Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA0155

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
2006/027
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vivare heeft aan appellante verhuurd een woonwagenstandplaats, als bedoeld in artikel 6: 236 Burgerlijk Wetboek (BW), waartoe een berging/sanitaire unit behoort. [..] Op 24 november 2003 heeft de politie in een tuinhuis en een loodsje op of bij de standplaats een hennepkwekerij aangetroffen met 261 planten. Er werd illegaal stroom afgetapt. Appellante heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zij, voordat de kwekerij werd aangetroffen, met haar partner A. heeft samengewoond in de woonwagen op de standplaats. Daaraan voegde zij toe dat zij wegens relatieproblemen van 10 september 2003 tot 4 december 2003 niet in haar woonwagen, maar elders heeft gewoond. A. bleef volgens haar achter in de woonwagen (conclusie van antwoord onder 16). Zij stelt niets te maken te hebben met de hennepkwekerij en niet op de hoogte te zijn geweest van de aanwezigheid daarvan; het is A. die de kwekerij heeft opgericht en die is opgepakt door de politie.[..] Door aldus A. tot dit gebruik in staat te stellen, is appellante voor die gedragingen van A. aansprakelijk op grond van artikel 7:219 BW. De kantonrechter heeft dus terecht aan deze erkentenis de conclusie verbonden dat A. met goedvinden van appellante het gehuurde gebruikte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 februari 2006

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/00027

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr S.I. Henry,

tegen:

de stichting Stichting Vivare,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

procureur: mr J.E. Brands.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 14 februari, 18 april en 14 november 2005, die in fotokopie aan dit arrest zijn gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 12 december 2005 heeft appellante, [appellante], aan geïntimeerde, Vivare, aangezegd in hoger beroep te komen tegen het vonnis van 14 november 2005 en heeft zij haar gedagvaard voor dit hof. Zij vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en Vivare alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar de vordering zal ontzeggen, met haar veroordeling in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] na te melden grieven aangevoerd en heeft zij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Vivare het hoger beroep bestreden en heeft zij geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

Daarna is arrest gevraagd.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1 Het hof gaat uit van het volgende. Vivare heeft aan [appellante] verhuurd een woonwagenstandplaats, als bedoeld in artikel 6: 236 Burgerlijk Wetboek (BW), waartoe een berging/sanitaire unit behoort. Toepasselijk zijn de Algemene Huurvoorwaarden voor een standplaats van 11 augustus 1995. Het gehuurde is krachtens de huurovereenkomst bestemd om te worden gebruikt als standplaats voor een woonwagen, die voldoet aan de wettelijke eisen voor doeleinden, als berging en voor huishoudelijke doeleinden.

Op 24 november 2003 heeft de politie in een tuinhuis en een loodsje op of bij de standplaats een hennepkwekerij aangetroffen met 261 planten. Er werd illegaal stroom afgetapt.

3.2 [appellante] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zij, voordat de kwekerij werd aangetroffen, met haar partner [A.] heeft samengewoond in de woonwagen op de standplaats. Daaraan voegde zij toe dat zij wegens relatieproblemen van 10 september 2003 tot 4 december 2003 niet in haar woonwagen, maar elders heeft gewoond. [A.] bleef volgens haar achter in de woonwagen (conclusie van antwoord onder 16). Zij stelt niets te maken te hebben met de hennepkwekerij en niet op de hoogte te zijn geweest van de aanwezigheid daarvan; het is [A.] die de kwekerij heeft opgericht en die is opgepakt door de politie.

3.3 De kantonrechter heeft, na een tussenvonnis waarin Vivare belast werd met het bewijs dat [A.] met goedvinden van [appellante] het tuinhuisje respectievelijk de loods heeft gebruikt, bij eindvonnis de huurovereenkomst ontbonden en [appellante] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde op grond dat [appellante] is tekortgeschoten in haar verplichting als huurder, doordat zij [A.] heeft toegestaan het gehuurde te gebruiken als hennepkwekerij. De kantonrechter achtte haar daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 7: 219 B.W. en verwees voorts naar een vonnis van 14 november 2005 in de zaak tegen [A.]. Dit vonnis bevindt zich niet bij de stukken.

3.4 [appellante] voert als bezwaren tegen het eindvonnis in de eerste plaats aan dat artikel 7:219 BW hier niet van toepassing is. [A.] is volgens haar niet achtergebleven in haar woonwagen toen zij tijdelijk elders verbleef; hij verbleef in een eigen woonwagen op een nabij gelegen standplaats. [appellante] herhaalt niets te hebben geweten van de hennepkwekerij. Verder heeft de kantonrechter naar haar mening ook ten onrechte Vivare in het gelijk gesteld, omdat het gevraagde bewijs niet was geleverd. Tenslotte betwist [appellante] dat de loods en het tuinhuisje deel uitmaken van het gehuurde.

3.5 Op grond van de erkentenis in eerste aanleg dat [A.] in de woonwagen achterbleef (conclusie van antwoord onder 16) staat vast dat [appellante] heeft goedgevonden dat [A.] in het gehuurde verbleef. Indien niet (mede) [appellante], maar alleen [A.] de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd (zoals [appellante] heeft gesteld), heeft [A.] gebruik gemaakt van het gehuurde in strijd met een contractuele en bovendien wettelijke verplichting om het gehuurde te gebruiken overeenkomstig de woonbestemming. Door aldus [A.] tot dit gebruik in staat te stellen, is [appellante] voor die gedragingen van [A.] aansprakelijk op grond van artikel 7:219 BW. De kantonrechter heeft dus terecht aan deze erkentenis de conclusie verbonden dat [A.] met goedvinden van [appellante] het gehuurde gebruikte.

3.6 Weliswaar herroept [appellante] in hoger beroep deze erkentenis, maar dat kan in de gegeven omstandigheden niet worden aanvaard. Dat zou alleen mogelijk zijn, indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd (artikel 154, lid 2, Rv.). Aangezien [appellante] daaromtrent niets heeft gesteld is dit laatste niet aannemelijk.

3.7 Dat de kantonrechter bewijs heeft opgedragen en dat Vivare geen getuigen heeft doen horen staat niet in de weg aan de latere beslissing dat [appellante] heeft gehandeld in strijd met artikel 7:219 BW. De bewijsopdracht is geen eindbeslissing waarop de kantonrechter niet mocht terugkomen. De kantonrechter is blijkbaar zonder getuigen te horen tot het oordeel gekomen dat [appellante] had gehandeld in strijd met artikel 7:219 en dat stond de kantonrechter vrij.

3.8 De loods behoorde blijkbaar tot het gehuurde, zoals blijkt uit de niet betwiste tekening die behoort bij het proces-verbaal van comparitie ter plaatse. Wat het tuinhuisje betreft geldt dat [appellante] in eerste aanleg heeft erkend dat dit tot het gehuurde behoorde (conclusie van antwoord onder 6). Ook hier geldt dat zij deze erkentenis niet kan herroepen zonder gegronde reden. Het argument dat de loods en het tuinhuisje geen deel uitmaken van het gehuurde gaat daarom zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet op.

3.9 De slotsom luidt dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep;

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Vivare gevallen en tot deze uitspraak begroot op € 244,- vastrecht en € 894,- salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs Fokker, Van Loo en Prakke-Nieuwenhuizen in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2007.