Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ4997

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
21-12-2006
Zaaknummer
ISD 2006/13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank, dat het verzoek strekkende tot tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel: De behandeling van het verzoekschrift door de rechtbank heeft onwenselijk lang geduurd. De beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen houdt in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel in. Dat hierdoor de betrokkene de mogelijkheid is ontnomen drie keer een verzoek tot beëindiging van de maatregel in te dienen en lange tijd de mogelijkheid van hoger beroep niet mogelijk was, doet hieraan niet af. Hierbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de rechtbank de zaak tweemaal heeft aangehouden, omdat zij zich niet voldoende voorgelicht achtte. De genomen beslissingen vallen binnen de marge van de beoordelingsruimte, die aan de rechter is overgelaten. Nu de wet niet de mogelijkheid biedt hoger beroep in te stellen tegen de door de rechtbank genomen tussenbeslissingen inzake artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht, komt het hof niet toe aan de vraag naar de wenselijkheid van deze genomen beslissingen. Betrokkene heeft op 21 maart 2006 besloten te stoppen met het ISD-traject. Op grond van de persoonlijkheid van betrokkene acht het hof de kans op terugval van betrokkene in zijn eerdere (delict-)gedrag bij beëindiging van de maatregel realistisch. Nu het beoogde programma niet kan worden gerealiseerd, betrokkene daarin zelf een aandeel heeft en de beoogde strekking van de maatregel, te weten beveiliging van de maatschappij, nog van betekenis is, acht het hof voortzetting van de maatregel noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

ISD 2006\013

Beslissing d.d. 4 december 2006

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[BETROKKENE],

Geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

verblijvende in [verblijfplaats]

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Zutphen van 30 juni 2006, inhoudende dat het verzoek als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht wordt afgewezen en dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is vereist en wordt voortgezet.

Overwegingen:

• Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht zal doen mede op grond van hetgeen de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard.

• De raadsman heeft betoogd dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders beëindigd dient te worden. Hij heeft hiertoe -kort samengevat- de volgende gronden aangevoerd:

1. De detentie die betrokkene in het kader van de ISD-maatregel ondergaat is onrechtmatig doordat de rechtbank door het telkenmale aanhouden van een beslissing op het verzoekschrift artikel 5, vierde lid van het EVRM heeft geschonden. Doordat de rechtbank de beslissing meerdere malen heeft aangehouden, is betrokkene de mogelijkheid ontnomen drie keer een verzoek tot beëindiging van de maatregel in te dienen en was lange tijd de mogelijkheid van hoger beroep niet mogelijk. Daarnaast heeft de rechtbank niet gehandeld met de op grond van artikel 5 EVRM vereiste spoed, terwijl de behandeling in hoger beroep eveneens niet voortvarend is geweest.

2. Het hoger beroep is mede ingesteld tegen de tussenbeslissingen van 6 januari 2006 en 3 maart 2006. De rechtbank had op 6 januari 2006 en 3 maart 2006 reeds moeten beslissen dat voortzetting van de maatregel niet zinvol was, daar de maatregel toen al respectievelijk ruim acht en ruim tien maanden duurde, zonder dat daarvoor aan betrokkene een verwijt kan worden gemaakt, immers:

- het had vier maanden geduurd voordat betrokkene in een ISD-inrichting was geplaatst;

- er werden geen interventies aangeboden;

- er werd geen dagprogramma van 59 uur per week aangeboden;

- de wettelijke termijn voor het opstellen van een verblijfsplan was overschreden;

- er was geen stand van zaken omtrent het verblijfsplan beschikbaar was.

Het hof overweegt omtrent de door de raadsman gevoerde verweren het volgende.

1. Artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt eisen aan de voortgang van de behandeling van een (straf)zaak door de rechter. Er dient zo spoedig mogelijk respectievelijk spoedig (de Engelse tekst bezigt het woord "speedily") te worden beslist. Zowel de rechtbank als het gerechtshof heeft een verdragsrechtelijke verplichting om tot een zo spoedig mogelijke behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht over te gaan.

Bij de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

• Op 21 oktober 2005 heeft betrokkene een verzoekschrift als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht ingediend, inhoudende het verzoek de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders met onmiddellijke ingang te beëindigen;

• Op 23 december 2005 heeft de rechtbank Zutphen het verzoekschrift behandeld;

• De rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 6 januari 2006 het onderzoek heropend teneinde een justitiële rapportage te laten opmaken omtrent de vraag op welke wijze uitvoering is gegeven aan het beschreven resocialisatietraject met interventies en programma's;

• Op 17 februari 2006 is de behandeling van het verzoekschrift voortgezet;

• De rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 3 maart 2006 het onderzoek opnieuw heropend teneinde een nadere justitiële rapportage te laten opmaken omtrent de stand van zaken bij de voor verzoeker lopende en mogelijk volgende interventies;

• Op 16 juni 2006 is de behandeling van het verzoekschrift weer voortgezet;

• De rechtbank heeft op 30 juni 2006 einduitspraak gedaan, inhoudende dat het verzoekschrift wordt afgewezen;

• Betrokkene heeft op 7 juli 2006 hoger beroep ingesteld;

• Op 20 november 2006 heeft de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep plaatsgevonden.

De hiervoor genoemde inspanningsverplichting dwingt tot een grotere spoed dan waarvan in de onderhavige zaak is gebleken. Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. De behandeling van het verzoekschrift door de rechtbank heeft onwenselijk lang geduurd. Het hof oordeelt dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt. Dat hierdoor de betrokkene de mogelijkheid is ontnomen drie keer een verzoek tot beëindiging van de maatregel in te dienen en lange tijd de mogelijkheid van hoger beroep niet mogelijk was, doet hieraan niet af. Hierbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de rechtbank de zaak tweemaal heeft aangehouden, omdat zij zich niet voldoende voorgelicht achtte. De genomen beslissingen vallen binnen de marge van de beoordelingsruimte, die aan de rechter is overgelaten. Nu de wet niet de mogelijkheid biedt hoger beroep in te stellen tegen de door de rechtbank genomen tussenbeslissingen inzake artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht, komt het hof niet toe aan de vraag naar de wenselijkheid van deze genomen beslissingen. De verweren worden verworpen.

2. Nu de wet niet de mogelijkheid biedt hoger beroep in te stellen tegen de door de rechtbank genomen tussenbeslissingen inzake artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht, zal het hof zich niet uitlaten over de vraag of de rechtbank ten tijde van de tussenbeslissingen op goede gronden aldus heeft kunnen beslissen. Het hof dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of thans voortzetting van de tenuitvoerlegging van maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders noodzakelijk is. Daarbij dient gezien de wettekst en de wetsgeschiedenis gebruik te worden gemaakt van het volgende beslissingskader. Allereerst moet vastgesteld worden of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige (drugs)overlast en verloedering van het publiek domein. Daarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt.

De rechtbank heeft op 5 april 2005 de maatregel opgelegd. Uit het rapport van Centrum Maliebaan, gedateerd 21 maart 2005 volgt dat betrokkene al op vroege leeftijd is begonnen cocaïne en alcohol te gebruiken. Hij gebruikt al lange tijd methadon. Naast verslavingsproblematiek is bij betrokkene sprake van een psychiatrisch ziektebeeld. Uit de brief van N.A. Schoenmaker, GZ-psycholoog, verbonden aan de psychologische dienst van [naam P.I.], gedateerd 9 februari 2006, volgt dat gekozen is voor een opname in de FPK te Assen, waarbij in eerste instantie de diagnostiek centraal zou staan. Op 22 maart 2006 zou een intake plaatsvinden. Betrokkene is vanaf 21 maart 2006 met het ISD-traject gestopt, waardoor de intake geen doorgang heeft kunnen vinden. Betrokkene gebruikt nog steeds methadon.

In het bijzonder gelet op de uitgebrachte adviezen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat, nu nog niet is toegekomen aan behandeling van betrokkenes verslavings- en psychiatrische problematiek, opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten ernstige overlast en het onveilig maken van het publieke domein als gevolg van de problematiek van betrokkene. Gelet hierop dient de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel in beginsel te worden gelast.

Vervolgens moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt. Bij de tenuitvoerlegging van de maatregel is voorzien in een langere vrijheidsbeneming in een zeer beperkt regime. Een traject dat is gericht op het veranderen van het criminele levenspatroon zal worden uitgezet als daarvoor duidelijke aanknopingspunten zijn.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de ISD-maatregel voor 23 december 2005 niet naar behoren is verlopen. Nu echter aan betrokkene inmiddels een programma met daadwerkelijke interventies en gerichte concrete stappen werd aangeboden, ziet het hof hierin geen aanleiding thans tot beëindiging van de maatregel te beslissen, te meer nu beëindiging van de maatregel -zoals hierboven reeds is vermeld- niet kan worden gebaseerd op wezenlijke vermindering van het recidivegevaar. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met het feit dat de uitvoering van het uiteindelijk aangeboden programma niet kon worden gerealiseerd, doordat betrokkene op 21 maart 2006 heeft besloten te stoppen met het ISD-traject. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die (geheel) buiten de macht van betrokkene ligt. Op grond van de persoonlijkheid van betrokkene acht het hof de kans op terugval van betrokkene in zijn eerdere (delict-)gedrag bij beëindiging van de maatregel realistisch. Nu het beoogde programma niet kan worden gerealiseerd, betrokkene daarin zelf een aandeel heeft en de beoogde strekking van de maatregel, te weten beveiliging van de maatschappij, nog van betekenis is, acht het hof voortzetting van de maatregel noodzakelijk. Het hof zal derhalve beslissen als na te melden.

Beslissing :

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Zutphen van 7 juni 2006 met betrekking tot betrokkene.

Wijst het verzoek tot beëindiging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders af.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Verheugt en Van der Herberg als raadsheren,

en dr Kaiser en drs Mensing als raden,

in tegenwoordigheid van mr Van Ek als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2006.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.