Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:AZ7680

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-01-2007
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
04/00945
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Ambtelijk verzuim aan de zijde van de inspecteur staat aan navordering in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/21.5 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

vijfde enkelvoudige belastingkamer

nummer 04/00945

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/P op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem voor het jaar 2000 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag en bezwaar

1.1. De navorderingsaanslag, gedagtekend 11 december 2003, is bere¬kend naar een belastbaar inkomen van f 71.966 met een belastingvrije som van

f 8.950. Aan heffingsrente is f 913 in rekening gebracht.

1.2. Op het bezwaarschrift van belang¬hebben¬de heeft de In¬spec¬teur bij uitspraak van 4 mei 2004 de aanslag gehandhaafd.

2. Geding voor het Hof

2.1. Het beroepschrift met één bijlage is ter griffi¬e ontvangen op 4 juni 2004. De Inspecteur heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

2.2. De eerste zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2006. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn partner, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur A en B. In deze zitting heeft belanghebbende een aantal schriftelijke verklaringen van derden overgelegd.

Aan het slot van de behandeling heeft de voorzitter het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

Van het verhandelde in deze zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan de griffier bij brief van 13 februari 2006 een exemplaar aan partijen heeft gezonden.

2.3. Bij brief van 13 maart 2006 met bijlagen heeft voormelde gemachtigde van belanghebbende het beroep nader gemotiveerd. Op 18 april 2006 is van de Inspecteur een nader verweerschrift ontvangen.

Op 16 juni 2006 is een brief ontvangen van de gemachtigde van belanghebbende. Deze brief is ter kennis van de Inspecteur gebracht.

2.4. De tweede zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. In de tweede zitting is namens de Inspecteur verschenen A. Op de ochtend van 13 december 2006 is ter griffie van het Hof een op 11 december 2006 gedagtekende brief van de gemachtigde ontvangen, waarin deze schrijft: ‘Bij de voorbereiding van de zitting is gebleken dat zowel de heer X als ondergetekende op woensdag 13 december 2006 verhinderd zijn. Wij verzoeken u, in overleg met ons, een nieuwe datum vast te stellen.’

Het heeft Hof met betrekking tot dit verzoek om uitstel als volgt beslist.

De uitnodiging voor de zitting van 13 december 2006 is op 3 november 2006 per aangetekende post aan partijen verzonden. In de uitnodiging is onder meer vermeld, dat een verzoek om uitstel slechts in bijzondere omstandigheden wordt ingewilligd, mits daarom schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht. Het verzoek dient uiterlijk binnen één week na de uitnodiging te worden gedaan. Ingeval van zwaarwichtige redenen die na de datum van de uitnodiging opkomen moet het verzoek om uitstel zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd, worden gedaan.

Blijkens terugontvangen Handtekening Retourkaart van TPGPost is de uitnodiging op 6 november 2006 op het adres van belanghebbende uitgereikt.

Gelet op hetgeen is vermeld in de uitnodiging, de vaststelling dat de uitnodiging belanghebbende ruim vóór de datum van de zitting heeft bereikt en het ontbreken van een zwaarwichtige reden voor het verzochte uitstel, heeft het Hof aanleiding gevonden het verzoek om uitstel van de tweede mondelinge behandeling van de zaak af te wijzen.

De zaak is daarop in de tweede zitting in aanwezigheid van de Inspecteur behandeld.

2.5. De notities van het pleidooi dat de Inspecteur tijdens de tweede zitting heeft gehouden, worden als hier herhaald en ingelast be¬schouwd. Een afschrift van de pleitnota van de Inspecteur is aan deze uitspraak gehecht.

Van het verhandeld in de tweede zitting is proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift van dit proces-verbaal is eveneens aan deze uitspraak gehecht.

3. De vaststaande feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen¬partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de weder¬partij niet weersproken, de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende woont in Z. Hij is als verkoopmedewerker in volledig dienstverband in loondienst werkzaam bij een Tegelhandel te Q. Op maandag reist hij dikwijls naar de werkgever te Q. Op andere dagen in de week bezoekt hij per auto klanten.

3.2. Sedert 1 januari 1992 drijft belanghebbende naast zijn dienstbetrekking een handel in wand- en vloertegels en sanitair. De activiteiten vinden plaats in een voormalige varkensschuur naast zijn woning. De schuur is voor de helft ingericht als showroom. De andere helft van de schuur dient als opslagruimte en als ruimte voor het verrichten van werkzaamheden.

3.3. In oktober 2003 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van onder meer de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en omzetbelasting over de jaren 2000 en 2001. Een afschrift van het controlerapport is op 3 november 2003 aan belanghebbende toegezonden. In het rapport is onder ‘Overzicht correcties’ vermeld dat het aangegeven stipinkomen 2000 wordt gecorrigeerd met minder beroepskosten, minder kosten hypotheek en geen zelfstandigenaftrek. Het gecorrigeerde stipinkomen bedraagt f 71.966.

3.4. Vervolgens legt de Inspecteur aan belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 op. Deze aanslag is gedagtekend 28 november 2003 en luidt naar een belastbaar inkomen van f 52.968. Dit belastbaar inkomen komt overeen met het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen over het jaar 2000. De in het rapport van het boekenonderzoek genoemde correcties zijn niet in de aanslag doorgevoerd.

3.5. Op 24 november 2003 heeft de ambtenaar die het boekenonderzoek heeft verricht gebeld naar belanghebbende. Aan de partner van belanghebbende, die de telefoon opnam, heeft de ambtenaar meegedeeld dat de aanslag een fout bevatte. Door het opleggen van de onderhavige bestreden navorderingsaanslag heeft de Inspecteur de fout hersteld en het belastbaar inkomen van belanghebbende over het jaar 2000 alsnog vastgesteld op

f 71.966. Bij brief van 5 januari 2004 heeft de controlerend ambtenaar aan belanghebbende meegedeeld, dat ‘door een administratie de fout de aanslag inkomstenbelasting van het jaar 2000 van u administratief is geregeld.’ Voorts is in de brief de volgende pasage opgenomen:

‘Het was u reeds bekend dat de aangiften van het jaar 2000 en 2001 zouden worden gecorrigeerd. Op 23 oktober 2003 heb ik dit meegedeeld in het gevoerde eindgesprek bij u op het bedrijfsadres, waar ook uw vrouw bij aanwezig was. Ik heb u nadien op 3 november een rapport toegestuurd.’

4. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld

of sprake is van een nieuw feit dat het opleggen van de navorderingsaanslag rechtvaardigt, en

of de Inspecteur terecht toepassing van de zelfstandigenaftrek over het jaar 2000 weigert.

4.2. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.3. Daaraan zijn mondeling geen gronden toegevoegd.

Voor hetgeen ter zitting is voorgevallen en aangevoerd verwijst het Hof naar de ter zake opgemaakte processen-verbaal.

4.4. Belanghebbende verzoekt, naar het Hof begrijpt, vernietiging van de bestreden uitspraak en vervolgens primair vernietiging van de navorderingsaanslag en subsidiair vermindering van de navorderingsaanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 52.968.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

De overwegingen van het Hof

met betrekking tot de eerste geschilvraag

5.1. De Inspecteur heeft met betrekking tot het niet reeds in de primitieve aanslag corrigeren van het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen het volgende opgemerkt.

De controlerend ambtenaar, die het dossier van belanghebbende nog onder handen had, heeft geconstateerd dat de primitieve aanslag over het jaar 2000 verkeerd was opgelegd. De aanslag was door een andere ambtenaar vastgesteld. Die andere ambtenaar is niet een administratief medewerker. De ambtenaar had waarschijnlijk geen kennis van het rapport van het boekenonderzoek. De vaststelling van een aanslag is overigens wel een administratieve handeling.

Op 24 november 2003 is de partner van belanghebbende telefonisch op de hoogte gesteld van de onjuiste, op 28 november 2004 gedagtekende aanslag ten name van belanghebbende. De aanslag was toen al net ontvangen. Tijdens dit telefonisch contact is meegedeeld dat de fout door middel van een navorderingsaanslag zou worden hersteld. De partner van belanghebbende heeft aan de controlerend ambtenaar die belde aangegeven dat ze al het vermoeden had dat er iets niet juist was. Zij, de Inspecteur, weet niet wat er letterlijk is gezegd in het telefoongesprek. De navorderingsaanslag is gedagtekend 11 december 2003. Bij brief van 5 januari 2004 is het telefoongesprek van 24 november 2003 schriftelijk aan belanghebbende bevestigd. Belanghebbende heeft noch op het telefonisch contact met zijn partner, noch op de brief van 5 januari 2004 gereageerd. Naar de mening van de Inspecteur is sprake van een kenbare ambtelijke fout. Belanghebbende bestrijdt dat ook niet. De navorderingsaanslag kan in stand blijven.

5.2. Belanghebbende heeft gesteld dat geen navordering mogelijk is zonder nieuw feit en dat het belastbaar inkomen moet worden vastgesteld in overeenstemming met het aangegeven inkomen.

5.3. Uit hetgeen de Inspecteur heeft gesteld en in de brief van 5 januari 2004 van de Inspecteur aan belanghebbende is vermeld, leidt het Hof af dat door een op het kantoor van de Inspecteur gemaakte fout, bestaande uit het opleggen van een de aanslag over het jaar 2000 zonder dat daarbij werd beschikt over of werd kennisgenomen van een recent opgesteld rapport van een boekenonderzoek over dat jaar, de aanslag is vastgesteld tot een lager bedrag dan de opsteller van het boekenonderzoek voor ogen stond. De situatie die zich hier voordoet is niet een vergissing uit de categorie schrijf-, reken-, overname- of intoetsfout.

5.4. Voorts mag een belastingplichtige aan de regeling van een aanslag, blijkende uit het aan hem uitgereikte aanslagbiljet, het vertrouwen ontlenen dat daarmede zijn belastingschuld voor het jaar van de aanslag definitief is vastgesteld behoudens de bevoegdheid van de inspecteur tot navordering, die de inspecteur in artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is toegekend. Voor die bevoegdheid tot navordering geldt als uitzondering dat een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn geen grond voor navordering kan opleveren.

5.5. Op voormeld, aan het aanslagbiljet te ontlenen en in het belang van de rechtszekerheid te beschermen vertrouwen kan de belastingplichtige zich echter niet met vrucht beroepen indien hem ten tijde van de uitreiking van het aanslagbiljet reeds vanwege de inspecteur met voldoende scherpte was kenbaar gemaakt dat de daarin opgenomen aanslag ten gevolge van een door de inspecteur nader aangeduide misslag van feitelijke of rechtskundige aard onjuist was vastgesteld en mitsdien in zoverre niet als definitieve vaststelling van de belastingschuld kon gelden doch door een navordering op dit punt zou worden gevolgd. In dat geval staat de in 5.4. bedoelde, op het beginsel van de rechtszekerheid terug te voeren uitzondering aan navordering niet in de weg.

5.6. Het Hof stelt vast dat de Inspecteur erkent dat ten tijde van de telefonische mededeling van de controlerende ambtenaar aan de partner van belanghebbende van de bij de aanslagregeling gemaakte fout, het aanslagbiljet reeds aan belanghebbende was uitgereikt. Voorts leidt het Hof uit de brief van 5 januari 2005 van de Inspecteur aan belanghebbende en hetgeen de Inspecteur overigens heeft aangevoerd af, dat de controlerend ambtenaar, al dan niet in de hoedanigheid van inspecteur, in het telefoongesprek met de partner van belanghebbende heeft volstaan met de mededeling dat sprake was van een fout bij het opleggen van de aanslag over het jaar 2000. Een zodanige mededeling, nog daargelaten dat die mededeling niet aan belanghebbende zelf is gedaan, geeft niet met voldoende scherpte aan welke misslag is begaan.

5.7. Het vorenstaande leidt het Hof tot het oordeel dat de bestreden navorderingsaanslag niet in stand kan blijven en het beroep gegrond is.

6. Proceskosten

In het aanvullende beroepschrift heeft belanghebbende het Hof verzocht om de toekenning van een kostenvergoeding.

Het Hof zal belanghebbende in de gelegenheid stellen een opgave te doen van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

7. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- gelast de Staat aan belanghebbende het door hem voor het instellen van het beroep betaalde griffierecht van € 37 terug te geven;

- stelt belanghebbende in de gelegenheid om aan het Hof opgave te doen van zijn kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Aldus gedaan op 8 januari 2006 door mr Röben, lid van de vijfde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

(V.F.R. Woeltjes ) (J.B.H. Röben)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 januari 2007

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.