Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ6572

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-11-2006
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
2006/146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bank (geïntimeerde) heeft derdenbeslag gelegd onder de Postbank op het door haar op de rekening van [appellant] bij de Postbank doorbetaalde totaalbedrag van € 290.000,-- en betaling door [appellant] van dit bedrag gevorderd. De bank heeft zich daarbij beroepen op ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank heeft na bewijslevering de vordering toegewezen. De voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [appellant] heeft zij afgewezen. Ten aanzien van deze pretense vorderingen alsmede ten aanzien van hetgeen [appellant] voorhad met de ontvangen bedragen, heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van de zijde van [appellant] waartoe een comparitie van partijen zal worden gelast. Tevens zal, afhankelijk van het verloop van deze zitting, worden beproefd of partijen het op een of meer punten eens kunnen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 november 2006

tweede civiele kamer

rolnummer 2006/146

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

de Coöperatie Coöperatieve Rabobank Apeldoorn U.A.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.M. Bosnak.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 3 maart 2004, 21 juli 2004, 22 juni 2005 en 26 oktober 2005 die de rechtbank te Zutphen tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]), als gedaagde in conventie en eiser in voorwaardelijke reconventie, en geïntimeerde (hierna ook te noemen: de bank), als eiseres in conventie en verweerster in voorwaardelijke reconventie, heeft gewezen; van de drie laatste vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 19 januari 2006, hersteld bij exploot van 26 januari 2006, aangezegd van het vonnis van 26 oktober 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de bank voor dit hof. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis waarbij de vordering van de bank is toegewezen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de vordering van de bank zal afwijzen, met veroordeling van de bank in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven tegen de vonnissen van 21 juli 2004, 22 juni 2005 en 26 oktober 2005 aangevoerd en toegelicht.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft de bank de grieven bestreden en twee nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, met de uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [appellant] in (bedoeld zal zijn:) de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 21 juli 2004 onder 2.1 – 2.6 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, behoudens ten aanzien van de vaststelling onder 2.2. dat mevrouw [A.] (hierna: [A.]) onmiddellijk na de mededeling van de belastingdeurwaarder dat tevens executoriaal derdenbeslag gelegd zou worden op de tegoeden van de Vereniging bij de bank contact gezocht heeft met de administrateur/accountant en de vaststelling onder 2.5 dat het bedrag van f 290.000,00 tweemaal in debet is geboekt op de rekening van de Vereniging bij de bank, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan, voor zover daartegen geen grief is gericht.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 De zaak gaat, kort gezegd, over het volgende. De Vereniging Aan het Plein (hierna: de Vereniging) heeft bij de bank een betaalrekening (rekeningcourant) en een spaarrekening. Op 1 juli 2003 heeft de belastingdeurwaarder op verzoek van de ontvanger van de belastingdienst Randmeren (hierna: de Ontvanger) een aanslag ten bedrage van € 601.566,-- inzake kansspelbelasting betekend aan de Vereniging en het exploot achtergelaten aan [A.], bedrijfsleidster en procuratiehoudster van de Vereniging. De belastingdeurwaarder heeft op de aanwezige roerende zaken executoriaal beslag gelegd. Hij heeft, kort voor zijn vertrek, aan [A.] medegedeeld dat tevens executoriaal derdenbeslag gelegd zou worden op de tegoeden van de Vereniging bij de bank. [A.] heeft telefonisch contact gezocht met [B.] (hierna: [B.]), de administrateur/accountant van de Vereniging, die adviseerde om de saldi van de Vereniging bij de bank over te boeken naar de Postbankrekening van [appellant] (hierna: [appellant]), echtgenoot van [A.]. Dit in verband met opeisbare vorderingen van verschillende schuldeisers (waaronder [appellant]), alsmede ter voorkoming van liquiditeitsproblemen. [A.] heeft vervolgens de bank gebeld om telefonisch de tegoeden van de Vereniging bij de bank over te boeken naar de Postbankrekening van haar echtgenoot [appellant]. De belastingdeurwaarder heeft op 1 juli 2003 om 12.35 uur executoriaal derdenbeslag gelegd onder de bank ten laste van de Vereniging. De bank heeft in opdracht van [A.] in totaal € 290.000,-- (€ 60.000,-- en € 230.000,--) overgemaakt op de Postbankrekening van [appellant].

Op 28 juli 2003 heeft de bank de Verklaring bij derdenbeslag ingevuld en bij bank- en girorekeningen van de Vereniging is door haar als saldo van de betaalrekening ten tijde van het beslag vermeld € 58.436,32 en van de spaarrekening € 240.000,31.

De bank heeft ter voldoening aan het onder haar gelegde beslag op 16 september 2003 aan de Ontvanger € 290.000,-- overgemaakt. Het bedrag van € 290.000,-- is aanvankelijk door de bank tweemaal in debet geboekt op de rekening van de Vereniging bij de bank, in de loop van de procedure in eerste aanleg heeft de bank één debitering ongedaan gemaakt.

4.2 De bank heeft derdenbeslag gelegd onder de Postbank op het door haar op de rekening van [appellant] bij de Postbank doorbetaalde totaalbedrag van € 290.000,-- en betaling door [appellant] van dit bedrag gevorderd. De bank heeft zich daarbij beroepen op ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank heeft na bewijslevering de vordering toegewezen. De voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [appellant] heeft zij afgewezen.

4.3 Met de eerste grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. [appellant] heeft in de toelichting op de grief betwist dat sprake is van verrijking aan zijn zijde omdat de aan hem betaalde bedragen afkomstig zijn van de Vereniging en bestemd waren voor de crediteuren van de Vereniging, waaronder [appellant] zelf (memorie van grieven pagina 2, 2e alinea).

4.4 Van verrijking in de zin van artikel 6:212 BW is sprake ingeval van behaald voordeel of afgewend nadeel, terwijl het antwoord op de vraag of sprake is van verrijking wordt bepaald door een vergelijking van de vermogenstoestand van de ‘verrijkte’ na de (ongerechtvaardigde) verrijking met de vermogenstoestand van de ‘verrijkte’ zoals die zou zijn geweest indien deze verrijking niet zou hebben plaatsgevonden. Betaling van een vordering door de debiteur, ook een girale betaling zoals de onderhavige overboekingen, levert in beginsel niet een verrijking van de crediteur op. Immers, voordat de betaling plaats vindt, heeft de crediteur een vordering ten belope van (nominaal) hetzelfde bedrag.

4.5 [appellant] heeft gesteld dat met de overboekingen de openstaande vorderingen van hemzelf en van zijn echtgenote [A.] zijn voldaan en de overige schulden van de vereniging zouden worden voldaan. Dat betreft dan vorderingen van [C.], van bestuursleden van de vereniging en van [D.], aldus [appellant] (conclusie van antwoord sub 15 onder 1).

4.6 In het geval dat en voor zover sprake zou zijn van reële vorderingen, uit hoofde waarvan [appellant] en de andere genoemde crediteuren aanspraak op betaling jegens de Vereniging hadden, alsmede dat de overboekingen ten behoeve van [appellant] kunnen gelden als betalingen aan, althans bestemd voor, (doorbetaling aan) de crediteuren van deze vorderingen – hetgeen in elk geval geldt voor de overboeking ten belope van de vordering van [appellant] zelf – zal naar het oordeel van het hof niet kunnen worden gesproken van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [appellant]. Dat doorbetaling aan de andere (gestelde) crediteuren thans (nog) niet heeft plaatsgevonden kan niet aan [appellant] worden tegengeworpen omdat hij daartoe nog niet in gelegenheid is geweest nu de overgeboekte bedragen – op verzoek van de bank - door de Postbank, de bankier van [appellant], aanvankelijk intern geboekt zijn op een aparte rekening waarover [appellant] niet kon beschikken en aansluitend op die gelden door de bank beslag gelegd is.

4.7 Of in deze situatie sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de Vereniging door het (deels) tenietgaan van de belastingschuld, zoals de rechtbank heeft overwogen (rov. 7.4 slot en 7.6 van het vonnis van 21 juli 2004), kan in dit geding onbesproken blijven nu het, zoals hiervoor is overwogen, gaat om de vraag of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [appellant]. Of voorts de Belastingdienst zou hebben kunnen opkomen tegen deze overboekingen in het geval van overboeking na het leggen en in weerwil van het beslag, is evenmin onderwerp van beoordeling in de onderhavige procedure tussen de bank en [appellant].

4.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient onderzocht te worden of sprake is van reële vorderingen. [appellant] heeft, onder verwijzing naar een overzicht van de administrateur van de Vereniging (productie 5a bij conclusie van antwoord) aangevoerd het gaat om de navolgende vorderingen:

1) Vorderingen van hemzelf wegens geleverde adviesdiensten in de periode 1996 tot en met 2002 € 64.300,-- met rente. [appellant] heeft daartoe een aantal facturen in het geding gebracht (productie 5.5).

2) De vordering van zijn echtgenote [A.] welke betrekking heeft op salaris over de periode 15 juli 1997 tot en met december 2000 ad € 62.000,-- met rente. [appellant] heeft daartoe een groot aantal salarisspecificaties in het geding gebracht (productie 5.1).

Verder is, aldus [appellant], sprake van vorderingen ter zake van:

3) Een lening van [C.] ad € 75.000,-- met rente. [appellant] heeft daartoe als productie 5.4 een geschrift in het geding gebracht luidende als volgt:

“May 24, 1999

$ 75.000,-- (...)

Upon demand after value received, I promise to pay to the order of [C.] (...) U.S.A., the sum of $ 75.000 (...)

Above said amount $ 75.000 (...) was received on May 24, 1999 and must be paid back in five years.”

Het geschrift is ondertekend door [A.] en [C.].

4) Vergoedingen aan bestuursleden [E.], [F.], [A.] en [G.] ad € 34.000,--;

5) Een schuld aan [D.] ad € 130.000,-- wegens geleverde diensten en inventaris. [appellant] heeft daartoe in het geding gebracht een onderhandse akte luidende als volgt: “Vereniging aan het plein (...) Apeldoorn

Nog tegoed van de vereniging aan het plein voor geleverde goederen en diensten inde periode van juni ’97 t/m jan. 2003 een bedrag van E 130.000,--. (...)”. De akte bevat een handtekening “voor accoord” “[A.] Vereniging a.h.plein”. (productie 5.3). De bank heeft op haar beurt de gestelde vorderingen betwist.

4.9 Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Ten aanzien van deze pretense vorderingen alsmede ten aanzien van hetgeen [appellant] voorhad met de ontvangen bedragen, heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van de zijde van [appellant] waartoe een comparitie van partijen zal worden gelast. Tevens zal, afhankelijk van het verloop van deze zitting, worden beproefd of partijen het op een of meer punten eens kunnen worden. Stukken waarop partijen een beroep wensen te doen dienen tijdig aan de wederpartij en de griffie van het hof worden toegezonden.

Slotsom

4.10 Het hof zal een comparitie van partijen gelasten met het doel als onder 4.9 is overwogen. Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon /de bank vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun raadslieden zullen verschijnen voor het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.F.J.N. van Osch, die daartoe zitting zal houden op vrijdag 19 januari 2007 om 14.00 uur in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, zulks tot het geven van inlichtingen als onder 4.9 aangegeven en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat voor deze zitting in beginsel één dagdeel (van maximaal 2,5 uur) beschikbaar is;

bepaalt dat de procureur alleen in geval van dringende verhindering, tot twee weken na heden en uitsluitend schriftelijk, aanhouding kan verzoeken met vermelding van die dringende reden van verhindering en onder opgave van verhinderdata van beide partijen en dat aanhoudingsverzoeken na die datum in beginsel niet worden toegestaan;

bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden, deze tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk een week vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Heisterkamp, Olthof en Van Osch en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter open¬bare terechtzitting van 28 november 2006.