Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:AZ8920

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
2005/1280
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afrekening op grond van huwelijkse voorwaarden inhoudend verrekenbeding dat niet is nagekomen, uitleg begrip inkomen uit arbeid in de huwelijkse voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 januari 2007

Familiekamer

Rekestnummer 1280/2005

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal beroep,

verweerder in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

verder te noemen “de man”,

procureur mr. W.D. Huizinga,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal beroep,

verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr. L. Paulus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

23 april 2003 (uitgesproken onder zaaknummer 76482 FARK 02-1593), 8 juli 2004,

30 september 2004 en 27 september 2005, uitgesproken onder zaaknummer 85814 FARK 03-1314.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 23 december 2005, is de man in hoger beroep gekomen van voor¬melde be¬schik¬kingen van 8 juli 2004 en 27 september 2005. De man verzoekt het hof die be¬schik¬kingen te vernietigen en opnieuw beschikkende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

a. primair:

De vorderingen van de vrouw betreffende de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden af te wijzen respectievelijk te bepalen dat de verrekeningsvordering van de vrouw op de man een bedrag beloopt van € 2.268,90;

b. subsidiair:

De verrekeningsvordering vast te stellen overeenkomstig de onder 6.7 van het beroepschrift genoemde methode althans een door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 januari 2006, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestre¬den. Daarbij heeft de vrouw tevens voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld, uitsluitend voor het geval het hof de door de man bestreden beschikkingen zal vernietigen en zal vaststellen dat aan de vrouw een lager bedrag toekomt dan de rechtbank in de eindbeschikking van

27 september 2005 heeft vastgesteld. De vrouw verzoekt het hof zowel de primaire als de subsidiaire vordering van de man af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, voor zover nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden, althans voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat aan de vrouw een bedrag van € 276.935,90 toekomt.

2.3 Daarop heeft de man in het voorwaardelijk incidenteel beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 16 februari 2006, waarin hij het hof verzoekt om het verzoek in het voorwaardelijk incidenteel beroep af te wijzen, dan wel ongegrond te verklaren, dan wel de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar voorwaardelijk incidenteel beroep, met veroordeling van de vrouw in de kosten daarvan.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2006 plaats¬gevon¬den. Partijen zijn in persoon versche¬nen, de man bijgestaan door mr. M.T.L.M. Gieskes, advocaat te Zwolle, en de vrouw bijge¬staan door mr. P.T. Verburg, eveneens advo¬caat te Zwolle.

2.5 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een per fax verzonden brief van 2 november 2006 van de procureur van de man met daarbij gevoegd een brief van mr. Gieskes van 1 november 2006 met bijlage en een per fax verzonden brief van 9 november 2006 met bijlage van mr. Verburg.

3 De vaststaande feiten

3.1 Partijen zijn op 17 mei 1990 met elkaar gehuwd. Bij voormelde beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 april 2003 is de echtschei¬ding tussen hen uitge¬sproken en is aan de vrouw ten laste van de man een uitkering strekkende tot levensonderhoud toegekend van € 3.500,= per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De echtscheidingsbeschikking is op 24 juni 2003 inge¬schre¬ven in voormelde regis¬ters. Uit het huwelijk van partijen zijn geen kinderen geboren.

3.2 Partijen zijn onder huwelijksvoorwaarden met elkaar gehuwd. De akte van huwelijksvoorwaarden luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1.

De echtgenoten zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel; elke andere gemeenschap van goederen is tussen hen uitgesloten.

Artikel 2.

1. Tot de gemeenschap van inboedel behoren alle inboedelgoederen der echtgenoten, onverschillig door wie, wanneer of op welke wijze verkregen, alsmede hetgeen voor die inboedelgoederen in de plaats treedt.

Van de gemeenschap van inboedel zijn uitgesloten die inboedelgoederen die als aanbreng van een echtgenoot op de hierna te noemen staat van aanbrengsten vermeld zijn.

2. Onder inboedelgoederen wordt verstaan huisraad en tot stoffering en meubilering van de woning of woningen van de echtgenoten dienende roerende zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard, een en ander als bedoeld in artikel 88 boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

(...)

Kosten huishouding

Artikel 8.

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding (...) worden voldaan uit de netto-inkomsten uit arbeid van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan; voorzover deze inkomsten ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan.

2. Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf.

3. Onder netto-inkomsten uit arbeid wordt verstaan de inkomsten uit arbeid na aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing- volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen

Indien de totaal verschuldigde belasting op inkomen mede omvat inkomstenbestanddelen, niet begrepen onder de inkomsten uit arbeid, wordt de door deze inkomensbestanddelen meer verschuldigde belasting dan zonder het bestaan van deze inkomensbestanddelen niet in de aftrek begrepen.

Onder netto-vermogen wordt verstaan het vermogen onder aftrek van alle belasting op inkomen en de over het vermogen verschuldigde belasting op vermogen.

4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

(...)

Verrekening van inkomsten

Artikel 11.

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 8, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld.

Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen gecompenseerd tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van de netto-inkomsten uit arbeid van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.

(...)

Artikel 14.

Geen verrekening heeft plaats:

a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;

(..).”

3.3 Partijen hebben tijdens hun huwelijk geen uitvoering gegeven aan het verrekenbeding.

3.4 De man is architect en directeur/enig aandeelhouder van [A] B.V. en [B] B.V. Hij genoot tijdens het huwelijk inkomsten uit voormelde vennootschappen en inkomsten uit zijn werk als architect. Sinds 1997 is de man gepensioneerd.

3.5 De echtelijke woning, gelegen aan de [adres], waarin partijen laatstelijk hebben samengewoond, is eigendom van de man. De man heeft deze woning ontworpen en laten bouwen op een door hem na de huwelijkssluiting verworven perceel grond. De rente over de aan de woning verbonden hypothecaire leningen (van F. Van Lanschot Bankiers N.V. en [A] B.V.) is steeds door de man voldaan. De man heeft tijdens het huwelijk van partijen bedragen afgelost op de hypothecaire schulden.

3.6 De vrouw heeft de voormalige echtelijke woning op 7 februari 2002 verlaten.

3.7 De vrouw heeft een deel van de gemeenschappelijke inboedel in haar bezit. De rest is bij de man achtergebleven. De man heeft ter zake van zijn overbedeling te dien aanzien een bedrag van € 7.500,= aan de vrouw voldaan.

4 De motivering van de beslissing

4.1 In deze zaak is aan de orde op welke wijze de tussen partijen bij akte overeengekomen huwelijksvoorwaarden dienen te worden afgewikkeld. Het gaat met name om de omvang en de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel en de verrekening van de overgespaarde netto-inkomsten uit arbeid.

4.2 De rechtbank heeft bij haar eindbeschikking van 27 september 2005 de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 276.935,90 ter zake van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden te voldoen (bestaande uit een bedrag van

€ 5.000,= wegens verdeling van de inboedel, een bedrag van € 2.268,90 wegens verrekening van overgespaard inkomen en een bedrag van € 269.667,= wegens verrekening van de overwaarde van de voormalig echtelijke woning), met compensatie van de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat de verrekeningsverplichting tussen hen bestaat over de periode van 17 mei 1990 tot 7 februari 2002 (de datum waarop de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten en waarna ingevolge artikel 14 sub a van de huwelijksvoorwaarden geen verrekening plaats heeft).

In het principaal hoger beroep:

4.4 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over een resterende betaling van € 3.750,= van de man aan de vrouw, naast het bedrag van € 7.500,= dat de man reeds aan de vrouw heeft voldaan, ter zake van overbedeling van de man ten aanzien van de verdeling van de inboedel. Grief I in het principaal hoger beroep behoeft dan ook geen bespreking meer.

4.5 Partijen verschillen van mening over wat onder het begrip “inkomsten uit arbeid” zoals vermeld in de huwelijksvoorwaarden moet worden verstaan.

Onder inkomsten uit arbeid worden blijkens artikel 8 lid 2 van de huwelijksvoorwaarden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf. De uitleg van dit artikel van de huwelijksvoorwaarden dient te geschieden aan de hand van het Haviltex-criterium, dat wil zeggen aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan dit artikel mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad 6 oktober 2006, R05/142HR, LJN: AX8847).

4.6 De man stelt dat onder inkomsten uit arbeid slechts zijn begrepen de inkomsten die gerelateerd zijn aan zijn werkzaamheden als architect en niet de inkomsten die hij heeft verkregen uit [A] B.V. (pleitnotities mr. Gieskes, onder 1).

De vrouw stelt dat onder inkomsten uit arbeid (ook) moet worden verstaan het salaris dat de man ontving van [A] B.V.

4.7 Het hof is met de vrouw van oordeel dat de inkomsten die de man ontving van [A] B.V. moeten worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid, zoals bedoeld in artikel 8 lid 2 van de huwelijksvoorwaarden. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. De tekst van voormeld artikel van de huwelijksvoorwaarden sluit, zoals de vrouw terecht betoogt (zie onder meer de brief van haar zijde aan de rechtbank van 19 mei 2004 (productie 23 bij verzoekschrift in hoger beroep)), aan bij het fiscale inkomensbegrip, dat wil zeggen inkomsten uit arbeid die onder de loonbelasting vallen, zoals onder meer salaris van een werkgever, pensioen en sociale uitkeringen, en winst uit onderneming. Die tekst duidt derhalve op een ruimere betekenis dan de man daaraan toekent, nu ook het begrip inkomsten uit arbeid daarin niet expliciet in de door de man bepleite zin is beperkt.

De man heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat bij de totstandkoming van de huwelijksvoorwaarden tussen partijen is besproken dat uitsluitend inkomsten gerelateerd aan zijn werkzaamheden als architect onder het begrip inkomsten uit arbeid vallen. De vrouw heeft daarop weliswaar erkend dat de bedoeling tussen partijen was dat zij geen aanspraak op het (bedrijfs)vermogen van de man zou hebben, echter zij heeft die stelling van de man overigens bestreden.

De man verwijst in dit verband naar zijn brief van 24 maart 1990 aan notaris De Waard, die zijn diensten ten aanzien van de huwelijksvoorwaarden heeft verleend (productie 37 bij verzoekschrift in hoger beroep). Deze brief baat de man niet. Niet alleen is tegenover de betwisting van de vrouw niet komen vast te staan dat de vrouw van de inhoud daarvan kennisdroeg. Bovendien mist de in die brief door de man jegens de notaris opgeworpen vraag: “winst uit zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf behelst toch niet de winst van de Holding of werkmij.? Want dat laatste is niet de bedoeling.” voldoende betekenis, omdat immers niet in debat is dat die winst niet voor verrekening in aanmerking komt. De man heeft voorts niets gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn salaris uit de [A] B.V. niet onder het begrip inkomsten uit arbeid valt. Het hof gaat daarom evenals de rechtbank in de beschikking van 8 juli 2004 ervan uit dat het begrip inkomsten uit arbeid (ook) het salaris van de man uit [A] B.V. omvat, zoals ook strookt met de overgelegde aangiften inkomstenbelasting van de man (productie 13 bij verzoekschrift in hoger beroep), nu de man redelijkerwijs niet anders van de vrouw mocht verwachten.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de herkomst van het vermogen van [A] B.V., waaruit de (salaris)betalingen aan de man zijn gedaan - uit beleggingsresultaten, zoals de man stelt en de vrouw betwist -, niet relevant is. De man heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die het tegendeel aantonen. Grief VI faalt dan ook.

4.8 De man heeft onvoldoende inzicht gegeven in de herkomst van de gelden waarmee de aflossingen op de hypothecaire leningen zijn verricht. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man erkend dat zijn zakelijke en privé-administratie door elkaar heen liepen. De man heeft niet gesteld uit welke andere niet voor verrekening vatbare bronnen, anders dan zijn inkomsten uit arbeid, hij de hypothecaire aflossingen heeft gedaan, zodat het hof voorbij gaat aan zijn onvoldoende gespecificeerde bewijsaanbod. Grief II faalt daarom.

Dit betekent dat de aflossingen op de hypothecaire leningen geacht worden te zijn gedaan uit de overgespaarde inkomsten uit arbeid, zodat naar rato van deze aflossingen verrekening dient plaats te vinden van de vermogensvermeerdering in de aan de man toebehorende voormalige echtelijke woning.

4.9 Het verrekenbaar vermogen in de voormalige echtelijke woning bestaat uit het breukdeel dat wordt gevormd door de aflossingen op de hypothecaire leningen, gedeeld door de totale schuld en vermenigvuldigd met de waarde van de echtelijke woning. De rentebetalingen zijn kosten der huishouding en dienen buiten beschouwing te blijven (Hoge Raad 27 januari 2006, RvdW 2006,125). De rechtbank heeft de vrouw dan ook ten onrechte gerechtigd geacht tot de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. In zoverre slagen de grieven III en IV.

4.10 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen het eens geworden dat de leningen voor de financiering van de voormalige echtelijke woning bestonden uit een hypothecaire lening van ƒ 500.000,- van F. Van Lanschot Bankiers N.V., een geldlening van ƒ 225.000,- van [A] B.V. (productie 34 bij verzoekschrift in hoger beroep) en een lening van ƒ 35.000,- voor de aanbouw van een carport, in totaal dus een bedrag van ƒ 760.000,- (€ 344.872,96). Anders dan de man betoogt, dient bij de berekening van het verrekenbaar vermogen niet te worden uitgegaan van het totaal aan stichtingskosten van de voormalige echtelijke woning, nu een deel daarvan gefinancierd is uit vermogen van de man, waaronder de opbrengst van de verkoop van een eerdere woning van de man, dat niet voor verrekening in aanmerking komt. Slechts het totaal van de schulden, die zijn aangegaan voor de financiering van de woning, moet worden betrokken in de berekening. Dit betreft voormeld bedrag van

€ 344.872,96.

4.11 Vaststaat dat de restschuld op de (hypothecaire) leningen - in de visie van de vrouw maximaal - € 230.066,- bedraagt. De vrouw heeft niet aangetoond dat dit een lager bedrag moet zijn, nu ook uit het fiscaal rapport 2001 (productie 3 bij verzoekschrift in hoger beroep) geen (substantieel) lager bedrag blijkt. Het hof zal dan ook, evenals de rechtbank in de bestreden beschikking van 27 september 2005, uitgaan van een restschuld van € 230.066,- (kennelijk bij vergissing is in die beschikking vermeld: € 230.666,-). Nu de man niet inzichtelijk heeft gemaakt welke aflossingen hij heeft gedaan op de (hypothecaire) leningen die zijn aangegaan ter financiering van de voormalige echtelijke woning en hij erkent dat de restschuld

€ 230.066,- bedraagt en dat de totale schuld € 344.872,96 bedraagt, gaat het hof ervan uit dat de man een bedrag van € 114.806,96 (€ 344.872,96 minus € 230.066,-) heeft afgelost op de (hypothecaire) leningen. Grief V behoeft derhalve geen bespreking.

4.12 Uit het taxatierapport van 26 november 2004 van de door de rechtbank benoemde deskundige blijkt dat de onderhandse verkoopwaarde van de voormalige echtelijke woning is gewaardeerd op € 770.000,- per datum van het rapport en op

€ 735.000,- per 7 februari 2002. Partijen hebben ingestemd met de waardebepaling op € 770.000,- conform het taxatierapport en zijn dus afgeweken van de uit de huwelijksvoorwaarden voortvloeiende datum van 7 februari 2002. Anders dan de vrouw betoogt is er geen rechtsgrond om van een latere datum uit te gaan dan de datum van het taxatierapport. De vrouw heeft evenmin feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om uit te gaan van de tussen partijen overeengekomen peildatum. Dat zij op het moment dat zij instemde met de getaxeerde waarde van de woning niet bekend was met de door de man gestelde hoge stichtingskosten is niet relevant, nu bij de berekening van het te verrekenen vermogen in de voormalige echtelijke woning wordt uitgegaan van het totaal van de voor de financiering van de woning aangegane leningen. Het hof gaat dan ook uit van de getaxeerde waarde van de voormalige echtelijke woning, dus een bedrag van € 770.000,-.

4.13 Het verrekenbaar vermogen in de voormalige echtelijke woning bedraagt gelet op het voorgaande € 256.330,15 (€ 114.806,96 gedeeld door € 344.872,96, vermenig-vuldigd met € 770.000,-). De helft van dit bedrag, dus € 128.165,07, komt toe aan de vrouw.

4.14 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 8 juli 2004 een bedrag van

ƒ 10.000,- (€ 4.537,80) aangemerkt als overgespaarde inkomsten uit arbeid en bepaald dat hiervan de helft, dus € 2.268,90, aan de vrouw toekomt. Deze post is in de bestreden beschikking niet gekoppeld aan de aanspraak van de vrouw op de vermogensvermeerdering van de echtelijke woning. De man heeft tegen deze overweging geen grief gericht, zodat de man ter zake van de verrekening in ieder geval € 130.433,97 (€ 128.165,07 plus € 2.268,90) aan de vrouw dient te voldoen.

In het voorwaardelijk incidenteel beroep:

4.15 Nu het bedrag dat aan de vrouw zal worden toegewezen lager is dan het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 276.935,90, komt het hof toe aan de behandeling van de grieven in het voorwaardelijk incidenteel beroep.

4.16 Gelet op hetgeen hiervoor in rov. 4.4 is overwogen behoeft grief I geen bespreking.

4.17 Zoals hiervoor in rov. 4.12 is overwogen gaat het hof uit van de waarde van de voormalige echtelijke woning zoals vermeld in het taxatierapport. De vrouw heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om van een hogere waarde uit te gaan. Grief II faalt derhalve.

In het principaal en het incidenteel hoger beroep

4.18 Nu de grieven in het principaal hoger beroep deels slagen en de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd, komt het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep toe aan de bespreking van de stelling van de vrouw dat de overgespaarde inkomsten van de man niet alleen zijn belegd in de voormalige echtelijke woning maar ook zijn belegd in aandelen. De vrouw voert onder meer aan dat de man ook hypothecaire leningen heeft afgesloten voor de aankoop van effecten en dat de aflossingen daarvan ook uit de overgespaarde inkomsten uit arbeid zijn voldaan. Door de vermenging van het privé-vermogen van de man met het te verrekenen vermogen en het verzuim van de man om duidelijke gegevens te verschaffen, is zij niet in staat het te verrekenen vermogen te berekenen en heeft zij zich met name gericht op het in de voormalige echtelijke woning belegde te verrekenen vermogen, aldus de vrouw.

4.19 Uit de overgelegde stukken lijkt vooralsnog te kunnen worden afgeleid dat de man leningen heeft afgesloten voor de aankoop van aandelen bij [A] B.V. ter grootte van € 600.000,- en bij Van Lanschot Bankiers ter grootte van

€ 68.000,- (brief mr. Lemein van 16 januari 2003 met bijlagen, productie 9 bij verzoekschrift in hoger beroep) en dat de man met betrekking tot de lening bij [A] B.V. € 2.000,- maandelijks aan rente betaalde en daarop jaarlijks € 4.084,- afloste (brief zijdens de man aan de rechtbank van 16 januari 2003, eveneens voormelde productie 9). De man heeft voormelde leningen, rentebetalingen en aflossingen ook opgenomen in zijn belastingaangiften (productie 3 bij verzoekschrift in hoger beroep) en een en ander is ook vermeld in de overgelegde jaarstukken 2002 van [A] B.V. (productie 16 bij verzoekschrift in hoger beroep).

Vooralsnog moet worden aangenomen, op dezelfde gronden als hiervoor in rechtsoverweging 4.8 zijn vermeld, dat deze rentebetalingen en aflossingen zijn gedaan uit overgespaarde inkomsten uit arbeid.

Het hof zal de vrouw in de gelegenheid stellen zich schriftelijk nader uit te laten, voor zover mogelijk onderbouwd en gestaafd met bescheiden en voorzien van een deugdelijke berekening, over de belegging van de overgespaarde inkomsten uit arbeid in aandelen, althans in andere vermogensbestanddelen dan de voormalige echtelijke woning. Daarop zal de man schriftelijk mogen reageren. Het hof zal vervolgens zonder nadere mondelinge behandeling beslissen, tenzij het anderszins geraden voorkomt.

4.20 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

stelt de vrouw in de gelegenheid zich uiterlijk op 20 februari 2007 schriftelijk nader uit te laten omtrent hetgeen in rechtsoverweging 4.19 is vermeld, waarop de man binnen vier weken na ontvangst van de reactie van de vrouw schriftelijk zal mogen reageren;

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Wesseling-Lubberink, Wammes en

Van den Dungen en is op 23 januari 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.