Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:AZ7009

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
2005/771
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte nader uit te laten over het merkbaarheidsvereiste, eerst [geïntimeerde] en vervolgens Keytech. Datzelfde geldt voor de toepasselijkheid van eventuele vrijstellingsbepalingen. Het hof verlangt dat partijen zich gemotiveerd en gedocumenteerd uitlaten over de vraag of de Samenwerkings-overeenkomst wegens strijd met het communautaire of nationale mededingingsrecht geheel of gedeeltelijk nietig is. Daartoe wordt de zaak naar de rol verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 januari 2007

derde civiele kamer

rolnummer 2005/771

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Keytech Personeelsdiensten B.V.,

gevestigd te Almelo,

appellante in het principaal appel,

[geïntimeerde] in het incidenteel appel,

procureur: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 12 februari 2003, 8 oktober 2003, 13 oktober 2004 en 20 april 2005 die de rechtbank Almelo tussen principaal appellante (hierna ook te noemen: Keytech) als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en principaal geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde in conventie/eiser in reconventie heeft gewezen; van de twee laatstgenoemde vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Keytech heeft bij exploot van 6 juli 2005 [geïntimeerde] aangezegd van voormelde vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 In haar memorie van grieven heeft Keytech geen grieven gericht tegen de vonnissen van 12 februari 2003 en 8 oktober 2003. Zij heeft daarin tegen de overige twee vonnissen vijf grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:

- [geïntimeerde] alsnog in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze zal afwijzen,

- [geïntimeerde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Keytech te voldoen het bedrag van € 907.560,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2001 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen Keytech ter uitvoering van het vonnis van 20 april 2005 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele voldoening,

- een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en een productie in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof Keytech niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans het hoger beroep zal afwijzen en de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, eventueel met aanvulling en/of verbetering van rechtsgronden, een en ander voor zover in het incidenteel appel geen vernietiging van deze vonnissen wordt gevorderd, met veroordeling van Keytech in de kosten van – naar het hof begrijpt – het hoger beroep.

2.4 Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld tegen de vonnissen van 13 oktober 2004 en 20 april 2005, heeft hij daartegen twee grieven en één voorwaardelijke grief aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en een productie in het geding gebracht. [geïntimeerde] heeft gevorderd dat het hof [bedoeld zal zijn:] de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest:

1. voor recht zal verklaren dat de door Keytech op 13 november 2002 ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen onrechtmatig zijn, en

primair: de op 13 november 2002 door Keytech gelegde conservatoire beslagen zal opheffen;

subsidiair: Keytech zal veroordelen en bevelen om op haar eigen kosten de op 13 november 2002 door haar ten laste van [geïntimeerde] gelegde conservatoire beslagen, onder meer op het woonhuis van [geïntimeerde] aan de [adres], binnen twee werkdagen na betekening van het in deze te wijzen arrest volledig en onvoorwaardelijk te laten opheffen en voorts al het nodige te laten doen opdat [geïntimeerde] wederom de vrije beschikking krijgt over de beslagen goederen, alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare en niet voor matiging en/of verrekening en/of opschorting vatbare dwangsom van € 25.000,00 per dag tot een maximum van € 250.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag als een hele dag gerekend, dat Keytech daarmee in gebreke blijft;

2. Keytech zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van alle schade die [geïntimeerde] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige beslagleggingen als bedoeld onder punt 1. van het petitum, deze schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. Keytech zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft Keytech verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, [geïntimeerde] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dit hoger beroep zal afwijzen en de in eerste aanleg gewezen vonnissen – voor zover daartegen in het principaal appel geen grieven zijn aangevoerd – zal bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van rechtsgronden, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.1 Partijen hebben op 4 oktober 2000 een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst), waarin zij onder meer zijn overeengekomen:

1. [geïntimeerde] bemiddelt in, met name buitenlands, personeel met als enige zakelijke partner Keytech. Keytech zal dit personeel tegen gangbare uurtarieven verkopen aan derden op basis van detachering- dan wel uitzendformules. [geïntimeerde] is tevens gerechtigd personeel te verkopen echter middels facturatie door Keytech. Financiële afspraken omtrent marge verdeling zijn weergegeven in bijgaande matrix. Alle in deze overeenkomst genoemde zaken zijn bindend en kunnen slechts schriftelijk gezamenlijk door beide partijen ondertekend worden beëindigd. Na beëindiging van voornoemde samenwerking zijn gedurende de looptijd van 1 jaar de punten 1 tot en met 3 van kracht. Zonder schriftelijke toestemming van Keytech zal [geïntimeerde] geen activiteiten ontplooien op Europees grondgebied gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van Keytech, zulks op straffe van een door [geïntimeerde] te betalen direct opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van Hfl. 250.000,00 (...) per gebeurtenis, onverminderd het recht op volledige schadevergoeding.

2. Zowel [geïntimeerde] als Keytech mogen de gezamenlijk ontplooide activiteiten niet onderbrengen bij derden ook niet middels een andere rechtsvorm, van welke aard dan ook. Bij verkoop of participaties in welke verhouding dan ook, dienen partijen ervoor zorg te dragen dat de punten 1 en 3 van deze overeenkomst van kracht blijven, zulks op straffe van (...).

3. Deze overeenkomst is opgesteld in de Nederlandse taal en is zoals overeengekomen tussen [geïntimeerde] en Keytech rechtsgeldig in geheel Europa.

4. (...)

3.2 Op 11 juli 2001 is de Samenwerkingsovereenkomst door eenzijdige opzegging van [geïntimeerde] beëindigd.

3.3 Keytech heeft op 14 oktober 2002 een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Almelo en in conventie (na vermeerdering van eis) gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 39.696,69 wegens margederving en (€ 680.670,30 + € 907.560,43 =) € 1.588.230,73 wegens verbeurde boetes in verband met (6 + 8) overtredingen door [geïntimeerde] van het in de Samenwerkingsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding. [geïntimeerde] heeft in reconventie (na vermeerdering van eis) betaling gevorderd van openstaande facturen en onrechtmatigverklaring en opheffing van de door Keytech ten laste van [geïntimeerde] gelegde beslagen, subsidiair een bevel tot opheffing door Keytech van die beslagen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.4 De rechtbank heeft bij eindvonnis van 20 april 2005 de vorderingen van Keytech in conventie afgewezen, in reconventie Keytech veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 14.001,42, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2003 tot aan de dag van algehele voldoening, voor het overige de vorderingen in reconventie afgewezen en de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De motivering van de beslissing in het principaal appel en het incidenteel appel

4.1 Hoewel Keytech in de memorie van grieven stelt zowel van het vonnis van 13 oktober 2004 als dat van 20 april 2005 in appel te komen, heeft zij tegen het vonnis van 13 oktober 2004 geen grief gericht. In grief I verwijst Keytech weliswaar naar de overweging van de rechtbank in het vonnis van 13 oktober 2004, dat de geldigheid van het non-concurrentiebeding dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 6 juncto 7 Mededingingswet (Mw.), maar in haar toelichting op deze grief stelt zij niet dat die beoordelingsmaatstaf onjuist is. Zij bestrijdt alleen het oordeel van de rechtbank dat het beding valt onder het verbod van artikel 6 Mw. en daarom nietig is, welk oordeel is opgenomen in het vonnis van 20 april 2005. Ook het door Keytech aangevoerde motiveringsgebrek ziet alleen op laatstbedoeld vonnis. De overige grieven van Keytech zijn evenmin gericht tegen het vonnis van 13 oktober 2004, zodat Keytech niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen het vonnis van 13 oktober 2004.

Mededingingswet

4.2 Grief I van Keytech is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het in de Samenwerkingsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding valt onder het verbod van artikel 6 Mededingingswet (Mw.) en daarom nietig is.

4.3 In rov. 4 van het tussenvonnis van 13 oktober 2004 heeft de rechtbank overwogen dat de geldigheid van het non-concurrentiebeding beoordeeld dient te worden aan de hand van de bepalingen artikel 6 juncto 7 Mw. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen op 6 januari 2005 hebben partijen de rechtbank meegedeeld dat de gezamenlijke omzet over het jaar 2002 meer was dan genoemd in artikel 7 Mw. In rov. 1 van het eindvonnis van 20 april 2005 heeft de rechtbank overwogen dat zij aan de hand van het door partijen ter comparitie medegedeelde vaststelt, dat het in de Samenwerkingsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding niet valt onder de vrijstelling(en) van artikel 7 Mw., derhalve getroffen wordt door het verbod van artikel 6 Mw. en daarom nietig is. In hoger beroep betwist Keytech dat er sprake is van verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging op de Nederlandse markt. Zij stelt voorts dat de rechtbank niet is ingegaan op haar stellingen op dit punt, zodat aan vorenstaande beslissing een motiveringsgebrek kleeft.

4.4 Aan HR 3 december 2004, NJ 2005, 118 ontleent het hof:

“3.7.2 (…) Ingevolge art. 85 EG-Verdrag (thans art. 81 EG) en art. 6 Mededingingswet zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt (art. 81 lid 1 EG) onderscheidenlijk op de Nederlandse markt of een deel daarvan (art. 6 lid 1 Mededingingswet) wordt verhinderd, beperkt of vervalst, van rechtswege nietig. Indien de overeenkomst een mededingingsverstorende strekking heeft, behoeven de gevolgen daarvan niet te worden vastgesteld (vaste rechtspraak sinds HvJ EG 13 juli 1966, gevoegde zaken 56 en 58-64 (Consten en Grundig), Jurispr. 1966, p. 449). De vaststelling dat een overeenkomst mededingingsverstorende gevolgen heeft, vergt daarentegen, naar blijkt uit de rechtspraak van het HvJ EG (zie bij voorbeeld HvJ EG 28 februari 1991, zaak C-234/89 (Delimitis), Jurispr. 1991, p. I-935, NJ 1992, 763) een feitelijk onderzoek – in de vorm van een marktanalyse – waaraan hoge eisen worden gesteld.

Zowel voor het communautaire als het nationale mededingingsrecht geldt voorts het in de rechtspraak van het HvJ EG ontwikkelde criterium dat de handel tussen de lidstaten en de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt onderscheidenlijk de Nederlandse markt merkbaar worden beperkt (het merkbaarheidsvereiste). Ook het merkbaarheidsvereiste is in beginsel te beschouwen als een positief vereiste, zij het dat de – in de praktijk belangrijke – kwantitatieve criteria deels in negatieve vorm – als drempelvrijstelling – zijn uitgewerkt en vastgelegd. In EG-verband is dat gebeurd in de zogenaamde De minimis bekendmaking (Pb EG 2001, C368/13), een gepubliceerde beleidsregel van de Europese Commissie. Ook in de Mededingingswet is een drempelvrijstelling opgenomen: in de bagatelregeling van art. 7 is onder meer bepaald dat art. 6 lid 1 niet geldt als is voldaan aan een tweetal cumulatieve voorwaarden, te weten dat bij de overeenkomst niet meer dan acht ondernemingen zijn betrokken en dat de gezamenlijke omzet in het voorafgaande kalenderjaar een bepaald bedrag niet te boven gaat.”

4.5 Het hof voegt hieraan het volgende toe.

Inmiddels is met ingang van 1 mei 2004 in werking getreden de Verordening (EG) Nr. 1/2003 van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (tot oprichting van de Europese Gemeenschap). Hieraan ontlenen de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid artikel 81 lid 3 EG rechtstreeks toe te passen. Als gevolg van een en ander heeft ook Nederland wijzigingen doorgevoerd in onder meer de Mededingingswet.

4.6 In wezen heeft de rechtbank in haar eindvonnis onder 1 uit de enkele overschrijding van de drempel van artikel 7 Mw. door de gezamenlijke omzet van partijen, de conclusie getrokken dat het non-concurrentiebeding wordt getroffen door artikel 6 Mw. Die conclusie is onjuist omdat niet-voldoening aan een in artikel 7 Mw. neergelegde drempelvrijstelling nog geen overtreding impliceert van de in artikel 6 lid 1 Mw. neergelegde hoofdnorm. In zoverre is grief I terecht voorgesteld. Daarmee komt in hoger beroep opnieuw de vraag aan de orde of het non-concurrentiebeding wegens strijd met artikel 81 EG c.q. 6 Mw. van rechtswege nietig is.

4.7 De door Keytech gestelde overtredingen van het non-concurrentiebeding hebben alle betrekking op concurrentie door [geïntimeerde] gepleegd ná de opzegging van 11 juli 2001. Daarom zal het hof eerst ingaan op de stelling van [geïntimeerde] dat partijen in maart 2001 in afwijking van de Samenwerkingsovereenkomst en het daarin opgenomen non-concurrentiebeding zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] zelf rechtstreeks klanten mocht benaderen en deze klanten aan Keytech zou overdragen, tenzij de klant hiermee zelf niet kon instemmen, in welk laatste geval [geïntimeerde] het personeel én het eventueel door Keytech geleverde personeel zelf zou factureren.

4.8 In haar tussenvonnis van 8 oktober 2003 onder 9 heeft de rechtbank aan [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen “hoe en welke afspraken in maart 2001 zijn gemaakt in afwijking van de (oorspronkelijke) Samenwerkingsovereenkomst”. Na getuigenverhoren heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 13 oktober 2004 onder 3 [geïntimeerde] in die bewijsopdracht niet geslaagd geoordeeld. Tegen dat laatste oordeel richt [geïntimeerde] zijn voorwaardelijke grief in het incidenteel appel.

4.9 Met de rechtbank oordeelt het hof [geïntimeerde] niet in zijn bewijsopdracht geslaagd. In maart 2001 hebben partijen een bespreking gevoerd. Volgens partijgetuige [geïntimeerde] kreeg hij de mogelijkheid eigen klanten te werven die dan bij voorkeur via Keytech gefactureerd zouden worden. Dat is ten opzichte van artikel 1, derde volzin van de Samenwerkingsovereenkomst niet nieuw. [geïntimeerde] vervolgt in zijn getuigenverklaring:

”Ingeval de klant daartegen (facturering via Keytech) bezwaar had factureerde ik die zelf. Verloning vond dan wel via Keytech plaats, die stuurde mij daarvoor dan weer een factuur. Dit laatste speelde namelijk niet in geval het personeel via een Duits uitzendbureau werd betrokken.”

4.10 Deze verklaring vindt wel steun in de facturen van Keytech aan [geïntimeerde] met betrekking tot [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (producties 8 bij conclusie na enquête van [geïntimeerde]). Keytech verklaart haar verloning aan [betrokkene 1] met de schriftelijke afwijking bij haar fax van 16 april 2001 aan [geïntimeerde] (productie 38 bij conclusie van dupliek in reconventie): “Keytech zal rechtstreeks aan u factureren en niet aan [betrokkene 1] gezien de gevoeligheid vanuit [betrokkene 1].” Deze fax zou niet nodig zijn geweest in de optiek van [geïntimeerde]. Over de verloning aan [betrokkene 2] heeft Keytech uiteengezet dat [geïntimeerde] haar pas heeft ingezet toen hijzelf, klaarblijkelijk voor de voortzetting van zijn verloning aan [betrokkene 2], onvoldoende mensen uit Duitsland kon betrekken. Hierop is partijgetuige [geïntimeerde] in het geheel niet ingegaan. Volgens partijgetuige [geïntimeerde] ging de bespreking in de eerste plaats over de moeizame betaling van zijn facturen door Keytech, waardoor hij zijn kosten niet meer kon betalen. Toen hebben parttijen volgens zijn getuigenverklaring afgesproken dat zijn facturen vlotter betaald zouden worden. Bij dit laatste sluit de getuige [getuige 2] aan waar hij zich herinnert dat [geïntimeerde], terug van die bespreking, vertelde dat Keytech had toegezegd stipt binnen 30 dagen de facturen te zullen betgalen. Volgens deze getuigenverklaring heeft [geïntimeerde] over verloning toen niet speciaal met hem, [getuige 2], gesproken. Daarom biedt deze getuigenverklaring evenmin steun voor de stelling van [geïntimeerde], net zoals de in tegengetuigenverhoor afgelegde verklaringen.

4.11 De voorwaardelijke grief in het incidenteel appel faalt.

4.12 Tijdens de opzegging van 11 juli 2001 gold tussen partijen dus nog steeds de tekst van de Samenwerkingsovereenkomst. Nadat artikel 1 van de Samenwerkingsovereenkomst in de eerste drie zinnen de regels gedurende de samenwerking heeft uiteengezet, volgen daarop een regel bestemd voor het jaar na de beëindiging van de samenwerking en ten slotte de volzin: ”Zonder schriftelijke toestemming van Keytech zal [geïntimeerde] geen activiteiten ontplooien op Europees grondgebied gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan die van Keytech (...)”. De strekking van dit laatste, in ieder geval gedurende het eerste jaar na beëindiging van de samenwerking geldende verbod is onmiskenbaar gericht op verstoring van de mededinging doordat het [geïntimeerde] verbiedt om Keytech in die periode in geheel Europa te beconcurreren. Dan rijst de vraag of een mededingingsverstoring valt onder het merkbaarheidsvereiste, zoals hierboven uiteengezet. Blijkens hun eensluidende verklaring ter comparitie van 6 januari 2005 zijn partijen het er over eens dat de gezamenlijke omzet over 2002 meer was dan genoemd in artikel 7 Mw. Het hof stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte nader uit te laten over het merkbaarheidsvereiste, eerst [geïntimeerde] en vervolgens Keytech. Datzelfde geldt voor de toepasselijkheid van eventuele vrijstellingsbepalingen. Het hof verlangt dat partijen zich gemotiveerd en gedocumenteerd uitlaten over de vraag of de Samenwerkings-overeenkomst wegens strijd met het communautaire of nationale mededingingsrecht geheel of gedeeltelijk nietig is. Daartoe wordt de zaak naar de rol verwezen.

De facturen

4.13 Indien een eventuele nietigheid van het non-concurrentiebeding al niet de gehele Samenwerkingsovereenkomst meesleept, wordt het volgende van belang. In reconventie heeft de rechtbank in haar eindvonnis, samengevat onder 10, wegens diverse facturen van [geïntimeerde] ad in totaal f 132.529,13, verminderd met f 49.602,38 wegens facturen van Keytech, met € 1.889,25 wegens een betaling en met € 21.739,85 wegens creditnota’s, per saldo aan [geïntimeerde] € 14.001,42 met rente toegewezen. Daartegen richt Keytech haar grieven II tot en met IV. Hierover oordeelt het hof als volgt.

4.14 Het gaat om de facturen die staan vermeld op het overzicht dat [geïntimeerde] als productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie in eerste aanleg in het geding heeft gebracht. Bij akte van 16 februari 2005 heeft [geïntimeerde] de desbetreffende facturen met in een aantal gevallen bijbehorende inkoopnota’s en betalingsbewijzen in het geding gebracht (producties 10 tot en met 19). [geïntimeerde] heeft voorts twee creditnota’s overgelegd die aan Keytech zijn verzonden (creditnota 2001222 ad fl. 27.516,49 (€ 12.486,44) en creditnota 2001223 ad fl. 20.391,84 (€ 9.253,41), beide gedateerd 13 september 2001; productie 20 bij voormelde akte van [geïntimeerde]). Keytech heeft hierop bij antwoordakte van 30 maart 2005 gereageerd.

4.15 Het hof is van oordeel dat in het licht van het gemotiveerde verweer van Keytech met betrekking tot de verschuldigheid van bepaalde factuurposten en de hoogte van de gefactureerde bedragen, [geïntimeerde] zijn vordering niet op behoorlijke wijze heeft gedocumenteerd. [geïntimeerde] dient aan de hand van de factuurnummers en –bedragen, zoals vermeld op het overzicht dat is overgelegd als productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie in eerste aanleg een volledig overzicht te verschaffen van alle factuurnummers met daarbij, eveneens genummerd, alle relevante belegstukken (ook die van Keytech) per factuur/post, voorzien van een toelichting. Het hof zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen dit overzicht met stukken bij akte in het geding te brengen. Keytech kan daarop bij antwoordakte reageren.

4.16 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van 27 februari 2007 voor een akteverzoek aan de zijde van [geïntimeerde], zoals overwogen in de rov. 4.12 en 4.15;

houdt iedere verdere beslissing aan;

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit tussenarrest door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak (postbus 90613, 2509 LP Den Haag) zal toezenden aan de Commissie.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Tjittes en Sprenger en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2007.