Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:BE8958

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-10-2006
Datum publicatie
21-08-2008
Zaaknummer
AVNR: 10672
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Vaststaat dat klaagster en belanghebbende ingevolge een met de Staat gesloten overeenkomst op of omstreeks 1 september 2003 aan de notaris volmacht hebben gegeven ieders aandeel in de opbrengst van de verkoop over te maken op een rekening van de Staat en dat de volmacht is gedaan als zekerheidsstelling in de zin van artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering. Ook staat vast dat de notaris na ontvangst van de koopsom de beide conservatoire beslagen op de onroerende zaak heeft doen doorhalen in de openbare registers, waardoor deze beslagen zijn komen te vervallen.

Er bestaat echter geen grond – hoewel dit blijkens de inhoud van de door klaagster en belanghebbende afgegeven volmachten kennelijk wel de bedoeling is geweest – aan te nemen dat vervolgens een conservatoir beslag is komen te rusten op de opbrengst van de verkoop van de woning. Een dergelijk gevolg is, anders dan de tekst van de volmachten suggereert, niet in de werking van genoemde bepaling begrepen. Evenmin kan een dergelijk beslag door enkele wilsverklaring van de daarbij betrokken partijen in het leven worden geroepen. Ten slotte is ook niet gesteld of anderszins gebleken dat de Staat een daartoe strekkend (nieuw) beslag heeft gelegd.

Nu derhalve niet langer sprake is van een beslag, kan dit niet worden opgeheven noch kan een last tot teruggave mede omvattende vergoeding van rente worden gegeven. Aan klaagster komt geen beklagrecht toe op grond van artikel 552a Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Parketnr: 07-240030-02

Avnr: 10672

Het gerechtshof te Arnhem heeft te beslissen op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van

[naam klaagster],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres klaagster],

hierna te noemen klaagster.

Het klaagschrift strekt tot (gedeeltelijke) opheffing van conservatoire beslagen die aanvankelijk op de voet van artikel 94a van het Wetboek van strafvordering zijn gelegd op een onroerende zaak maar inmiddels beweerdelijk zouden rusten op de door middel van verkoop daarvan verkregen opbrengst, tot teruggave van een deel van de inbeslaggenomen opbrengst, tot schadevergoeding bestaande in vergoeding van gederfde rente alsmede veroordeling van de staat in de proceskosten.

Het hof heeft kennisgenomen van het klaagschrift van klaagster en de overige zich in het hofdossier bevindende stukken.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 1 augustus 2006 klaagster, bijgestaan door

mr [naam raadsman], advocaat te [plaatsnaam] en de advocaat-generaal.

Voorts heeft het hof in openbare raadkamer van 11 september 2006 gehoord de advocaat-generaal en mr [naam raadsman] voornoemd en degene onder wie bovengenoemde beslagen zijn gelegd, te weten:

[naam belanghebbende], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres belanghebbende], hierna te noemen belanghebbende.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag.

Mr [naam raadsman] voornoemd heeft namens klaagster volhard bij het klaagschrift.

De feiten

Klaagster is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met belanghebbende.

Dit huwelijk is ontbonden op 3 september 2001. Klaagster en belanghebbende waren gezamenlijk eigenaar van onder meer de tot de gemeenschap behorende woning aan de [adres woning] (verder: “de woning”). Tegen belanghebbende is op 17 februari 2002 een strafrechtelijk financieel onderzoek gestart. Op 6 mei 2002 is door de Staat ten laste van belanghebbende op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering conservatoir beslag gelegd – ervan uitgaande dat klaagster en belanghebbende met elkaar waren gehuwd geweest onder huwelijksvoorwaarden – op de onverdeelde helft van de woning.

Op 21 februari 2003 is door de Staat ten laste van belanghebbende op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering conservatoir beslag gelegd – ervan uitgaande dat klaagster en belanghebbende met elkaar waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen – op de gehele woning. Klaagster en belanghebbende wensten begin september 2003 te komen tot een verkoop en levering, vrij van beslagen, van de woning. De Staat wenste echter slechts onder voorwaarden hieraan mee te werken. Op of omstreeks 1 september 2003 zijn klaagster en belanghebbende met de Staat overeengekomen dat klaagster en belanghebbende aan de notaris bij wie de koopsom voor de woning zou worden gestort, volmacht zouden geven om ieders aandeel in de opbrengst van de verkoop over te maken op een rekening van de Staat onder vermelding van “zekerheidsstelling [naam belanghebbende]/parketnummer 07/240030-02”. Deze volmacht is verleend. In de volmacht is onder meer de bepaling opgenomen dat de volmacht “wordt gedaan als zekerheidsstelling in de zin van artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor het ten laste van (…) [naam belanghebbende] gelegde strafvorderlijk conservatoir beslag komt te rusten op het bedrag van € 659.593,14”, zodat de ten laste van belanghebbende gelegde conservatoire beslagen naar luid van de volmacht kwamen te rusten op de opbrengst van de verkoop van de woning. Op 2 september 2003 is de woning vrij van beslagen geleverd en is de opbrengst van de verkoop (€ 659.593,14) overgeboekt – zoals in de volmacht bepaald – op Rabobank rekeningnummer [nummer] ten name van Arrondissement Leeuwarden onder de bovenomschreven vermelding. Bij convenant van 22 juni 2004 hebben klaagster en belanghebbende hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verdeeld.

Ingevolge het convenant omvatte de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap als activa onder meer de opbrengst van de verkoop van de woning en als passiva een aantal gemeenschaps-schulden ten bedrage van € 225.114,-- Op of omstreeks 29 oktober 2004 is uit de opbrengst van de verkoop van de woning door de Staat aan klaagster een bedrag van € 289.732,12 betaald en is door de Staat – met instemming van klaagster – ten laste van het aan klaagster toekomende deel van de opbrengst van de verkoop van de woning een bedrag van € 40.064,45 betaald aan een deurwaarderskantoor ten gunste van Capelle Makelaars B.V., waarmee van de opbrengst van de verkoop van de woning in totaal een bedrag van € 329.796,57 (de helft van die opbrengst) aan klaagster ten goede is gekomen. Op 18 november 2004 heeft de rechtbank Zwolle belanghebbende veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.032.640,00 aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen deze beslissing heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld.

De gronden van het beklag

Namens klaagster is naar voren gebracht dat de Staat beslag heeft gelegd op de gehele onverdeelde goederengemeenschap, terwijl hij hoogstens beslag mocht leggen op de onverdeelde helft van de goederengemeenschap. Voorts is gesteld dat daarbij geldt dat een goederengemeenschap bestaat uit schulden en baten, en in dit geval sprake was van ca.

€ 131.000,= In een opgesteld echtscheidingsconvenant is klaagster de helft van de onverdeelde goederengemeenschap toegescheiden, vermeerderd met de schulden. Op grond van dit convenant komt klaagster een bedrag van € 438.786,57 uit de boedel, die zich deels nog onder de Staat bevindt, toe. Klaagster heeft daarvan € 329.796,57 ontvangen. Haar komt derhalve nog een bedrag toe van € 108.990,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2003.

De bevoegdheid van het hof

Nu belanghebbende tijdig hoger beroep heeft ingesteld bij dit hof tegen de beschikking van

18 november 2004, waarbij hij door de rechtbank Zwolle-Lelystad is veroordeeld tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.032.640,- ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, en dit beroep hangende was ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige beklag voor dit hof, beschouwt het hof zichzelf als het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd in de zin van artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, en acht het zich derhalve bevoegd om van het onderhavige beklag kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van het beklag

1. Het klaagschrift is tijdig ingediend, zodat klaagster in zoverre in elk geval ontvankelijk is in haar verzoek.

2. Het hof stelt voorop dat de beide ten laste van belanghebbende gelegde beslagen blijkens de daarbij behorende processen-verbaal van beslaglegging conservatoire beslagen waren als bedoeld in artikelen 725 e.v. jo 502 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (beslagen op onroerende zaken) maar dat het aandeel van een deelgenoot in een gemeenschap – waarvan te dezen zowel ten aanzien van klaagster als ten aanzien van belanghebbende, ten laste van wie de beslagen werden gelegd, sprake is – een vermogensrecht van andere aard is dan de eigendom van tot de gemeenschap behorende zaken en dat de Staat bevoegd was zich voor haar vordering op belanghebbende uitsluitend te verhalen op al diens goederen (vgl. artikel 3:276 BW), en dus uitsluitend op het aandeel van belanghebbende in de ontbonden huwelijksgemeenschap. Niet kan worden aanvaard dat een beslag, dat blijkens het proces-verbaal is gelegd op een niet aan de schuldenaar toebehorend recht op een goed, zou kunnen worden gewijzigd in beslag op een wel aan de schuldenaar toebehorend recht op dat goed (vgl. (rov. 5.3 van) HR 24 oktober 1995, NJ 1997, 515, en HR 30 maart 2001, NJ 2002, 380).

3. Het voorgaande impliceert dat de Staat door de onderhavige beslagen te leggen zijn bevoegdheid tot verhaalsuitoefening heeft overschreden. Dit leidt er evenwel niet toe dat het verzoek van klaagster tot opheffing van de gelegde beslagen en tot teruggave moet worden toegewezen.

4. Vaststaat dat klaagster en belanghebbende ingevolge een met de Staat gesloten overeenkomst op of omstreeks 1 september 2003 aan de notaris volmacht hebben gegeven ieders aandeel in de opbrengst van de verkoop over te maken op een rekening van de Staat en dat de volmacht is gedaan als zekerheidsstelling in de zin van artikel 118a van het Wetboek van Strafvordering. In dit verband passeert het hof de stelling van klaagster dat de overeenkomst met de Staat vernietigbaar is wegens dwang of misbruik van omstandigheden, aangezien zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Ook staat vast dat de notaris na ontvangst van de koopsom de beide conservatoire beslagen op de onroerende zaak heeft doen doorhalen in de openbare registers, waardoor deze beslagen zijn komen te vervallen.

5. Er bestaat echter geen grond – hoewel dit blijkens de inhoud van de door klaagster en belanghebbende afgegeven volmachten kennelijk wel de bedoeling is geweest – aan te nemen dat vervolgens een conservatoir beslag is komen te rusten op de opbrengst van de verkoop van de woning. Een dergelijk gevolg is, anders dan de tekst van de volmachten suggereert, niet in de werking van genoemde bepaling begrepen. Evenmin kan een dergelijk beslag door enkele wilsverklaring van de daarbij betrokken partijen in het leven worden geroepen. Ten slotte is ook niet gesteld of anderszins gebleken dat de Staat een daartoe strekkend (nieuw) beslag heeft gelegd.

6. Nu derhalve niet langer sprake is van een beslag, kan dit niet worden opgeheven noch kan een last tot teruggave mede omvattende vergoeding van rente worden gegeven, zodat aan klaagster geen beklagrecht toekomt op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar gedane verzoek.

De beslissing

Het hof:

Verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het door haar gedane verzoek.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

D.J. van der Kwaak en A. van Waarden, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr D. Mientjes, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 23 oktober 2006.