Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2007:207

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
2007/381 P
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vastleggingsprocedure ex art. 11 Pachtwet. De ratio van de vastleggingsprocedure is het ontbreken van een partijakte te verhelpen en de taak van de pachtrechter in die procedure is het zo nauwkeurig mogelijk vastleggen van de inhoud van hetgeen door partijen is overeengekomen. Volgens art. 11 lid 2 Pachtwet brengt de pachtrechter nietige bedingen, zoveel mogelijk overeenkomstig de bedoelingen van partijen, in overeenstemming met de wet. Het door de pachtkamer in eerste aanleg vastgelegde beding omtrent de duur van de overeenkomst is niet nietig, zodat de pachtkamer in eerste aanleg terecht niets anders heeft vastgelegd dan wat partijen – kennelijk ook volgens verpachter – zijn overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2007

pachtkamer

rolnummer 2007/381 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Emca Plant B.V.,

gevestigd te Honselersdijk, gemeente Westland,

appellante,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 7 december 2004, dat de pachtkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, tussen appellante (hierna te noemen: Emca Plant) als eiseres en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde] ) als gedaagde heeft gewezen. Van genoemd vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Emca Plant heeft bij exploot van 6 januari 2005 aangezegd van genoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2

[geïntimeerde] is in hoger beroep niet in rechte verschenen en tegen hem is verstek verleend.

2.3

Nadat ambtshalve doorhaling op de rol had plaatsgevonden, is de zaak op verzoek van Emca Plant opnieuw op de rol geplaatst.

2.4

Bij memorie van grieven heeft Emca Plant één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht, en heeft zij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende (kort samengevat) in afwijking van het betreden vonnis zal vastleggen een pachtovereenkomst voor de duur van zes jaar.

2.5

Vervolgens heeft Emca Plant de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. De pachtkamer in eerste aanleg heeft op vordering van Emca Plant tussen partijen een pachtovereenkomst schriftelijk vastgelegd. Volgens die vastlegging geldt de pachtovereenkomst vanaf het tijdstip op of omstreeks februari 2001 voor de duur van één jaar, met in beginsel telkens een verlenging van één jaar. Emca Plant heeft uitsluitend bezwaar tegen de aldus vastgelegde duur van de pachtovereenkomst en beroept zich in dit verband onder meer op de beschikking van de Centrale Grondkamer van 21 november 2005, waarbij de beschikking van de grondkamer Zuidwest van 4 juli 2005 is bevestigd. Volgens beide beschikkingen komt de hiervoor bedoelde bepaling omtrent de duur en verlenging neer op een overeenkomst voor onbepaalde tijd en heeft dit krachtens het bepaalde in artikel 12 lid 1 Pachtwet tot gevolg dat de pachtovereenkomst geldt voor de wettelijke duur van zes jaar.

3.2

Tegen de achtergrond van het stelsel van de Pachtwet en meer in het bijzonder de verhouding tussen enerzijds de taak van de pachtrechter die over de vordering tot vastlegging van een pachtovereenkomst beslist en anderzijds de toetsing van die overeenkomst door de grondkamer en in hoger beroep de centrale grondkamer, kan de grief niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden, zoals volgt uit het hierna overwogene.

3.3

De pachtkamer in eerste aanleg heeft uit de stellingen van partijen in verband met een tegelijkertijd bij dezelfde kamer aanhangige zaak afgeleid dat partijen een duur van één jaar zijn overeengekomen, die echter elk jaar stilzwijgend met één jaar zal worden verlengd. Emca Plant bestrijdt niet zozeer de feitelijke juistheid van die afleiding, maar betoogt – in navolging van grondkamer en Centrale Grondkamer – dat sprake is van een overeenkomst voor onbepaalde duur en vraagt volgens de conclusie van de memorie van grieven om vastlegging van een pachtovereenkomst voor de duur van zes jaar.

3.4

De ratio van de vastleggingsprocedure is het ontbreken van een partijakte te verhelpen en de taak van de pachtrechter in die procedure is het zo nauwkeurig mogelijk vastleggen van de inhoud van hetgeen door partijen is overeengekomen. Volgens het tweede lid van artikel 11 Pachtwet brengt de pachtrechter nietige bedingen, zoveel mogelijk overeenkomstig de bedoelingen van partijen, in overeenstemming met de wet. Het door de pachtkamer in eerste aanleg vastgelegde beding omtrent de duur van de overeenkomst is niet nietig, zodat de pachtkamer in eerste aanleg terecht niets anders heeft vastgelegd dan wat partijen – kennelijk ook volgens Emca Plant – zijn overeengekomen.

3.5

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. Dat – niettegenstaande de omstandigheid dat de grief faalt – de pachtovereenkomst tóch voor de duur van zes jaar geldt, volgt uit de door Emca Plant overgelegde beschikking van de Centrale Grondkamer. De grondkamer en in hoger beroep de Centrale Grondkamer hebben overeenkomstig de hun bij de Pachtwet opgedragen taak zich de vraag gesteld of een kortere dan de wettelijke duur in de zin van artikel 12 lid 3 Pachtwet was overeengekomen en hebben die vraag ontkennend beantwoord. Derhalve geldt de pachtovereenkomst voor de wettelijke duur van zes jaar.

3.6

De slotsom is dat de grief niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kan leiden, zodat dit vonnis, voor zover in dit hoger beroep betrokken, zal worden bekrachtigd. In dit oordeel ligt besloten dat voor een proceskostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde] geen plaats is.

4 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, van 7 december 2004, voor zover in dit hoger beroep betrokken.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Olthof en Van Osch en de raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ir. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2007.