Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:BE9324

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2006
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
AVNRS: 10546 en 10547
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoekers waren ten tijde van de feiten waarvan zij werden verdacht, in dienst van de V.O.F. Verzoekers, VOF en de bedrijfsleider zijn vervolgd. Alle vier zijn door dezelfde twee raadslieden bijgestaan. De rechtsbijstand is aan de vier verdachten gemeenschappelijk verleend en de verdediging is ook gemeenschappelijk gevoerd.

Raadslieden hebben gesteld dat met verzoekers was afgesproken dat de kosten van rechtsbijstand voorshands door hun werkgever, de V.O.F., zouden worden betaald maar dat deze te zijner tijd aan hen in rekening zouden worden gebracht. Deze afspraak is niet schriftelijk vastgelegd. In het bijzonder door het ontbreken van enig schriftelijk stuk waaruit deze afspraak zou kunnen blijken, is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat die afspraak met verzoekers is gemaakt. Integendeel, de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg zijn zonder enig blijkend voorbehoud aan de V.O.F. gedeclareerd en door de V.O.F. betaald, terwijl de daarover verschuldigde BTW door het bedrijf is verrekend. Het hof concludeert dat de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg door de V.O.F. voor haar rekening zijn genomen. Afwijzing vergoeding op gronden van billijkheid.

In hoger beroep is voor de vier verdachten gezamenlijk de verdediging gevoerd, met één, grotendeels aan de pleitnota in eerste aanleg identieke, pleitnota voor het hoger beroep opgesteld en overgelegd. Het voor een kwart aan elk van verzoekers toerekenen van die kosten heeft dus een fictief karakter.

Overigens ligt het, gelet op het feit dat de feiten die tot opsporing en vervolging van verzoekers hebben geleid, in het kader van hun werkzaamheden voor de V.O.F. hebben plaatsgevonden, bovendien voor de hand dat de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, zoals ook met die kosten in eerste aanleg is gebeurd, door de werkgever worden gedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

zitting houdende te Arnhem

Pkn: 21-005817-04

Avnr: 10546 en 10547

Het hof heeft gezien het op 16 maart 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker A],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres verzoeker A],

alsmede het op dezelfde datum ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker B],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres verzoeker B],

hierna te noemen verzoekers, beide verzoekschriften ingediend door mrs. [naam raadsman X] en [naam raadsman Y], advocaten te [plaatsnaam], en beide strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de kosten van de raadsman, vermeerderd met de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Het hof heeft gezien zijn tussenbeschikkingen van 25 september 2006, AVNR 10546 en 10547.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 7 november 2006 de advocaat-generaal en verzoekers, bijgestaan door mrs. [naam raadsman X] en [naam raadsman Y] voornoemd.

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in de procesdossiers bevindende stukken, waaronder de conclusies van de advocaat-generaal.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de volgende stukken die namens verzoekers ter zitting van 7 november 2006 in kopie zijn overgelegd:

- een declaratie van 8 oktober 2002 aan [naam V.O.F.];

- een declaratie van 23 oktober 2002 aan [naam V.O.F.];

- een declaratie van 12 oktober 2004 aan [naam V.O.F.];

- een viertal (delen van) dagafschriften van bankrekeningen van het advocatenkantoor van de raadslieden.

OVERWEGINGEN

1. Het hof ziet gelet op de verwevenheid van de beide verzoeken aanleiding daarop bij één beschikking te beslissen.

2. Voornoemde beschikkingen van 25 september 2006 zijn per abuis aangeduid als beschikking van het gerechtshof te Arnhem. Dit moet zijn het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem. Het hof leest deze beschikkingen als in die zin verbeterd.

3. Het hof verwijst naar hetgeen in de - ten aanzien van verzoekers gelijkluidende - beschikkingen van 25 september 2006 is overwogen.

4. De advocaat-generaal heeft volhard bij de eerdere schriftelijke conclusie en geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de verzoeken.

5. Verzoekers en hun raadslieden hebben gepersisteerd bij de verzoeken.

6. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman. Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

7. Tegen verzoekers is in 2002 een opsporingsonderzoek gestart op verdenking van – kort samengevat – valsheid in geschrift in het kader van de MINAS-wetgeving. Zij zijn op 7 oktober 2002 in verzekering en op 9 oktober 2002 in vrijheid gesteld. Verzoekers zijn vervolgd ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift. De terechtzittingen in eerste aanleg hebben plaatsgehad op 16 juni 2004 en 7 en 8 september 2004. Verzoekers zijn op 22 september 2004 door de rechtbank te Utrecht veroordeeld ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Dit hof heeft hen bij onherroepelijk geworden arrest van 9 december 2005 daarvan vrijgesproken.

8. Verzoekers waren ten tijde van de feiten waarvan zij werden verdacht, in dienst van [naam V.O.F.], verder te noemen [naam V.O.F.]; de verweten handelingen hebben zij in het kader van hun werkzaamheden als chauffeur voor dat bedrijf verricht.

9. Tegen [naam V.O.F.] en [naam betrokkene W], bedrijfsleider van dat bedrijf, is in 2002 eveneens een opsporingsonderzoek gestart op verdenking van – kort samengevat – valsheid in geschrift in het kader van de MINAS-wetgeving. [naam betrokkene W] is op 28 oktober 2002 in verzekering en op 31 oktober 2002 in vrijheid gesteld. [naam V.O.F.] en [naam betrokkene W] zijn vervolgd ter zake van - kort samengevat - valsheid in geschrift. De terechtzittingen in eerste aanleg hebben plaatsgehad op dezelfde data als die van verzoekers. [naam V.O.F.] en [naam betrokkene W] zijn op 22 september 2004 door de rechtbank Utrecht veroordeeld ter zake van respectievelijk medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd en medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Dit hof heeft hen bij arrest van 9 december 2005 veroordeeld ter zake van: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, respectievelijk valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Tegen deze veroordeling hebben zij cassatieberoep ingesteld waarop nog niet is beslist.

10. Verzoekers, [naam V.O.F.] en [naam betrokkene W] zijn in de strafzaak bijgestaan door mrs. [naam raadsman X] en [naam raadsman Y] voornoemd. Ter zake van de rechtsbijstand in eerste aanleg aan alle vier de verdachten hebben de raadslieden door middel van de hiervoor genoemde declaraties van 8 oktober 2002, 23 oktober 2002 en 12 oktober 2004 aan [naam V.O.F.] in totaal gedeclareerd een bedrag van € 30.229,45 (incl. BTW). [naam V.O.F.] heeft deze declaraties voldaan. Dit bedrijf heeft als ondernemer de verschuldigde BTW in vooraftrek gebracht, zodat deze voor haar niet als kosten zijn aan te merken.

11. De raadslieden hebben ter zake van de rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep aan elk van verzoekers, nadat deze waren vrijgesproken, op 15 maart 2006 een declaratie gezonden ten belope van € 18.164,16. Verzoekers hebben deze declaraties niet voldaan. Daartoe ontbreken hun, zoals zij ter zitting van 7 november 2006 hebben verklaard, de financiële middelen. Voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep hebben de raadslieden aan [naam V.O.F.] en [naam betrokkene W] nog geen declaratie gezonden.

12. Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman niet bepalend is voor het beoordelen van het verzoek, maar een belangrijk uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoekers een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman en zo ja, tot welk bedrag.

13. Ter zitting van 7 november 2006 hebben de raadslieden de totstandkoming van de beide gelijkluidende declaraties van 15 maart 2006 toegelicht. Deze bevatten het aan elk van verzoekers toe te rekenen deel van de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg die reeds zijn gedeclareerd aan [naam V.O.F.] door middel van de drie hiervoor genoemde declaraties van 2002 en 2004, alsmede voor elk een kwart van de totale kosten van rechtsbijstand in hoger beroep aan de vier verdachten gezamenlijk.

14. Ter zitting van 7 november 2006 is gebleken dat de beide raadslieden door [naam V.O.F.] in de arm zijn genomen en dat tijdens de inverzekeringstelling verzoekers bijstand van de raadslieden zich heeft gericht op verzoekers maar dat de rechtsbijstand verder aan de vier verdachten gemeenschappelijk is verleend en de verdediging ook gemeenschappelijk is gevoerd.

15. De raadslieden hebben ter zitting van 7 november 2006 gesteld dat de beide declaraties van 15 maart 2006 zijn gezonden op grond van een bij de aanvang van de rechtsbijstand met verzoekers gemaakte afspraak dat de kosten van rechtsbijstand voorshands door hun werkgever, [naam V.O.F.], zouden worden betaald maar dat deze te zijner tijd aan hen in rekening zouden worden gebracht. Deze afspraak is niet schriftelijk vastgelegd. Toen het hof verzoekers ter zitting van 7 november 2006 rechtstreeks heeft gevraagd of die afspraak inderdaad is gemaakt, hebben zij daarop uiteindelijk na enige aarzeling en met terughoudendheid bevestigend geantwoord. Verder hebben verzoekers desgevraagd bevestigd dat zij geen financiële middelen hadden en hebben om de in rekening gebrachte kosten te voldoen.

16. Het hof stelt in de eerste plaats vast dat door de handelwijze van de raadslieden de kosten van rechtsbijstand voor de eerste aanleg aan verzoekers tweemaal zijn gedeclareerd: eenmaal aan [naam V.O.F.] en eenmaal aan verzoekers. Dit acht het hof een onjuiste gang van zaken.

17. In het bijzonder door het ontbreken van enig schriftelijk stuk waaruit de hiervoor onder 15 genoemde afspraak zou kunnen blijken, is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat die afspraak met verzoekers is gemaakt. Verwacht mag worden dat een dergelijke afspraak die voor verzoekers verstrekkende financiële gevolgen kan hebben, tijdig schriftelijk wordt vastgelegd. Dat is niet het geval geweest. Bovendien mag bij een dergelijke afspraak verwacht worden dat verzoekers rechtstreeks op hun naam gestelde declaraties ontvangen die dan expliciet bij wijze van voorschot door hun werkgever worden voldaan, opdat van af het begin voor hen duidelijk is wat de financiële gevolgen zijn en zij daar desgewenst ook op kunnen reageren. Ook dat is niet het geval geweest. Integendeel, de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg zijn zonder enig blijkend voorbehoud aan [naam V.O.F.] gedeclareerd en door dit bedrijf betaald, terwijl de daarover verschuldigde BTW door het bedrijf is verrekend. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg door [naam V.O.F.] voor haar rekening zijn genomen. Het hof ziet daarom geen gronden van billijkheid om aan verzoekers ter zake enige vergoeding toe te kennen.

18. Voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep geldt dat voor de vier verdachten gezamenlijk de verdediging is gevoerd. Er is voor alle verdachte één – grotendeels aan de pleitnota in eerste aanleg identieke – pleitnota voor het hoger beroep opgesteld en overgelegd. Daarin komen verzoekers slechts ter zijde aan de orde. Als verzoekers in hoger beroep niet, maar uitsluitend [naam V.O.F.] en [naam betrokkene W] terecht hadden gestaan, waren mitsdien de kosten van rechtsbijstand evenzeer gemaakt. Het voor een kwart aan elk van verzoekers toerekenen van die kosten heeft dus een fictief karakter. Bovendien geldt ook hier dat niet is komen vast te staan dat de hiervoor genoemde afspraak omtrent het alsnog in rekening brengen van de kosten van rechtsbijstand tijdig met verzoekers is gemaakt. Het hof houdt het ervoor dat de declaraties van 15 maart 2006 aan verzoekers uitsluitend zijn ingegeven om in de onderhavige procedure een vergoeding te verkrijgen. De hiervoor genoemde omstandigheden vormen op zichzelf al voldoende reden om geen vergoeding voor die kosten toe te kennen. Overigens ligt het, gelet op het feit dat de feiten die tot opsporing en vervolging van verzoekers hebben geleid, in het kader van hun werkzaamheden voor [naam V.O.F.] hebben plaatsgebonden, in dit geval bovendien voor de hand dat de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, zoals ook met die kosten in eerste aanleg is gebeurd, door de werkgever worden gedragen.

Op grond van het een en ander ziet het hof geen gronden van billijkheid om aan verzoekers ter zake van de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep enige vergoeding toe te kennen.

19. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften worden toegewezen € 540,= (inclusief BTW).

BESCHIKKENDE

Het hof:

- kent aan verzoekers toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 540,-- (zegge: vijfhonderdenveertig euro) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af het meer of anders verzochte;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op bankrekening [nummer] t.n.v. [naam].

De beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.J. Groothuizen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 18 december 2006.