Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:AZ7671

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-01-2007
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
TBS 2006\235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar mate een terbeschikkingstelling langer duurt is er aanleiding om meer gewicht toe te kennen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het specifieke geval van betrokkene, waarin de terbeschikkingstelling reeds duurt vanaf 1967, is er aanleiding om te bezien of een kortere termijn van verlenging dan twee jaren is aangewezen. Duidelijk is dat door de raadsman van betrokkene metterdaad zeer actief wordt onderzocht welke alternatieven er zijn voor langdurig verblijf op een longstay-afdeling in een TBS-instelling. Reeds in 2003 werd geformuleerd dat een alternatieve verblijfsituatie voor betrokkene gezocht zou moeten worden. Nu niet uit is te sluiten dat binnen afzienbare tijd de onderzochte alternatieven zouden kunnen worden geconcretiseerd, is er aanleiding de termijn van de onderhavige terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2006\235

Beslissing d.d. 29 januari 2007

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[Terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van

4 juli 2006, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op nieuwe stukken.

Zowel artikel 509x, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering als artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt eisen aan de voortgang van de behandeling door de rechter van een vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Er dient door het hof zo spoedig mogelijk respectievelijk spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily") te worden beslist. Waar in beginsel de terbeschikkingstelling eindig is in die zin dat deze expireert op een ruimschoots tevoren bekende datum heeft zowel de rechtbank als het gerechtshof een verdragsrechtelijke verplichting om tot een zo spoedig mogelijke behandeling van de vordering tot verlenging over te gaan. De genoemde inspanningsverplichting dwingt tot een grotere spoed dan waarvan in de onderhavige zaak is gebleken. Het hof is met de raadsman van de terbeschikkinggestelde van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep meer dan 6 maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld.

Gelet op het specifieke karakter van de terbeschikkingstelling, waarbij beveiliging van de samenleving voorop staat, raakt een trage behandeling als regel de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet, maar kan in bijzondere gevallen een kortere verlenging van de terbeschikkingstelling dan de rechtbank heeft beslist geïndiceerd zijn. Dat zou met name het geval kunnen zijn ingeval een verlenging met twee jaren aan de orde is en de veiligheid van personen toelaat dat een overschrijding van de redelijke termijn, waarbinnen het gerecht tot een beslissing had dienen te komen, wordt vertaald in een verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar.

Voldoende is komen vast te staan dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene eist. Dit is van de kant van de terbeschikkinggestelde ook niet betwist. Evenmin is dit vereiste voor verlenging naar voren gebracht om te betogen dat de verlenging beperkt zou moeten blijven tot een jaar. Uit het advies volgt dat bij betrokkene sprake is van pedofilie en dat de persoonlijkheidsstoornis nog onverminderd aanwezig is. Betrokkene moet door deze stoornissen en de daaraan gekoppelde gebrekkige realiteitstoetsing, de zeer gebrekkige impulscontrole, het lacunaire geweten, het absolute onvermogen zich in de ander en zijn belevingswereld in te leven en het totaal gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht, als onverminderd recidivegevaarlijk worden ingeschat. Het delictgevaar zonder toezicht, controle en een beveiligde setting is onverminderd aanwezig.

Naar mate een terbeschikkingstelling langer duurt is er aanleiding om meer gewicht toe te kennen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het specifieke geval van betrokkene, waarin de terbeschikkingstelling reeds duurt vanaf 1967, is er aanleiding om te bezien of een kortere termijn van verlenging dan twee jaren is aangewezen. Duidelijk is dat door de raadsman van betrokkene metterdaad zeer actief wordt onderzocht welke alternatieven er zijn voor langdurig verblijf op een longstay-afdeling in een TBS-instelling. Reeds in 2003 werd geformuleerd dat een alternatieve verblijfsituatie voor betrokkene gezocht zou moeten worden. Nu niet uit is te sluiten dat binnen afzienbare tijd de onderzochte alternatieven zouden kunnen worden geconcretiseerd, is er aanleiding de termijn van de onderhavige terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen.

Beslissing:

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 juli 2006 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde.

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Aldus gedaan door

mr Vegter als voorzitter,

mrs Stikkelbroeck en van der Herberg als raadsheren,

en drs Poll en dr Schaap als raden,

in tegenwoordigheid van mr Mientjes als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2007.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.