontzegd de bij Teleflex opgedane kennis en ervaring zelf als onderdeel van cerebrale activiteiten in -bijvoorbeeld- de privé-situatie te gebruiken, zolang zij die niet publiceren, openbaar maken of aan derden verstrekken. Dit leidt echter niet vernietiging van het bestreden vonnis en evenmin tot een aanvulling van hetgeen de kantonrechter op dit punt heeft toegewezen.

De matiging van de gevorderde dwangsom en de afwijzing van de in de vordering voorkomende passage “(ter uitsluitende beoordeling van Teleflex GFI Europe B.V.)” staan in hoger beroep vast, nu deze niet met een grief zijn bestreden.

Grief IX faalt.

- De vordering betreffende de proceskosten (de vordering sub 4)

4.18 Met grief XI richten [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich, voor zover nog relevant, tegen de door de kantonrechter gegeven kostenveroordeling. Op de vordering betreffende de proceskosten en de proceskostenveroordeling wordt onder 5 ingegaan.

De vorderingen in reconventie

4.19 Grief X heeft betrekking op de afwijzing door de kantonrechter van de vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in voorwaardelijke reconventie. Aan deze vorderingen wordt slechts toegekomen indien en voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aan het concurrentiebeding worden gehouden. Uit het hiervoor overwogene volgt dat zij daaraan geheel worden gehouden. Het hof is voorlopig van oordeel dat voor toekenning van de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gevorderde vergoeding in de zin van artikel 7:653 lid 4 BW geen plaats is. Er is voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in belangrijke mate worden belemmerd om anders dan in dienst van Teleflex werkzaam te zijn. Dat zij moeilijk een even goed betaalde baan als bij Teleflex kunnen vinden en door het concurrentiebeding een “stand still in hun persoonlijke ontwikkeling” ondervinden -nog daargelaten welke betekenis daaraan moet worden toegekend- , is evenmin voldoende aannemelijk gemaakt. Grief X faalt. Op de in reconventie gevorderde proceskostenveroordeling wordt onder 5 ingegaan.

5 De slotsom

De slotsom luidt dat in het incident de vordering zal worden afgewezen. In de hoofdzaak falen de grieven II tot en met X. Grief I mist, gelet op het voorgaande, zelfstandige betekenis. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Evenals in eerste aanleg, dienen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ook in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten te worden veroordeeld. In zoverre faalt ook grief XI. Mede gezien de daartoe strekkende vordering van Teleflex zal de in het dictum te vermelden proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep als voorzieningenrechter:

in het incident

wijst de vordering af;

in de hoofdzaak

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen) van 13 september 2006;

veroordeelt [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Teleflex begroot op € 2.682,- voor salaris van de procureur en op € 248,- voor griffierecht;

verklaart de hiervoor vermelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Knottnerus, Prakke-Nieuwenhuizen en Rottier en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2007.