Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA0218

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
21-003204-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC7428, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC7428
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promis. Steekpartij in café De Vrijheid in Wageningen op 1 oktober 2004. Vrijspraak van moord en poging tot moord. Veroordeling wegens doodslag, poging tot doodslag en diefstal. Verweer inzake ontoerekeningsvatbaarheid en algehele amnesie verworpen. Veroordeling tot veertien jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-003204-05

Uitspraak d.d.: 8 maart 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van

14 juni 2005 in de strafzaak tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [Huis van Bewaring].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

22 februari 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken:

In de nacht van 30 september 2004 op 1 oktober 2004 kwam verdachte bij het reeds gesloten café De Vrijheid in Wageningen. Verdachte deelde medewerkster [slachtoffer 2] mede dat zijn fiets gestolen was en vroeg of hij in het café nog een tosti mocht eten, waarna [slachtoffer 2] hem binnen liet. Toen verdachte het café binnenkwam, zat een andere werknemer van het café, te weten [slachtoffer 1], aan de bar. Nadat verdachte de keuken was ingegaan om de tosti te maken, liep verdachte ineens op [slachtoffer 1] af en stak hem met twee messen in de rug. Verdachte liep daarna in de richting van [slachtoffer 2] en begon ook met de messen op haar in te steken. [Slachtoffer 2] probeerde de steken af te weren met haar armen, waardoor ze gewond raakte aan haar armen en handen. Verdachte is vervolgens weer in de richting van [slachtoffer 1] gelopen en heeft nogmaals op [slachtoffer 1] ingestoken. Toen [slachtoffer 2] richting de achterdeur trachtte te vluchten, is verdachte achter haar aan gelopen en heeft hij haar meerdere malen met de messen in haar rug gestoken. Toen [slachtoffer 2] de voordeur open hoorde gaan, rende verdachte naar de voordeur en riep tegen [slachtoffer 1]: “ik maak je af, ik maak je af”. Verdachte liep derhalve heen en weer tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en stak op beiden in. [Slachtoffer 2] had zich op een gegeven moment weten te verstoppen achter een draaitafel . Verdachte heeft uit de kassa van het café geld weggenomen. Ook heeft hij de mobiele telefoon van [slachtoffer 2] weggenomen . [Slachtoffer 1] is naar buiten gevlucht, maar verdachte heeft hem achterhaald en heeft buiten het café nog een aantal keer op hem ingestoken . Nadat verdachte was weggelopen, is [slachtoffer 1] buiten het café als gevolg van zijn verwondingen in de armen van een politieagente overleden . [Slachtoffer 2] heeft het voorval ondanks ernstige verwondingen aan haar armen, schouder en rug, overleefd . Verdachte werd enkele minuten na de gebeurtenissen aangehouden, waarbij hij zich hevig verzette en riep: “Ik maak ze allemaal af daar in De Vrijheid, ze hebben mijn vader kapot gemaakt” .

Verdachte bleek bij zijn aanhouding in het bezit te zijn van de mobiele telefoon van [slachtoffer 2] en een geldbedrag van € 575,00 . Het papiergeld zat onder het bloed. Verdachte gaf aan dat een klein deel van het geld van zijn vriendin was en dat de rest van café De Vrijheid was. Verdachte heeft tijdens de fouillering tegen de betreffende verbalisant bekend dat hij twee mensen had neergestoken .

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting betoogd dat de onder 1 primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1] en de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend zijn bewezen, nu er momenten van bezinning en rust zijn geweest waarop verdachte de tijd had zich te beraden en over de betekenis en gevolgen van zijn daden na te denken. De advocaat-generaal is van mening dat er sprake was van voorbedachte raad.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat uit de omschreven gang van zaken gekoppeld aan de hevige affectstuwing en tomeloze agressie die aanwezig zijn geweest bij verdachte, moet worden afgeleid dat er geen enkel rustmoment is geweest, laat staan een moment van bezinning. De raadsman heeft het hof verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt:

Allereerst dient te worden opgemerkt dat het hof geen enkel motief voor de daden van verdachte heeft kunnen vaststellen. Uit het onderzoek ter terechtzitting en de processtukken is niet gebleken dat verdachte met een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden naar het café is gekomen. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte zonder duidelijke aanleiding [slachtoffer 1] met twee messen in zijn rug stak, waarna hij eveneens zonder duidelijke aanleiding [slachtoffer 2] aanviel en zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] bij herhaling met beide messen heeft gestoken. Verdachte zelf heeft zich ook niet over enig motief uitgesproken.

Voor de vraag of toch sprake kan zijn geweest van voorbedachte raad is van belang of verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Ten aanzien van de handelingen ten opzichte van [slachtoffer 2] is het hof van oordeel dat uit de vorenomschreven feiten blijkt dat deze gedurende één voortdurende heftige gemoedsbeweging zijn gepleegd. De gewelddadige handelingen gepleegd tegenover [slachtoffer 1] blijken een kort moment van onderbreking te hebben gekend. Van enig moment van rust of bezinning gedurende welke verdachte heeft nagedacht over de betekenis en gevolgen van zijn daden, is echter niet gebleken. Het hof overweegt daarbij dat uit de toegebrachte letsels en de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte als een beest tekeer is gegaan. Verdachte heeft [slachtoffer 1] bijeengeteld meer dan twintig keer gestoken en heeft ook [slachtoffer 2] een groot aantal malen in haar armen en rug gestoken. Dit wijst op een staat van ongeremde agressie waarin verdachte gehandeld heeft en niet van enig kalm beraad. Het hof acht derhalve niet aannemelijk dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat verdachte van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken. Op grond van het vorenstaande heeft het hof wel door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. hij op 1 oktober 2004 te Wageningen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] meermalen met messen in het lichaam heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;

2. hij op 1 oktober 2004 te Wageningen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 2] meermalen met messen in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op 1 oktober 2004 te Wageningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en een mobiele telefoon, toebehorende aan [aangever] respectievelijk [slachtoffer 2].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

Doodslag.

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte vanwege het gebruik van flurazepam in combinatie met alcohol en oxazepam ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht voor zijn daden. Volgens de raadsman is bij de beoordeling van de mogelijke gevolgen van het gebruik door verdachte van flurazepam in combinatie met alcohol en oxazepam, door de deskundigen ten onrechte uitgegaan van een lage dosis flurazepam. Volgens de raadsman blijkt uit niets dat het gebruik van flurazepam in combinatie met alcohol niet de verklaring is voor de plotseling opgekomen woede bij verdachte. Het onderzoek is derhalve onvolledig geweest.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het toxicologisch onderzoek, verricht door dr. I.J. Bosman op 6 januari 2005, blijkt onder meer het volgende:

In het bloed en de urine van verdachte is alcohol aangetoond in een concentratie van respectievelijk 0,36 en 0,78 mg/ml. In het bloed zijn lage concentraties oxazepam en desalkylflurazepam aangetoond. In de urine zijn oxazepam, omzettingsproducten van flurazepam, paracetamol en omzettingsproducten van paracetamol aangetoond. Er is tevens een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van ibuprofen.

Op 8 februari 2005 heeft dr. K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, onder meer het volgende gerapporteerd:

De in het bloed van verdachte aangetroffen concentratie van oxazepam is laag. Wanneer ik rekening houd met het tijdsinterval en met de halfwaardetijd van oxazepam, schat ik dat de concentratie van oxazepam in bloed ten tijde van het voorval 0,15 à 0,30 mg/l zal hebben bedragen. Dit is nog steeds een vrij lage concentratie, die al dan niet in combinatie met de aangetoonde concentratie alcohol mogelijk enige versuffing kan hebben veroorzaakt.

Desalkylflurazepam wordt in het bloed aangetroffen na inname van flurazepam. Flurazepam wordt in het lichaam snel omgezet in omzettingsproducten, zoals desalkylflurazepam. De maximale concentratie van desalkylflurazepam wordt geruime tijd na inname van flurazepam bereikt. De concentratie van desalkylflurazepam neemt niet evenredig toe met de ingenomen dosis flurazepam. De concentratie van desalkylflurazepam is niet exact door ons vastgesteld. Om al deze redenen kan uit onze resultaten niet worden geconcludeerd welke dosis verdachte heeft ingenomen.

Door braken wordt de hoeveelheid geneesmiddelen die nog in de maag aanwezig is, gedeeltelijk verwijderd. Er is dan minder geneesmiddel beschikbaar voor absorptie.

Samenvattend kan worden geconcludeerd dat verdachte alcohol, oxazepam, flurazepam, paracetamol en mogelijk ibuprofen heeft gebruikt. Door de effecten van alcohol en oxazepam zal verdachte in enige mate versuft zijn geweest.

Op verzoek van de verdediging hebben twee deskundigen, te weten dr. C.E.P. Dillen en prof. dr. P. Jorens, in hoger beroep onderzoek verricht naar de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte als gevolg van het gebruik van alcohol en medicijnen in combinatie met de persoonlijkheid van verdachte.

Uit het rapport van dr. C.E.P. Dillen van 4 november 2006 blijkt onder meer het volgende:

De normale reactie bij inname van flurazepam is een inductie van slaperigheid, minstens een sloom worden (vertraging) van het denken en handelen.

Het gebruik van benzodiazepines kan uitzonderlijk aanleiding geven tot woede-aanvallen. De combinatie alcohol – benzodiazepine verhoogt het effect van het benzodiazepine. De combinatie alcohol – benzodiazepine zou een sloom worden, een slaperig worden versterken. Deze combinatie gaat het fijn en gecoördineerd motorisch gedrag nadelig beïnvloeden indien in grotere hoeveelheden gebruikt.

De kans dat verdachte ontoerekeningsvatbaar was op grond van het gecombineerd voorkomen van een anterograde amnesie, alsook een paradoxale agressie uitbarsting, beide door het gebruik van flurazepam in combinatie met alcohol, is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uit te sluiten.

Uit het rapport van prof. dr. P. Jorens van 3 november 2006 blijkt onder meer het volgende:

- Oxazepam en desalkylflurazepam zijn benzodiazepines. Benzodiazepines zijn stoffen met een kalmerende, slaapverwekkende en spierverslappende werking.

- Agressief gedrag door inname van benzodiazepines wordt vrijwel steeds gerapporteerd bij gelijktijdige inname van andere psychofarmaca of gekende voorafgaande agressieve ingesteldheid, wat bij verdachte noch het geval noch bekend was.

- Agressief gedrag door benzodiazepines wordt voornamelijk gerapporteerd vroeg bij het instellen van een behandeling, maar verdachte was gewoon deze medicatie in te nemen.

- Bijwerkingen van benzodiazepines komen meer voor bij personen jonger dan negentien jaar of ouder dan vijfenzestig jaar en verdachte behoort niet tot deze leeftijdscategorieën.

- Het optreden van bijwerkingen zoals agressiviteit is juist bij deze twee benzodiazepines (oxazepam en flurazepam) nog lager dan bij andere farmaca uit deze groep, zoals aangetoond in verschillende vergelijkende studies. Vermeldingen op bijsluiters gebeuren door de farmaceutische industrie altijd om de effecten van de hele groep waartoe het geneesmiddel behoort, te beschrijven (in casu de benzodiazepines) en dient dus eerder als een juridische terminologie ter bescherming tegen eventuele claims te worden beschouwd.

- Na de periode van agressie trad geen slaapperiode in, maar juist een periode van alertheid. Een post feit waargenomen slaapperiode wordt als één van de kenmerken voor mogelijk aan benzodiazepines gerelateerd abnormaal gedrag beschouwd.

- Verdachte was reeds gewoon in het verleden de benzodiazepines in te nemen. Er werd nooit melding gemaakt van voorafgaand agressief gedrag. Ontwenningsverschijnselen aan deze benzodiazepines kunnen niet worden ingeroepen, aangezien verdachte juist agressief gedrag en amnesie vertoonde toevallig tijdens de inname van benzodiazepines en niet tijdens ontwenning en anderzijds gewoon was deze middelen in te nemen.

- Verdachte was met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toerekeningsvatbaar op het ogenblik van de beschreven feiten, dat wil zeggen dat de agressie niet alleen en/of voornamelijk kan worden verklaard door de inname van alcohol en in het bijzonder oxazepam en flurazepam.

Uit bovengenoemde deskundigenrapporten blijkt dat het gebruik van flurazepam in combinatie met alcohol en oxazepam de bewuste avond bij verdachte hooguit enige sufheid tot gevolg kan hebben gehad, maar dat het niet aannemelijk is dat dit heeft geleid tot de ongeremde agressie zoals vertoond door verdachte.

Op verzoek van de verdediging is de ex-vriendin van verdachte, [getuige 3], op dit punt nader gehoord door de rechter-commissaris .

[Getuige 3] heeft -zakelijk weergegeven- verklaard dat ze denkt dat verdachte de bewuste avond twee pillen flurazepam had ingenomen. Na inname van de pillen (en vóór het fatale bezoek van verdachte aan café De Vrijheid) heeft verdachte eenmaal overgegeven. Verdachte kwam op [getuige 3] heel normaal over. Hij keek niet wazig uit zijn ogen en zijn coördinatie was goed. Hij was niet anders dan anders en ze had de hele avond niets aan hem gemerkt. Verdachte was hooguit iets slomer, hetgeen vaker voorkwam als verdachte de medicijnen had ingenomen en deze gingen werken. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt eveneens dat verdachte zich die avond normaal gedroeg. Volgens [slachtoffer 2] was verdachte eerder op de avond vrolijk en gedroeg hij zich relaxed .

Gelet op al het vorenstaande acht het hof het niet aannemelijk geworden dat het gebruik van flurazepam, alcohol en oxazepam bij verdachte heeft geleid tot een ongeremde woede-uitbarsting als gevolg waarvan hij [slachtoffer 1] heeft doodgestoken en [slachtoffer 2] ernstig heeft verwond. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Daarnaast heeft het Pieter Baan Centrum op 24 mei 2005 gerapporteerd over de persoon van verdachte. In het rapport, opgemaakt door drs. E.H. Ameling en dr. B. Holscher, is geconcludeerd dat verdachte voor de bewezenverklaarde feiten volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Het hof neemt de conclusies van bovengenoemde deskundigen over en maakt deze tot zijn oordeel.

Het hof ziet geen noodzaak om nader onderzoek te laten verrichten aangaande de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Het hof acht zich in deze voldoende voorgelicht.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting beroepen op algehele amnesie. Hij stelt zich niets meer van de bewezenverklaarde feiten te kunnen herinneren. Het hof hecht hieraan geen geloof, onder verwijzing naar eerder vermelde rapportages waarin tevens is geconcludeerd dat amnesie met betrekking tot de delictsperiode met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uit te sluiten. Er kan theoretisch een anterograde amnesie optreden ten gevolge van een therapeutische dosering flurazepam, zij het dat dit zeer zeldzaam is, maar enkele uitspraken van verdachte over de feiten en zijn gedrag nadien maken dat of de amnesie niet volledig was, wat in tegenspraak is met zijn eigen beweringen hierover, of dat verdachte de amnesie simuleert. Het hof verwijst in dit verband naar de uitspraken die verdachte bij zijn aanhouding (“Ik maak ze allemaal af daar in De Vrijheid, ze hebben mijn vader kapot gemaakt”) en zijn insluiting (“Ik werd kwaad. Dit word ik wel vaker als ik gedronken heb. Maar ik werd nu heel erg kwaad. Ik zag een mes. Ik pakte het mes. Ik stak direct in op die jongen. Het maakt mij allemaal niet meer uit. Ik heb een fout gemaakt, Ik heb twee mensen neergestoken. Ik heb niets te verliezen.”) heeft gedaan, en naar de uitspraken die verdachte enkele dagen na de feiten op het politiebureau tijdens het luchten tegen medearrestanten heeft gedaan (Dat hij een man had doodgestoken en een vrouw in het ziekenhuis lag. Dat hij spijt had dat hij dat gedaan had. Dat hij in het café aan de bar bier had gedronken en toen die jongen had neergestoken. Dat hij het mes later had weggegooid) .

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte heeft op 1 oktober 2004 in café De Vrijheid in Wageningen [slachtoffer 1] met meer dan twintig messteken van het leven beroofd en [slachtoffer 2] met diverse messteken levensgevaarlijk verwond. Tevens heeft hij uit de kassa van het café geld weggenomen en de mobiele telefoon van [slachtoffer 2] weggenomen.

De rechtbank heeft verdachte terzake van doodslag, poging tot doodslag en diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien jaar. De verdachte en de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte terzake van moord, poging tot moord en diefstal wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Het hof acht net als de rechtbank doodslag, poging tot doodslag en diefstal bewezen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en op grond van de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft een 33-jarige man, die nog een heel leven voor zich had, van het leven beroofd. Het slachtoffer is, nadat verdachte hem met meerdere messen meer dan twintig keer in zijn lichaam had gestoken, aan zijn verwondingen bezweken.

Verdachte heeft de familie van het slachtoffer in verbijstering achtergelaten met een verlies waar geen compensatie tegenover staat. Zijn dood heeft voor de nabestaanden onpeilbaar leed met zich gebracht. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een vrijheidsbenemende straf van langere duur in aanmerking komt.

Verdachte heeft daarnaast een 42-jarige vrouw zo ernstig verwond dat zij daardoor voor de rest van haar leven lichamelijk en geestelijk getekend is. Zij is inmiddels voor honderd procent afgekeurd en is nog steeds in therapie om de gebeurtenissen te kunnen verwerken. Naar verwachting gaat het herstel nog jaren duren. Tegenover al dit leed staat een man, te weten verdachte, die weigert de gevolgen van zijn handelen in te zien en hiervoor verantwoordelijkheid te nemen.

Over de persoon van verdachte zijn psychiatrische rapporten uitgebracht. Uit de rapporten komt naar voren dat verdachte volledig verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn daden.

Gelet op al het vorenstaande acht het hof evenals de rechtbank een gevangenisstraf van veertien jaar passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 14.872,66 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.582,06. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [nabestaande slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.057,20 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 436,84. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [slachtoffer 2] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van

€ 4.582,06 (vierduizend vijfhonderdtweeëntachtig euro en zes cent).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 2], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 780,00 (zevenhonderdtachtig euro).

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 4.582,06 (vierduizend vijfhonderdtweeëntachtig euro en zes cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 52 (tweeënvijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [nabestaande slachtoffer 1] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [nabestaande slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 436,84 (vierhonderdzesendertig euro en vierentachtig cent).

Verklaart de benadeelde partij, [nabestaande slachtoffer 1], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [nabestaande slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 436,84 (vierhonderdzesendertig euro en vierentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr H. Abbink, voorzitter,

mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr H.G. Leentvaar-Loohuis, griffier,

en op 8 maart 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.