Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6609

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
2005/1117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de verklaringen van [C.] en [A.] neemt het hof als vaststaand aan, dat [C.] de stomp op zijn linker zij in het ribbengedeelte heeft gekregen. De door [geïntimeerde] afgelegde getuigenverklaring kan deze verklaringen niet ontzenuwen. [appellant] heeft dan ook het aan haar opgedragen bewijs geleverd. Met name acht het hof van belang dat [geïntimeerde] zonder enige aanleiding en geheel onverwacht de bewuste stomp aan [C.] heeft gegeven. [..] Met betrekking tot de vraag of het voorval het aan [geïntimeerde] verleende ontslag op staande voet rechtvaardigt, acht het hof ook van belang hetgeen [C.], [B.] en [A.] met betrekking tot de “overige omstandigheden” als getuigen hebben verklaard. Daaruit blijkt dat [C.] gedurende langere tijd, als enige van zijn collega’s, mikpunt was van pesterijen door [geïntimeerde], zowel verbale als fysieke (het gooien met kleibonken). [C.] was niet opgewassen tegen deze pesterijen a. gelet op zijn rustige karakter b. omdat hij bang was voor [geïntimeerde] en c. omdat hij zich schaamde dat hij niet opgewassen bleek te zijn tegen [geïntimeerde], die tien jaar jonger was dan hij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 december 2006

vijfde civiele kamer

rolnummer 2005/1117

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant] Wegenbouw B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

procureur: mr J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr P.A.C. de Vries.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van het geding tot het tussenarrest van 5 september 2006 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Ingevolge genoemd tussenarrest heeft op 24 oktober 2006 een getuigenverhoor aan de zijde van [appellant] en een tegengetuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerde] plaatsgevonden. De van deze verhoren opgemaakte processen-verbaal maken deel uit van de processtukken.

1.3 Vervolgens hebben beide partijen wederom de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof volhardt bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenarrest van 5 september 2006. In dat arrest is op sommige plaatsen [a.] vermeld. Dit dient gelezen te worden als [A.].

2.2 Ingevolge genoemd tussenarrest is [appellant] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit de door haar gestelde toedracht van het voorval, zoals omschreven in rechtsoverweging 5.7 van het tussenarrest, blijkt.

2.3 In het getuigenverhoor aan de zijde van [appellant] zijn als getuigen [B.], [A.] en [C.] gehoord. In het tegengetuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerde] is [geïntimeerde] als getuige gehoord.

2.4 Alle getuigen hebben tijdens hun verhoor een tekening van de situatie ter plaatse gemaakt, die aan het proces-verbaal is gehecht.

2.5 [B.] heeft als getuige onder andere het volgende verklaard:

met betrekking tot de toedracht van het voorval op 1 juli 2004:

Op de dag waarop het voorval plaatsvond, was [B.], samen met [A.], [C.], [D.] en [geïntimeerde], machinaal aan het straten in Dichteren. [B.] zat als machinist in de kraan. [A.] was links van [B.] bezig om halve stenen te verwerken aan de bermkant. [C.] was bij de klem van de machinale legger aan het werk. Hij hield, in een gebukte houding, de klem vast en stuurde deze een beetje, zodat [B.] de klem op de juiste plaats op de grond kon neerzetten en lossen. Toen [C.] met deze werkzaamheden bezig was, kwam [geïntimeerde], gezien vanuit de richting waarin [B.] keek, van links in de richting van [C.] aanlopen en gaf hij [C.], terwijl deze krom stond, een stomp op zijn ribben. Of [C.] de stomp rechts of links op zijn ribben kreeg, weet [B.] niet meer precies. Voor zover hij zich kan herinneren kwam die stomp ongeveer in het midden aan. Er was geen aanleiding voor [geïntimeerde] om [C.] die stomp te geven. Er was niets aan de hand. [C.] was gewoon aan het werk en [C.] deed niets verkeerds. [B.] kan zich niet herinneren of [geïntimeerde], toen hij [C.] de stomp gaf, iets tegen [C.] zei. [B.] weet wel dat [C.] op dat moment niets tegen [geïntimeerde] heeft gezegd. [B.] heeft [C.] en [geïntimeerde] goed kunnen zien. Hij had de deur en het raam van de kraan open. Nadat [B.] de stenen had gelost en de legger weer had omgedraaid om nieuwe stenen te pakken, is [C.] langs [B.] gelopen en is hij op de grond gaan zitten. [C.] zei toen iets in de trant van: “waarom nu weer”. [C.] hield met zijn handen zijn ribben vast en zei dat hij pijn had. [B.] kon zien dat [C.] pijn had.

met betrekking tot de overige omstandigheden:

Tussen [C.] en [geïntimeerde] deden zich bijna dagelijks voorvallen voor. Zo gaf [geïntimeerde] bijvoorbeeld met zijn werkschoen [C.], die op zijn knieën aan het werk was, een schop tegen zijn scheenbeen, soms tot bloedens toe. Ook gooide [geïntimeerde] stukken klei van een afstand naar [C.], waarbij hij [C.] ook raakte. [C.] werd door [geïntimeerde] geterroriseerd. [C.] was bang voor [geïntimeerde]. Dergelijke dingen deed [geïntimeerde] nooit met andere mensen. Deze waren niet bang voor [geïntimeerde] en hadden een weerwoord. De voorvallen waarover [B.] heeft verklaard, noemt hij geen geintjes.

2.6 [A.] heeft als getuige onder andere het volgende verklaard:

met betrekking tot de toedracht van het voorval op 1 juli 2004:

Op de dag waarop het voorval plaatsvond, was [A.], samen met [B.], [C.] en [geïntimeerde], machinaal aan het straten in Dichteren. [B.] zat in de cabine, hij is machinist. [A.] bevond zich links van de bestratingsmachine. Hij was bezig om materiaal (stenen) bij te zetten bij de machine. Ondertussen ruimde hij ook op. [C.] en [geïntimeerde] waren bezig om stenen in te passen en om halve stenen te verwerken. Terwijl [C.] bezig was om stenen in te passen (hij was op de grond of gebukt bezig), kwam hij op een bepaald moment omhoog. Op dat moment kreeg hij om een of andere reden een knal van [geïntimeerde]. Met een knal bedoelt [A.] een stomp. [C.] kreeg die stomp in zijn linker zij onder zijn arm. [A.] kan geen reden bedenken waarom [C.] een stomp van [geïntimeerde] kreeg. Voordat [geïntimeerde] de bewuste stomp aan [C.] gaf, heeft [A.] niet gehoord dat [geïntimeerde] en [C.] een discussie of ruzie met elkaar hadden. Zij waren wel met elkaar aan het praten, maar [A.] heeft niet gehoord wat zij tegen elkaar zeiden, omdat hij zelf bezig was. [A.] heeft goed gezien dat [geïntimeerde] de bewuste stomp aan [C.] gaf, hoewel hij op dat moment aan het werk was. Hij stond op een afstand van ongeveer 4 meter, links bij de bestratingsmachine. [A.] kon langs en tussen de machine over de klem, die ongeveer een halve meter hoog is, [C.] en [geïntimeerde] zien.

Nadat [C.] de stomp had gekregen is hij naar achteren gelopen. [C.] is daar toen eerst even blijven staan. Ook is hij even op een pak stenen gaan zitten. Dit heeft ongeveer 5 à tien minuten geduurd. [C.] heeft tegen [A.] gezegd dat hij pijn had. Hij liep ook een beetje krom. [A.] heeft tegen [C.] gezegd dat hij het maar even kalm aan moest doen. [A.] beschouwt het voorval niet als een geintje.

met betrekking tot de overige omstandigheden:

Er was al enige tijd sprake van pesterijen van de zijde van [geïntimeerde], hoofdzakelijk tegenover [C.]. Aanvankelijk was voornamelijk sprake van verbale pesterijen, later kregen deze pesterijen ook een meer fysiek karakter. [geïntimeerde] gooide met stenen, gereedschap en klonten grond, hoofdzakelijk naar [C.]. [C.] werd dan ook geraakt, of kon nog net op tijd wegspringen. [A.] heeft voor het bewuste voorval nooit gezien dat [geïntimeerde] [C.] heeft geslagen of geschopt. [C.] deed nooit iets (terug) in de richting van [geïntimeerde]. Hij is een rustig type. [C.] was wel iemand die boos werd, maar dan hield hij zich in. Hij reageerde wel eens in de richting van [geïntimeerde] met woorden als: “nu ben ik het zat” of “houd nou eens een keer op”. [A.] heeft nooit gezien dat [C.] [geïntimeerde] heeft geslagen of geschopt of dingen naar hem toe heeft gegooid. [geïntimeerde] heeft nooit met stenen, gereedschap of klonten grond naar [A.] gegooid. Dat liet [geïntimeerde] wel uit zijn hoofd, omdat [A.] zich niet liet pesten. [A.] heeft [C.], nadat deze de stomp had gekregen, geadviseerd om het voorval bij de uitvoerder te melden. [C.] heeft tegen [A.] gezegd dat hij dat niet wilde, omdat hij zich dan een klikspaan voelde. Gelet hierop voelde [A.] zich ook niet geroepen om het voorval bij de uitvoerder te melden. Voor zover [A.] weet, heeft niemand van de ploeg het voorval op 1 juli 2004 bij de uitvoerder gemeld.

2.7 [C.] heeft als getuige onder andere het volgende verklaard:

met betrekking tot de toedracht van het voorval op 1 juli 2004:

Op de dag waarop het voorval plaatsvond, was [C.], samen met [B.], [A.], [E.] en [geïntimeerde] machinaal aan het straten in Dichteren. [E.] was op die dag op een andere plaats werkzaam. [B.] zat in de cabine. [A.] was links achter de machine aanwezig. [C.] heeft op de tekening aangegeven waar [geïntimeerde] en hij zich bevonden. De afstand tussen [A.] en [geïntimeerde] en [C.] was ongeveer drie à vier meter. Op een bepaald moment was [C.] bezig om stenen in te passen, teneinde de bestrating compleet te maken. Tijdens het inpassen was hij werkzaam in een gebukte houding. Op een bepaald moment kwam [C.] vanuit die houding omhoog. [geïntimeerde] ging toen met gebalde vuisten voor hem staan, waarbij hij arrogant tegen [C.] lachte. Daarop zei [C.] iets tegen [geïntimeerde] in de trant van: “Wat moet je?”. De toon van [C.] was een beetje kwaad omdat [geïntimeerde] ’s ochtends al een hele tijd bezig was geweest om [C.] te treiteren: hij schopte, terwijl [C.] stenen aan het inpassen was, andere stenen weg. Nadat [C.] tegen [geïntimeerde] had gezegd wat deze van hem moest, kreeg [C.] van [geïntimeerde] een harde stomp op zijn linker zij in het ribbengedeelte. De stomp van [geïntimeerde] kwam voor [C.] onverwacht. Op het moment dat [geïntimeerde] voor [C.] ging staan, had [C.] niet het vermoeden dat [geïntimeerde] hem die stomp zou geven. Volgens [C.] had [geïntimeerde], voordat hij [C.] de bewuste stomp gaf, nog van een vorige stapel stenen weggeschopt. [C.] had toen tegen [geïntimeerde] gezegd dat hij dat niet meer moest doen. [C.] kan zich niet herinneren dat [geïntimeerde] daarop met woorden reageerde. [C.] staat bij dat [geïntimeerde] lachte. [C.] kan zich niet herinneren dat [geïntimeerde] die dag met kleibonken naar hem heeft gegooid.

Op het moment dat [C.] de stomp kreeg, heeft hij “au” geroepen en werd het zwart voor zijn ogen. Vervolgens is hij naar achteren gelopen, waar hij op de stenen is gaan leunen, omdat hij zo’n ontzettende pijn had. [C.] heeft ongeveer 20 minuten niet gewerkt. Daarna heeft hij zijn werk weer opgepakt, maar het is die dag niet veel geworden. Ook de dagen daarna heeft [C.] geprobeerd te werken. Ook toen heeft hij niet op volle kracht gewerkt, omdat hij pijn had. Daarna is [C.] de Ziektewet ingegaan. [C.] heeft het voorval niet als een geintje beschouwd.

met betrekking tot de overige omstandigheden:

De relatie tussen [C.] en [geïntimeerde] was slecht. Er was voortdurend sprake van pesterijen van de zijde van [geïntimeerde] jegens [C.]. [geïntimeerde] had het op [C.] gemunt. [C.] pestte [geïntimeerde] niet. De pesterijen door [geïntimeerde] gebeurden zomaar, zonder dat daarvoor enige aanleiding was. [geïntimeerde] viel [C.] met name verbaal lastig en hij gooide met kleibonken naar [C.]. [geïntimeerde] heeft [C.] vóór de bewuste stomp op 1 juli 2004 nooit geslagen of geschopt. De pesterijen hebben wel een half jaar à een jaar geduurd. [C.] weet niet waarom [geïntimeerde] dit soort dingen deed. [C.] werd wel eens boos op [geïntimeerde]. Hij is, gelet op zijn karakter, niet een type om hard tegen [geïntimeerde] in te gaan. [geïntimeerde] pestte andere collega’s uit de ploeg niet. [C.] kan zich niet herinneren dat [geïntimeerde] naar andere collega’s met voorwerpen gooide. [C.] was bang voor [geïntimeerde]. Dat heeft hij nooit rechtstreeks tegen [geïntimeerde] en ook niet tegen iemand van de leiding gezegd, hoewel hij al een tijdlang niet prettig werkte. [C.] schaamde zich ([geïntimeerde] was tien jaar jonger). [C.] heeft, ongeveer een maand vóór het bewuste voorval, bij de uitvoerder gemeld dat [geïntimeerde] kleibonken naar hem gooide. De uitvoerder heeft toen tegen [C.] gezegd dat hij dergelijke voorvallen moest melden. Volgens [C.] kon hij dan wel elke dag bij de uitvoerder op de stoep gaan staan, omdat [geïntimeerde] hem, zeker de laatste weken, bijna dagelijks pestte.

2.8 [geïntimeerde] heeft in het tegengetuigenverhoor onder andere het volgende verklaard:

met betrekking tot de toedracht van het voorval op 1 juli 2004:

Op de dag waarop het voorval plaatsvond, was [geïntimeerde], samen met [A.], [B.] en [C.] machinaal aan het straten in Dichteren. [B.] zat als machinist in de cabine. Hij keek in de richting van de klem met de partij stenen (dit heeft [geïntimeerde] op de tekening aangegeven). [A.] was niet in de directe nabijheid aanwezig. Hij was in een wijk verderop stenen met zijn shovel aan het halen. [C.] en [geïntimeerde] stonden achter de machine te wachten op stenen die zij weer kregen vanuit de klem van de machine. Toen zij stonden te wachten op de stenen, waren zij een beetje met elkaar aan het ouwehoeren en waren zij met elkaar aan het dollen/stoeien. [geïntimeerde] en [C.] zaten beiden een beetje tegen elkaar te duwen en te trekken, waarbij zij lachten. [geïntimeerde] en [C.] zijn tijdens het stoeien niet met elkaar over de grond gerold. Op een bepaald moment tijdens het stoeien, had [C.] [geïntimeerde] vast. [geïntimeerde] draaide zich toen om en in die draai kreeg [C.] per ongeluk de elleboog van [geïntimeerde] in zijn zij. [geïntimeerde] weet niet meer of het de rechter of de linker zij was van [C.]. [geïntimeerde] en [C.] stonden beiden met gebalde vuisten. [geïntimeerde] en [C.] zijn ongeveer een halve minuut met elkaar aan het stoeien geweest. Het is nooit eerder gebeurd dat [C.] en [geïntimeerde] met elkaar hebben gestoeid, zoals zij dat op die dag deden. Wel kwam het voor dat [geïntimeerde] en [C.] elkaar over een weer een vriendschappelijke, niet harde, tik op de schouder gaven.

[A.] kan niet hebben gezien wat er tussen [geïntimeerde] en [C.] is voorgevallen, omdat hij niet ter plaatse aanwezig was. Ook [B.] heeft niet gezien wat er op die dag tussen [geïntimeerde] en [C.] is voorgevallen, omdat hij de andere kant op keek. Als [B.], [A.] en [C.] anders hebben verklaard, dan is dat gewoon niet waar. Nadat [C.] de elleboog in zijn zij had gekregen, was er niets met hem aan de hand. Iedereen is die dag gewoon blijven doorwerken. [C.] is niet van zijn plaats afgegaan, [geïntimeerde] en hij zijn gewoon op de stenen blijven wachten. [geïntimeerde] heeft niet gemerkt dat [C.] pijn had. Het voorval van begin juli beschouwt [geïntimeerde] niet als ernstig. De andere collega’s hebben op dat moment ook niet ingegrepen. Als het zo erg was geweest, dan hadden zij dat wel gedaan.

met betrekking tot de overige omstandigheden:

De relatie tussen [C.] en [geïntimeerde] was goed. [geïntimeerde] heeft nooit ruzie gehad met [C.] en ook niet met andere collega’s. [geïntimeerde] heeft [C.] nooit gepest of getreiterd. Dit geldt ook voor de andere collega’s. [geïntimeerde] maakte wel eens -met woorden, niet lichamelijk- een grapje over [C.] of over een andere collega, maar daar lachte iedereen dan gewoon om. Als [B.], [A.] en [C.] hebben verklaard dat hij [C.] zou hebben gepest en getreiterd, dan is dat onjuist. Deze getuigen hebben niet uit vrije wil verklaard, dat is van hogerhand opgelegd. Concrete aanwijzingen daarvoor heeft [geïntimeerde] niet. Andere collega’s haalden ook wel eens een grapje bij [C.] uit. Zij reden dan op de fiets van [C.] rond, net op het moment dat hij naar huis wilde gaan. [geïntimeerde] vond dat soms wel te ver gaan. Van pesten was geen sprake. [geïntimeerde] heeft de indruk dat hem in de schoenen wordt geschoven, wat andere collega’s hebben gedaan. Waarom dat zo is kan hij niet zeggen, dat moet aan “hogerhand” worden gevraagd.

2.9 [geïntimeerde] heeft tijdens zijn verhoor als getuige aangegeven, dat de verklaringen van de aan de zijde van [appellant] gehoorde getuigen niet uit vrije wil zijn afgelegd, maar dat deze van hogerhand zijn opgelegd. Hierdoor worden [geïntimeerde] zaken, waaronder het voorval op 1 juli 2004, in de schoenen geschoven, die hij niet heeft gedaan. Aangezien [geïntimeerde] zelf als getuige heeft verklaard, dat hij geen concrete aanwijzingen heeft dat de hiervoor genoemde getuigen hun verklaring niet in vrijheid hebben afgelegd, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Feiten en omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat aan de geloofwaardigheid van de aan de zijde van [appellant] gehoorde getuigen, die ten tijde van hun verhoor niet meer in dienst waren van [appellant], zou moeten worden getwijfeld, zijn gesteld noch gebleken.

2.10 In rechtsoverweging 5.5 van het tussenarrest heeft het hof als vaststaand aangenomen dat het voorval tussen [C.] en [geïntimeerde] zich op 1 juli 2004 heeft voorgedaan, aangezien op die datum [A.], [B.], [C.] en [geïntimeerde] machinaal aan het straten waren in Dichteren. Dit hebben alle getuigen tijdens hun verhoor bevestigd.

2.11 [geïntimeerde] heeft aangevoerd -en ook als getuige verklaard- dat [A.] ten tijde van het voorval niet ter plaatse aanwezig was, omdat hij elders in de wijk stenen met zijn shovel aan het halen was. Zijn hiervoor vermelde stelling blijkt ook uit de door hem tijdens zijn verhoor als getuige gemaakte tekening. Zowel [A.] als [B.] en [C.] hebben als getuigen verklaard dat [A.] ten tijde van het voorval wel ter plaatse aanwezig was. Dit blijkt ook uit de door hen tijdens hun verhoor gemaakte tekeningen, die nagenoeg geheel met elkaar overeen stemmen. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde], noch als getuige, noch door middel van zijn tekening, de hiervoor vermelde getuigenverklaringen en tekeningen van [A.], [B.] en [C.] heeft kunnen ontzenuwen. Gelet hierop neemt het hof als vaststaand aan, dat [A.] ten tijde van het voorval ter plaatse aanwezig was.

2.12 Voorts heeft [geïntimeerde] aangevoerd -en ook als getuige verklaard- dat [B.] op 1 juli 2004 niet heeft gezien wat er tussen hem en [C.] is voorgevallen, omdat [B.] de andere kant op keek. Het hof gaat ook aan deze stelling van [geïntimeerde] voorbij. [B.] zelf heeft als getuige verklaard dat hij [C.] en [geïntimeerde] goed kon zien. Voorts heeft hij op de door hem gemaakte tekening aangegeven in welke richting hij keek, te weten in de richting van [C.] en [geïntimeerde]. Mede gelet op de gedetailleerde verklaring die [B.] -voor het overige- met betrekking tot het voorval heeft afgelegd, is er geen grond om aan de geloofwaardigheid van deze getuige te twijfelen. Bovendien wordt de verklaring van [B.] ook uitdrukkelijk bevestigd door [A.]. Gelet hierop neemt het hof als vaststaand aan, dat [B.] het voorval tussen [C.] en [geïntimeerde] heeft gezien.

2.13 Kern van de verklaringen van [C.], [A.] en [B.] met betrekking tot het voorval op 1 juli 2004 is, dat [geïntimeerde] op die dag [C.], die in een gebukte houding werkzaam was, zonder enige aanleiding, geheel onverwacht, een forse stomp op zijn ribben heeft gegeven. [C.] en [A.] hebben als getuigen verklaard, dat [C.] de stomp in zijn linker zij kreeg. [B.] heeft verklaard dat hij niet meer precies weet of [C.] de stomp rechts of links kreeg. Deze stomp kwam hard aan. Alle getuigen hebben gezien en dat heeft [C.] ook aan hen verteld, dat [C.] pijn had. Deze getuigen hebben voorts verklaard dat van een “geintje” geen sprake was.

2.14 De getuigenverklaring van [geïntimeerde] wijkt volledig af van de verklaringen van de overige getuigen. De verklaring van [geïntimeerde] komt er op neer dat [C.], tijdens een vriendschappelijke stoeipartij tussen hem en [geïntimeerde], per ongeluk een elleboog van [geïntimeerde] in zijn zij heeft gekregen. [geïntimeerde] heeft niet gemerkt dat [C.] pijn had.

2.15 Het hof acht de hiervoor vermelde getuigenverklaringen van [C.], [A.] en [B.] met betrekking tot het voorval op 1 juli 2004 overtuigend en geloofwaardig. Gelet op de verklaringen van [C.] en [A.] neemt het hof als vaststaand aan, dat [C.] de stomp op zijn linker zij in het ribbengedeelte heeft gekregen. De door [geïntimeerde] afgelegde getuigenverklaring kan deze verklaringen niet ontzenuwen. [appellant] heeft dan ook het aan haar opgedragen bewijs geleverd. Met name acht het hof van belang dat [geïntimeerde] zonder enige aanleiding en geheel onverwacht de bewuste stomp aan [C.] heeft gegeven.

2.16 Vast staat dat [C.] van 6 juli tot en met 14 juli 2004 arbeidsongeschikt is geweest. In de in rechtsoverweging 4.4 van het tussenarrest vermelde rapportage van de huisarts blijkt dat deze op 7 juli 2004 bij [C.] een ribcontusie heeft geconstateerd. Met uitzondering van [geïntimeerde], hebben [C.], [A.] en [B.] als getuigen verklaard dat [C.], nadat hij de stomp had gekregen, hevige pijn had. Gelet hierop acht het hof aannemelijk dat [C.] tengevolge van de stomp op zijn ribben arbeidsongeschikt is geraakt. Hieraan doet niet af dat [C.] op 1 juli 2004 en ook nog enkele dagen daarna - zo goed en zo kwaad als het ging, omdat hij zich niet wilde laten kennen- werkzaamheden heeft verricht. Uit de getuigenverklaring van [C.] blijkt dat hij bang was voor [geïntimeerde] en dat hij zich schaamde, dat hij niet opgewassen bleek te zijn tegen het gedrag van deze tien jaar jongere collega. Ook uit de hiervoor vermelde medische rapportage blijkt dat [C.] pas veel later heeft durven te vertellen omtrent hetgeen zich in juli 2004 heeft voorgedaan. Gesteld noch gebleken is voorts dat [C.] op 6 juli 2004 vanwege een andere oorzaak arbeidsongeschikt is geraakt. [geïntimeerde] heeft op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

2.17 Met betrekking tot de vraag of het voorval het aan [geïntimeerde] verleende ontslag op staande voet rechtvaardigt, acht het hof ook van belang hetgeen [C.], [B.] en [A.] met betrekking tot de “overige omstandigheden” als getuigen hebben verklaard. Daaruit blijkt dat [C.] gedurende langere tijd, als enige van zijn collega’s, mikpunt was van pesterijen door [geïntimeerde], zowel verbale als fysieke (het gooien met kleibonken). [C.] was niet opgewassen tegen deze pesterijen a. gelet op zijn rustige karakter b. omdat hij bang was voor [geïntimeerde] en c. omdat hij zich schaamde dat hij niet opgewassen bleek te zijn tegen [geïntimeerde], die tien jaar jonger was dan hij. Ook op dit punt kan de verklaring van [geïntimeerde] de verklaringen van de andere getuigen niet ontzenuwen.

2.18 Uit de getuigenverklaring van [C.] blijkt dat hij, op één uitzondering na, vanwege angst- en schaamtegevoelens, de uitvoerder bij [appellant] niet heeft durven in te lichten met betrekking tot de pesterijen van [geïntimeerde]. Ook [A.] heeft als getuige verklaard dat [C.] zelf, na het voorval op 1 juli 2004, niet wilde dat zijn collega(’s) het voorval zouden melden bij de uitvoerder. [appellant] heeft erkend dat zij op de hoogte was dat de relatie tussen [C.] en [geïntimeerde] niet bepaald koek en ei was en dat sprake was van pesterijen door [geïntimeerde] jegens [C.]. [appellant] heeft echter aangevoerd dat zij niet met de details bekend was, omdat deze zich vaak buiten haar waarneming afspeelden. Aangezien gesteld noch gebleken is dat de uitvoerder en/of de leiding van [appellant] al langere tijd op de hoogte waren van de stelselmatige pesterijen van [geïntimeerde] jegens [C.], kan [appellant] niet worden verweten dat zij niet, althans niet tijdig, heeft ingegrepen teneinde het voorval op 1 juli 2004 te voorkomen. Ook al zou [appellant] echter wel nalatig zijn geweest, dan weegt dit niet op tegen de aard en de ernst van het gedrag van [geïntimeerde] jegens [C.] op 1 juli 2004 en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor [C.], te weten zijn arbeidsongeschiktheid.

2.19 Het hof acht niet van belang of [C.], zoals [appellant] heeft gesteld en [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist, ondergeschikte was van [geïntimeerde]. Ook onder collega-stratenmakers is het gedrag van [geïntimeerde] jegens [C.] op 1 juli 2004 ontoelaatbaar.

2.20 De duur van het dienstverband van [geïntimeerde] bij [appellant] (bijna 7 jaar ten tijde van zijn ontslag) en het feit dat [geïntimeerde] naar behoren heeft gefunctioneerd, zijn geen omstandigheden die het door [appellant] aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande niet zouden kunnen rechtvaardigen. Dit geldt ook voor de leeftijd van [geïntimeerde] ( 27 jaar ten tijde van zijn ontslag) en de persoonlijke gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem heeft gehad. Vast staat dat [geïntimeerde] kort na het aan hem gegeven ontslag op staande voet via een uitzendbureau werkzaamheden heeft verricht, waarmee hij relevante inkomsten heeft verworven.

2.21 Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, heeft [appellant] [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof terecht op 8 juli 2004 op staande voet ontslagen. De grieven slagen. Dit betekent dat het bestreden vonnis van de kantonrechter dient te worden vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Terborg) van 24 februari 2005;

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Terborg) van 8 september 2005 en opnieuw recht doende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg begroot op € 1.137,50 voor salaris van haar gemachtigde en op nihil voor verschotten en in hoger beroep op € 2.235,- voor salaris van haar procureur en op € 639,57 voor verschotten;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs Fokker, Knottnerus en Wefers Bettink en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2006.