Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:BD5259

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-04-2006
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
AVNR 10311
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

HB Verzoek ex art. 591a Sv: Verzoeker is niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Onder zaak in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden verstaan een zaak waarmee (tenminste) de officier van justitie of een gemandateerde parketsecretaris enige inhoudelijke bemoeienis heeft gehad.

Weliswaar is de sepotbeslissing genomen in overleg met een politie parketsecretaris

en de officier van justitie maar er blijkt niet van zodanige bemoeienis van deze

parketsecretaris of de officier van justitie dat gesproken kan worden van een zaak in

vorenbedoelde zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

zitting houdende te

Arnhem

Avnr: 10311

Het hof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door

[Naam appellant]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [straat],

hierna te noemen appellant.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Utrecht van

18 augustus 2005, houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 6 maart 2006 de advocaat-generaal en mr [naam raadsman], advocaat te [plaats] .

Het hof heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van appellant, ingekomen op 25 april 2005 ter griffie van de rechtbank te Utrecht;

- het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek door de rechtbank;

- voormelde beschikking van de rechtbank;

- de akte rechtsmiddel van 1 september 2005, opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Utrecht, waarbij namens appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;

- een namens appellant ingediende schriftuur houdende grieven, ingekomen op

- 1 september 2005 ter griffie van de rechtbank te Utrecht;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken.

OVERWEGINGEN

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek, strekkende tot vergoeding van de kosten van de raadsman en de kosten in verband met het indienen en behandelen van het verzoekschrift, afgewezen.

3. Namens appellant is aangevoerd dat de rechtbank - kort samengevat – ten onrechte appellant schuldig heeft geoordeeld en geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval, die de inschakeling van een advocaat noodzakelijk maakten.

4. De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking waarvan beroep en subsidiair tot vernietiging van de beschikking waarvan beroep en tot vergoeding van de kosten als verzocht, met dien verstande dat de gedeclareerde reistijd slechts voor de helft voor vergoeding in aanmerking dient te worden genomen.

5. Tegen appellant is wegens een tegen hem gerezen verdenking van mishandeling door de politie proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal is niet aan de officier van justitie verzonden. De zaak is afgedaan door middel van een sepot. Appellant heeft zich in verband met de tegen hem gerezen verdenking tot een advocaat gewend. Deze heeft voor de bijstand € 1.399,44 in rekening gebracht. Verzoeker heeft op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering vergoeding van deze kosten verzocht, verhoogd met de kosten in verband met het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

6. Alvorens toe te kunnen komen aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek dient het hof de vraag te beantwoorden of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, voorzover hier van belang, dat “de zaak” is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Onder zaak in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering dient te worden verstaan een zaak waarmee (tenminste) de officier van justitie of een gemandateerde parketsecretaris enige inhoudelijke bemoeienis heeft gehad.

7. Weliswaar is de sepotbeslissing genomen in overleg met een politie parketsecretaris en de officier van justitie maar er blijkt niet van zodanige bemoeienis van deze parketsecretaris of de officier van justitie dat gesproken kan worden van een zaak in vorenbedoelde zin.

8. Appellant dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- vernietigt de beschikking, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter,

H.Y. Buyne en A. van Waarden, raadsheren, in tegenwoordigheid van

mr D. Mientjes, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 3 april 2006.