Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:BA0018

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
2006/271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag waar het in het onderhavige geschil in het incident om gaat is of appellanten jegens geïntimeerden onder 1 tot en met 4 recht hebben op inzage, afschrift of uittreksel van a. de notulen van de vergaderingen van de raden van bestuur en raden van commissarissen van de desbetreffende geïntimeerde voor zover gehouden in de jaren 1997, 1998 en 2001 en voor zover betrekking hebbend op de transacties genoemd onder 27 van de memorie van grieven en op de verkoop door geïntimeerde onder 2 van aandelen Baan in genoemde jaren; b. de notulen en presentielijst van de algemene vergadering van aandeelhouders van Baan gehouden op 21 november 2001.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 277
JOR 2007/136 met annotatie van P.J. van der Korst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 februari 2007

eerste civiele kamer

rolnummer 2006/271

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest in het incident ex art. 843a Rv

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

(...)

207. [appellant sub 207],

appellanten,

eisers in het incident,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen:

1.de naamloze vennootschap

Baan Company N.V. in liquidatie,

gevestigd te Barneveld,

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

procureur: mr. J.M. Bosnak, en

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Vanenburg Group B.V.,

gevestigd te Putten,

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

3.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Vanenburg Business Systems Holding B.V.,

gevestigd te Barneveld,

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

4.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Vanenburg Business Systems Central Europe Holding B.V.,

gevestigd te Putten,

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

procureur: mr. F.P. Lomans, en

5.[geïntimeerde sub 5],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

6.[geïntimeerde sub 6],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. M.P.H. Winters.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 27 september 2001, 23 maart 2005 en 23 november 2005 die de rechtbank te Arnhem tussen appellanten en anderen als eisers en geïntimeerden als gedaagden heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 22 februari 2006 hebben appellanten aangezegd van de vonnissen van 23 maart 2005 en 23 november 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van geïntimeerden voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben appellanten 11 grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden en 48 producties in het geding gebracht. Zij hebben gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad de bestreden vonnissen zal vernietigen en voor recht zal verklaren:

- dat geïntimeerde sub 1 door het doen van de mededelingen (afzonderlijk althans gezamenlijk) genoemd onder 33, 34 en 36 van de memorie van grieven in de periode van 19 maart 1996 tot 1 september 1999 jegens iedere appellant afzonderlijk in strijd met de op haar rustende mededelings- en informatieplicht en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld;

- dat geïntimeerde sub 1 door het niet vermelden in de jaarstukken 1997 en 1998 van de feiten en omstandigheden genoemd onder 27 van de memorie van grieven jegens iedere appellant afzonderlijk in strijd met de op haar rustende mededelings- en informatieplicht en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld;

- dat geïntimeerde sub 5 door het doen van mededelingen (afzonderlijk althans gezamenlijk) genoemd onder 33, 34 en 36 van de memorie van grieven in de periode van 19 maart 1996 tot 1 september 1999 jegens iedere appellant afzonderlijk onrechtmatig heeft gehandeld;

- dat geïntimeerde sub 6 door het doen van mededelingen (afzonderlijk althans gezamenlijk) genoemd onder 33, 34 en 36 van de memorie van grieven in de periode van 19 maart 1996 tot 1 september 1999 jegens iedere appellant afzonderlijk onrechtmatig heeft gehandeld;

- dat geïntimeerden sub 2, 3, 4, 5 en 6 zich ieder individueel door het verkopen van aandelen in geïntimeerde sub 1 in de periode van 19 maart 1996 tot 1 september 1999 jegens iedere appellant afzonderlijk ongerechtvaardigd hebben verrijkt;

en voorts dat het hof geïntimeerden hoofdelijk zal veroordelen aan iedere appellant afzonderlijk een schadevergoeding te voldoen gelijk aan het bedrag vermeld naast de naam van de desbetreffende appellant in de dagvaarding in eerste aanleg, subsidiair aan de desbetreffende appellant te voldoen een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, met hoofdelijke veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten in beide instanties.

2.3 Bij dezelfde memorie hebben appellanten op grond van artikel 843a Rv incidenteel gevorderd dat het hof geïntimeerden sub 1, 2, 3 en 4 zal veroordelen tot het aan appellanten afzonderlijk verstrekken van inzage in:

- de notulen van de vergaderingen van de raden van bestuur en raden van commissarissen van de desbetreffende geïntimeerde voor zover gehouden in de jaren 1997, 1998 en 2001 en voor zover betrekking hebbende op:

(i) de transacties genoemd onder 27 van de memorie van grieven;

(ii) de verkoop door geïntimeerde sub 2 van aandelen Baan in genoemde jaren;

- de notulen en presentielijst van de algemene vergadering van aandeelhouders van Baan gehouden op 21 november 2001;

met hoofdelijke veroordeling van [bedoeld zal zijn:] geïntimeerden sub 1 tot en met 4 in de kosten van het incident.

2.4 Bij akte intrekking appèl hebben vervolgens 141 van de oorspronkelijke 348 appellerende partijen aangegeven de appèlprocedure niet te willen voortzetten.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incident hebben geïntimeerden sub 1 tot en met 4 verweer gevoerd tegen de incidentele vordering als genoemd onder 2.3 en geconcludeerd dat het hof bij arrest (uitvoerbaar bij voorraad) appellanten niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering, althans hen deze zal ontzeggen met hoofdelijke veroordeling van appellanten in de kosten van het incident.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1 De vraag waar het in het onderhavige geschil in het incident om gaat is of appellanten jegens geïntimeerden onder 1 tot en met 4 recht hebben op inzage, afschrift of uittreksel van

a. de notulen van de vergaderingen van de raden van bestuur en raden van commissarissen van de desbetreffende geïntimeerde voor zover gehouden in de jaren 1997, 1998 en 2001 en voor zover betrekking hebbend op de transacties genoemd onder 27 van de memorie van grieven en op de verkoop door geïntimeerde onder 2 van aandelen Baan in genoemde jaren;

b. de notulen en presentielijst van de algemene vergadering van aandeelhouders van Baan gehouden op 21 november 2001.

3.2 Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 843a Rv van een algemeen recht op inzage van bescheiden jegens degeen die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, geen sprake is. Een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden kan slechts worden toegewezen indien aan alle voorwaarden van het eerste lid van die bepaling is voldaan. Dit betekent dat de eiser in elk geval een rechtmatig belang moet hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel en dat hij inzage, afschrift of uittreksel moet vorderen van een bepaalde onderhandse akte of bepaalde andere bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, waaronder ook een rechtsbetrekking valt die is ontstaan uit onrechtmatige daad (vgl. Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 554).

3.3 Het hof is van oordeel dat appellanten – behoudens voor zover zij inzage vorderen in de notulen en presentielijst van de algemene vergadering van aandeelhouders van Baan gehouden op 21 november 2001 – reeds niet hebben voldaan aan de in lid 1 van genoemde bepaling vervatte eis voldoende concreet te specificeren in welke documenten zij inzage verlangen. Appellanten hebben namelijk slechts in zeer algemene bewoordingen en zonder voldoende onderbouwing inzage gevorderd van niet nader gepreciseerde notulen van in de jaren 1997, 1998 en 2001 gehouden vergaderingen van de raden van bestuur en commissarissen van geïntimeerden onder 1 tot en met 4 voor zover die notulen betrekking zouden hebben op bepaalde transacties die in de jaren 1997 en 1998 hebben plaatsgehad. Reeds daarom moet de vordering van appellanten in zoverre worden afgewezen.

3.4 Ten aanzien van de gevorderde inzage in de notulen en presentielijst van de Algemene vergadering van aandeelhouders van Baan, gehouden op 21 november 2001, overweegt het hof dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt, nu appellanten in de hoofdzaak onder meer ageren op grond van onrechtmatige daad, het stuk waarvan zij inzage, afschrift of uittreksel vorderen zeer concreet hebben gespecificeerd en gelet op de (feitelijke) grondslag van hun vordering in de hoofdzaak en het door hen in dat verband gedane bewijsaanbod een rechtmatig belang hebben bij hun vordering in het incident. Nu deze vordering betrekking heeft op stukken van de aandeelhoudersvergadering van geïntimeerde sub 1. en appellanten geen stellingen hebben aangevoerd waaruit volgt dat de vordering ook jegens (een van) de andere geïntimeerden toewijsbaar kan zijn, zal het hof de vordering slechts jegens geïntimeerde sub 1. toewijzen. In dat verband dient ook opgemerkt te worden dat geïntimeerde sub 1. niet gemotiveerd heeft aangegeven dat en waarom zij niet over deze specifieke stukken zou beschikken, terwijl de door haar genoemde periode van zeven jaar waarin haar bewaarplicht geldt, nog niet is verstreken. Voor zover geïntimeerde onder 1 heeft gesteld dat deze vordering moet worden afgewezen omdat de notulen en de presentielijst van deze vergadering op geen enkele wijze zouden kunnen bijdragen tot het bewijs dat appellanten stellen met behulp daarvan te willen leveren, kan het hof haar in dit verweer niet volgen, reeds omdat het hof daarmee een prognose zou geven over de waarde die aan een eventuele bewijslevering door appellanten terzake zou moeten worden toegekend. Voor zover geïntimeerde onder 1 daarnaast heeft gesteld dat individuele aandeelhouders geen rechtmatig belang hebben bij inzage in de betrokken notulen, verwerpt het hof dit betoog eveneens, reeds omdat appellanten niet primair inzage in de betrokken notulen vorderen in hun hoedanigheid van aandeelhouders maar dit primair doen als gelaedeerden van een onrechtmatige daad.

3.5 Geïntimeerde onder 1 heeft (subsidiair) verzocht, voor het geval dat het hof de incidentele vordering (onder meer) jegens haar voor toewijzing vatbaar acht en zij over de betrokken notulen beschikt, te bepalen dat zij aan een door het hof te benoemen onpartijdige persoon deze notulen en een door haar op te stellen uittreksel uit de betrokken notulen zal dienen te verstrekken met het verzoek vast te stellen of het betrokken uittreksel volledig alle delen van de betrokken notulen bevat waarin de in paragraaf 47 [bedoeld zal zijn: 45] onder (i) tot en met (iii) van de memorie van grieven vermelde onderwerpen aan de orde zijn, zodat de vertrouwelijkheid van andere delen van de notulen gewaarborgd kan worden. Nu het hof de memorie van grieven op dit punt zo begrijpt dat slechts het in paragraaf 45 van de memorie van grieven onder (iv) gestelde betrekking heeft op de notulen en presentielijst van de algemene vergadering van aandeelhouders van Baan, gehouden op 21 november 2001, en de vordering van appellanten slechts op dit punt zal worden toegewezen, zal het hof dit laatste doen zonder de door geïntimeerde onder 1 verzochte restrictie.

4 De slotsom

Op grond van het voorgaande moet de vordering van appellanten tegen geïntimeerde sub 1. worden toegewezen voor zover deze betrekking heeft op de onder 3.1 sub b omschreven stukken en moet deze voor het overige worden afgewezen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het (eind)arrest in de hoofdzaak.

5 De beslissing

Het hof, recht doende:

in het incident

wijst de vordering jegens geïntimeerde onder 1 toe voor zover deze betrekking heeft op de onder 3.1 sub b omschreven stukken;

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan totdat daarover bij arrest zal worden beslist;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de hoofdzaak

verwijst onderhavige zaak naar de rol van 27 maart 2007 voor memorie van antwoord, ambtshalve peremptoir;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Mannoury, Van der Kwaak en Van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2007.