Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:AZ9398

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-02-2007
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
21-000094-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-000094-06

Uitspraak d.d.: 27 februari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 22 december 2005 in de strafzaak tegen

[NAAM VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 juni 2006, 8 november 2006 en 13 februari 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting opgegeven dat het Openbaar Ministerie geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde werd vrijgesproken, zodat het hof verstaat dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan zijn oordeel onderworpen vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage IIa en voor de inhoud van de wijziging van de tenlastelegging bijlage IIb)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 2 onder I primair en subsidiair en onder II primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 2 onder II subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting is het navolgende vast komt te staan:

• uit de door verdachte ingediende belastingaangiften betrekking hebbend op de jaren 1998 tot en met 2002 volgt dat verdachte toen een WAO-uitkering had van GAK Nederland BV;

• volgens een notariële akte van geldlening, gedateerd 19 november 1999 heeft verdachte op 4 oktober 1999 ƒ 360.000,-- geleend aan zijn zoon [naam zoon];

• verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

- Hij heeft vanaf 1999 meerdere malen geld geleend aan zijn zoon [naam zoon].

- Hij heeft vele malen bij wisselkantoortjes bedragen van ongeveer ƒ 2.000,-- gewisseld in Amerikaanse dollars.

- Deze contanten in Amerikaanse dollars heeft hij in 2000 “in plukjes” in Israël op een door hem bij de Israël Discount Bank geopende rekening gestort.

• op 27 januari 2002 bedraagt het saldo op de rekening van verdachte bij de Israël Discount Bank blijkens een computeruitdraai $ 461.659,95 (zaaksdossier 9 p. 525).

Verdachte heeft zowel ter terechtzitting als bij de politie verklaard dat een groot deel van het geld dat hij aan zijn zoon [naam zoon] had uitgeleend en dat zich op zijn rekening bij de Israël Discount Bank bevond, afkomstig was van gokwinsten.

Het hof acht laatstgenoemd deel van de verklaring van verdachte kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te bemantelen. Dit oordeel is gebaseerd op het navolgende:

1. [Naam zoon], zoon van verdachte, heeft als getuige ter terechtzitting van het hof van 8 november 2006 verklaard:

”Ik kan mij niet herinneren dat ik geld van mijn vader heb geleend”.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij meerdere malen aan zijn zoon geldbedragen heeft geleend.

2. Naar aanleiding van de verklaringen van verdachte over zijn gokwinsten heeft prof. dr. B.B. van der Genugten, als hoogleraar statistiek verbonden aan de Universiteit van Tilburg, op verzoek van de officier van justitie onderzoek verricht.

De vraagstelling was aan de hand van de gegevens in het dossier te bezien of het mogelijk en/of waarschijnlijk is dat verdachte, nader aan te duiden als speler A door gokken in Holland Casino’s over de aangegeven periode een bedrag heeft kunnen winnen van (ongeveer) ƒ 975.000,-- met voornamelijk het spel Punto Banco en (incidenteel) Amerikaans roulette.

Prof. dr. Van der Genugten komt in zijn brief d.d. 15 november 2004 onder meer tot de volgende bevindingen:

“Voor een concrete kansberekening heb ik mij beperkt tot de periode 1997 t/m 2000 omdat de gegevens in het proces-verbaal daarover het meest uitvoerig zijn. (…)

De winst in die periode is te schatten op € 270.000,-- en die winst zou (vrijwel geheel) behaald zijn met Punto Banco. De kans op een dergelijke winst of meer is dan hoogstens 1 x 10-43 , een getal kleiner dan de kans om 5x achtereen de jackpot in de Nederlandse lotto te winnen. Vanzelfsprekend is alleen de orde van grootte van deze kans van belang. In ieder geval is de gevraagde kans onvoorstelbaar klein.

Op basis van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat het uitermate onwaarschijnlijk is dat persoon A het aangegeven bedrag heeft gewonnen.”

3. Prof. dr. Van der Genugten is op verzoek van de verdediging als deskundige ter terechtzitting gehoord. Hij heeft onder meer verklaard:

”Bij Amerikaanse roulette ligt het gemiddelde verlies, welke strategie je ook speelt, tussen de 1,3 % en 2,7 %. Wanneer de inzet hoog is en het aantal spelrondes laag is, is de kans groter om tot winst te komen. Verdachte zette matig in. Bij Punto Banco zou je in theorie door kaarten te tellen bij 1 op de 170 spellen in het voordeel zijn. De kans is dan nog verwaarloosbaar klein om tot winst te komen. Het is uitermate onwaarschijnlijk om met het grote aantal spellen dat verdachte heeft gespeeld een dergelijke bedrag te winnen. In dit geval durf ik wel te stellen dat dit volstrekt niet kan.”

4. Ter terechtzitting is verdachte geconfronteerd met het rapport en de verklaring ter zitting van prof. dr. Van der Genugten dat het onmogelijk is dat hij in de betreffende periode de door hem genoemde bedragen als winsten in het casino heeft verworven. Verdachte heeft daarop met grote nadruk volhard in zijn standpunt dat de gelden met gokken in het casino zijn verdiend. Hij heeft daarnaast geen enkele poging gedaan om inzicht te geven in enige (andere) herkomst, laat staan in de (mogelijk) legale herkomst van het bij hem in bezit zijnde geld.

5. Artikel 420bis, eerste lid sub b van het Wetboek van Strafrecht luidt:

“Als schuldig aan witwassen wordt gestraft (…) hij die een voorwerp, verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf”.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 september 2005 LJN AT4094 overwogen:

“Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 28 september 2004, LJN AP2124 moet op grond van doel en strekking van art. 420bis Sr en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.”

Naar het oordeel van het hof zijn de in de tenlastelegging genoemde “geldbedragen” afkomstig uit enig misdrijf in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Gelet immers op de leugenachtige verklaring van verdachte en de eerder genoemde vaststaande feiten, te weten dat verdachte slechts een WAO-uitkering genoot en dat hij beschikte over grote geldbedragen, die door hem gefaseerd in contanten naar Israël werden overgebracht om daar op zijn rekening van Israël Discount Bank te worden gestort, is het hof van oordeel dat het bij een groot deel van het geld op die Israëlische rekening gaat om geld waarvan het bestaan en de herkomst verborgen moet blijven. De mogelijkheid dat het geld ook legaal verkregen zou kunnen zijn is volstrekt onwaarschijnlijk. Daarom kan het niet anders zijn dan dat het onderhavige geld -middellijk of onmiddellijk - onder de gegeven omstandigheden uit enig misdrijf afkomstig is.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte een groot geldbedrag voorhanden heeft gehad dat van misdrijf afkomstig was. Dergelijke feiten dienen krachtig te worden bestreden omdat voorkomen dient te worden dat criminele gelden deel gaan uitmaken van het normale economische verkeer. Op een dergelijk misdrijf kan derhalve niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van enige duur. In het voordeel van verdachte laat het hof meewegen dat hij nog niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Gelet op de leeftijd van verdachte en om hem ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan soortgelijke feiten schuldig te maken, zal een gedeelte van de straf voorwaardelijk worden opgelegd. Naast een gevangenisstraf wordt een geldboete van aanzienlijke omvang voor het onderhavige delict passend geacht. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte niet meer over middelen zou beschikken om een geldboete te betalen. Het hof is van oordeel, hoewel door de advocaat-generaal geen vervangende hechtenis is gevorderd, dat er geen reden is om in dit geval geen vervangende hechtenis bij de geldboete op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat, dat het door het Openbaar Ministerie ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis waarvan beroep waarbij verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde werd vrijgesproken.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 onder I primair en subsidiair en onder II primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 2 onder II subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 357 (driehonderdzevenenvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 255 (tweehonderdvijfenvijftig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr J.W.P. Verheugt, voorzitter,

mr H.G.W. Stikkelbroeck en mr R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr S.G.M. Schellekens, griffier,

en op 27 februari 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.