Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ3937

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
2005/1160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kernpunt van het geschil tussen partijen betreft de uitleg van het begrip “aantal gewogen dienstjaren” in de aanbevelingen 3.1 en 3.2 uit de “aanbevelingen voor procedures ex artikel 7:685 BW, vastgesteld door de vergadering van de Kring van Kantonrechters d.d. 8 november 1996 en laatstelijk gewijzigd d.d. 8 oktober 1999”.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/31
JIN 2007/96
RAR 2007, 41
JAR 2007, 31

Uitspraak

17 oktober 2006

vijfde civiele kamer

rolnummer 2005/1160

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ABVAKABO,

gevestigd te Zoetermeer,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

procureur: mr P.A.C. de Vries,

tegen:

mr Johannes Anthonius Maria Pius Keijser,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de stichting TAAK,

kantoorhoudende te Nijmegen,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

procureur: mr J.A.M.P. Keijser.

1 Het verdere verloop van het geding

Het hof verwijst voor het eerdere verloop van het geding naar het op 13 juni 2006 gewezen tussenarrest. Naar aanleiding van dat arrest heeft ABVAKABO een akte genomen, waarna partijen de stukken opnieuw voor het wijzen van arrest hebben overgelegd.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof verwijst naar en volhardt bij hetgeen het in het tussenarrest heeft overwogen en beslist.

2.2 Blijkens de door ABVAKABO overgelegde en door de curator niet betwiste inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst van 26 maart 2004, hebben partijen zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden om van een door de kantonrechter te geven beslissing in hoger beroep te komen. Dit betekent dat ABVAKABO in zoverre in haar vorderingen in hoger beroep kan worden ontvangen.

2.3 De curator voert in hoger beroep aan dat ABVAKABO in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat ABVAKABO geen, althans onvoldoende eigen belang heeft bij de vordering, en zij evenmin op de voet van het bepaalde in artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) in haar vordering kan worden ontvangen. Voor zover dit beroep niet zou kunnen worden beoordeeld in het principaal beroep, stelt de curator incidenteel beroep in en (zo begrijpt het hof) voert hij als grief aan dat de kantonrechter ABVAKABO ten onrechte in haar vorderingen ontvankelijk heeft verklaard.

2.4 Het beroep op niet-ontvankelijkheid kan slechts in het kader van een incidenteel beroep worden beoordeeld. De kantonrechter heeft ABVAKABO ontvankelijk verklaard in haar vordering en tegen deze beslissing kan slechts door het formuleren van een grief worden opgekomen. De grief van de curator faalt. ABVAKABO heeft reeds in de inleidende dagvaarding gesteld (en deze stelling is door de curator onvoldoende weersproken) dat zij een van de partijen in de met de curator gesloten overeenkomst is. Dit blijkt ook uit het afschrift van de tussen partijen gesloten overeenkomst, dat aan de memorie van antwoord in het incidenteel beroep is gehecht. Als partij bij deze overeenkomst heeft ABVAKABO een eigen belang bij de juiste nakoming van de uit deze overeenkomst voor de curator voortvloeiende verplichtingen, zodat ABVAKABO in haar vorderingen kan worden ontvangen.

2.5 Kernpunt van het geschil tussen partijen betreft de uitleg van het begrip “aantal gewogen dienstjaren” in de aanbevelingen 3.1 en 3.2 uit de “aanbevelingen voor procedures ex artikel 7:685 BW, vastgesteld door de vergadering van de Kring van Kantonrechters d.d. 8 november 1996 en laatstelijk gewijzigd d.d. 8 oktober 1999”. De desbetreffende aanbevelingen luiden:

3.1 Formule

Wanneer de rechter het verzoek tot ontbinding inwilligt wegens verandering van omstandigheden en het hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt dat aan een der partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding zal worden toegekend, zal de hoogte van deze vergoeding op de volgende wijze worden vastgesteld (de ‘kantonrechtersformule’): Vergoeding = A x B x C, waarbij

A = aantal gewogen dienstjaren

B = beloning

C = correctiefactor.

3.2 Aantal gewogen dienstjaren (a)

Voor de berekening van A (aantal gewogen dienstjaren) wordt de diensttijd afgerond op hele jaren. Vervolgens worden de dienstjaren op de volgende wijze gewogen: dienstjaren voor het 40e levensjaar tellen voor 1, van het 40e tot het 50e voor 1,5 en elk dienstjaar vanaf het 50e voor 2.

2.6 In de toelichting op aanbeveling 3.2 staat, voor zover voor deze procedure van belang:

Voor de weging van het aantal dienstjaren is de in het land meest gebruikte methode gekozen. Een voorbeeld van de toepassing van deze zogenaamde staffelmethode: bij een werknemer van 54 jaar met 17 dienstjaren geldt: A = (3 x 1) + (10 x 1,5) + (4 x 2) = 26. Peildatum voor de leeftijd van de werknemer zal (behoudens zeer bijzondere omstandigheden) zijn de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst (...) De commissie heeft gekozen voor een eenvoudig hanteerbare middenweg in de vorm van afronding op hele dienstjaren, met dien verstande dat een periode van een half jaar en één dag geldt als een heel dienstjaar.

2.7 De kantonrechter heeft geoordeeld dat een redelijke uitleg van de formule en de bijbehorende toelichting meebrengt dat de afronding naar boven plaatsvindt in de leeftijdscategorie, waarin het grootste aantal maanden (weken en dagen) van een niet vol dienstjaar vallen en afronding naar beneden in de leeftijdscategorie waarin het kleinste aantal maanden (weken en dagen) van een niet vol dienstjaar vallen. Tegen dit oordeel richten zich de grieven in het principaal beroep, die zich voor een gezamenlijke behandeling lenen.

2.8 Het hof overweegt met de kantonrechter dat, nu partijen ook in hoger beroep niets naders hebben aangevoerd over de zin die zij over en weer redelijkerwijs aan de overeengekomen maatstaf mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten of over hetgeen zij dienaangaande jegens elkaar hebben verklaard, het antwoord op de door partijen voorgelegde vraag dient te worden gevonden in de redelijke uitleg van de tekst van de kantonrechtersformule en de toelichting daarop.

2.9 Beide partijen zijn het oneens met de door de kantonrechter gegeven uitleg van de kantonrechtersformule. ABVAKABO meent dat als de werknemer na zijn 40e, respectievelijk 50e verjaardag zes maanden en één dag heeft gewerkt, al sprake is van een voor 1,5 respectievelijk 2 tellend dienstjaar. De curator daarentegen stelt dat het aantal dienstjaren wel, maar de leeftijd niet behoort te worden afgerond. Slechts het volle aantal jaren dat na de 40e of 50e verjaardag is gewerkt wordt vermenigvuldigd met de factor 1,5 of 2.

2.10 Het hof volgt de stellingen van ABVAKABO niet. In de toelichting op de aanbevelingen staat uitdrukkelijk vermeld dat de diensttijd, dat wil zeggen de totale periode dat de werknemer in dienst is geweest, op gehele jaren wordt afgerond. Vervolgens worden de (individuele) dienstjaren gewogen. Dat ook de leeftijd per de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij deze weging moet worden afgerond, blijkt niet uit de tekst en evenmin uit de toelichting daarop. Het in de toelichting opgenomen rekenvoorbeeld geeft voorts slechts één oplossing. Als de werknemer op het moment van ontbinding 54 jaar oud is, dan worden vier (en niet vijf) jaren dubbel geteld. Naar het oordeel van het hof betekent dit dat bij de weging van de individuele dienstjaren slechts rekening moet worden gehouden met de volle jaren, gewerkt na de 40e of 50e verjaardag, waarbij de (niet afgeronde) leeftijd van de werknemer per de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst in aanmerking wordt genomen.

2.11 Het hof komt dan ook, zij het op andere gronden, evenals de kantonrechter tot het oordeel dat de vordering van ABVAKABO niet kan worden toegewezen. Het bestreden vonnis zal dan ook worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal ABVAKABO worden veroordeeld in de kosten van het principaal beroep. De curator zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel beroep.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal en het incidenteel beroep:

bekrachtigt, met verbetering van de gronden, het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem) van 30 mei 2005;

en voorts in het principaal beroep:

veroordeelt ABVAKABO in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot de tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator gevallen kosten op € 244,- aan verschotten en € 894,- aan salaris voor de procureur;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

en in het incidenteel beroep:

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot de tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABVAKABO gevallen kosten op € 447,- aan salaris voor de procureur;

Dit arrest is gewezen door mrs Fokker, Knottnerus en Wefers Bettink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2006.