Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ3363

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-11-2006
Datum publicatie
30-11-2006
Zaaknummer
21-006486-05
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALM:2005:AU8380, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel ten opzichte van zes vrouwen; Loverboypraktijken. Het onvrijwillig in de prostitutie brengen en houden van diverse vrouwen en het financieel uitbuiten van deze vrouwen. Gevangenisstraf van 4 jaar en 3 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 250a
Wetboek van Strafrecht 285a
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: [nummer]

Uitspraak d.d.: 28 november 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van

20 december 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans verblijvende in [naam huis van bewaring].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 mei 2006, 7 juli 2006, 4 oktober 2006 en 14 november 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting opgegeven dat hij geen rechtsmiddel heeft willen instellen tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij hij ter zake van het onder 1 en 3 telastegelegde werd vrijgesproken. Dat betreft de deelvrijspraken ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Het hof verstaat dat het hoger beroep van verdachte uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 in de tweede plaats, 4 in de tweede plaats en 5 primair tenlastegelegde werd veroordeeld.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting opgegeven dat het Openbaar Ministerie louter in appèl is gekomen vanwege de strafmaat. Het beroep van het Openbaar Ministerie is niet gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 1 en 3 telastegelegde werd vrijgesproken. Dat betreft de deelvrijspraken ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Het hof verstaat dat het hoger beroep van het Openbaar Ministerie uitsluitend is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 in de tweede plaats, 4 in de tweede plaats en 5 primair tenlastegelegde werd veroordeeld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

Rechtsmacht

Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in Nederland ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van voornoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (HR 13 april 1999, NJ 1999, 538; HR 30 september 1997, NJ 1998, 117).

Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof zich bevoegd om van het onder 1 ten laste gelegde kennis te nemen, daar waar het gaat om de door verdachte gepleegde handelingen in Turkije en in Brazilië.

De deugdelijkheid van het opsporingsonderzoek

De raadsvrouw heeft bij verweer aangevoerd dat de met de opsporing belaste ambtenaren door de gebrekkige wijze, waarop zij het opsporingsonderzoek hebben uitgevoerd, in het bijzonder de wijze waarop zij de verklaringen van de aangeefsters c.q. getuigen hebben verkregen en vervolgens in het proces-verbaal hebben vastgelegd, een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak is tekort gedaan, zodat daaraan een van de in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, te weten de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, uitsluiting van bewijs of vermindering van straf. Meer in het bijzonder voert zij daartoe aan dat uit de door de verdediging vervaardigde transcripties van een aantal op geluidsdragers opgenomen verhoren naar voren komt dat de verbalisanten daarbij niet een kritisch-neutrale en professionele houding in acht hebben genomen, maar deze door hun houding en opmerkingen tijdens de verhoren eerder hebben "gestuurd", zodat zij geen getrouwe weergave vormen van wat in werkelijkheid is verklaard en soms cruciale en ontlastende aspecten niet in de zakelijk weergegeven verklaringen van deze aangeefsters c.q. getuigen in het proces-verbaal zijn opgenomen. Dit effect is nog versterkt door hen er van te overtuigen dat zij slachtoffers waren, na te laten processen-verbaal op te maken van de zogenaamde spiegelgesprekken, en de verhoren niet te doen afnemen door daartoe gekwalificeerde verbalisanten als bedoeld in de aanwijzingen "Bejegening slachtoffers zedendelicten" (1999A020), "Opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties"(1999A025), en "Opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik"(2005A001), waaraan nog is toegevoegd dat de aangifte van [slachtoffer 5] zelfs niet eens op een geluidsdrager is opgenomen.

Het hof overweegt hierover het volgende:

Bij tussenarrest van 21 juli 2006 heeft het hof over de door de verdediging vastgestelde discrepanties tussen de geluidsopnames van de door aangeefsters en getuigen bij de politie afgelegde verklaringen en de (zakelijke) weergave daarvan in processen-verbaal van de politieverhoren overwogen:

“Er zijn thans processen-verbaal van de verhoren, onder ambtseed opgemaakt door verbalisanten, voorhanden, die in beginsel als bewijsmiddel kunnen worden gebezigd. Vaststaat dat de geluidsband ten tijde van de verhoren van de aangeefsters en getuigen bij de politie heeft meegedraaid en dat delen van de processen-verbaal een zakelijke weergave door verbalisanten inhouden van de afgelegde verklaringen. Door de verdediging is aangevoerd dat grote delen van de processen-verbaal van de politieverhoren geen getrouwe weergave door verbalisanten zijn van hetgeen men op de geluidsdragers hoort. Daarbij heeft de verdediging reeds een aantal door haar geconstateerde discrepanties aan de orde gesteld. Het hof heeft echter tot dusver geen aanleiding gezien te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de gehanteerde werkwijze van de verbalisanten.”

Het hof heeft de verdediging in de gelegenheid gesteld alle door haar geconstateerde onregelmatigheden, die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aan verdachte verweten gedragingen, aan de orde te stellen, onderbouwd door transcripties van de letterlijke tekst van de op geluidsdrager opgenomen verklaringen. Naar aanleiding van de nadien door de verdediging aan het hof toegezonden transcripties en de daarop door haar ter terechtzitting van 4 oktober 2006 gegeven nadere toelichting, heeft het hof reeds ter terechtzitting beslist geen redenen te hebben om terug te komen op zijn eerder ingenomen standpunt, welk standpunt ook nu door het hof wordt gehandhaafd.

Het hof is zich er daarbij terdege van bewust dat de kwaliteit van het opsporingsonderzoek in deze zaak niet boven alle kritiek verheven is te achten. Zo had het wellicht –achteraf beschouwd – aanbeveling verdiend ook van de zogenaamde spiegelgesprekken verslag te doen, alle verhoren op geluidsband op te nemen, en bepaalde cruciale onderdelen van de verhoren in de letterlijke vraag/antwoord-vorm weer te geven in het proces-verbaal. Maar de aan de orde gestelde onvolkomenheden hebben naar het oordeel van het hof geen ernstige inbreuk opgeleverd op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte of van diens recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak is gehandeld.

Het hof overweegt voorts dat, hoewel het in acht nemen van de door de verdediging genoemde Aanwijzingen inzake bejegening opsporing in het algemeen aanbeveling zal verdienen, er toch ook zodanige verschillen bestaan tussen de in de Aanwijzingen aan de orde zijnde delicten en de aan verdachte verweten feiten, dat het op onderdelen kiezen voor een andere aanpak van het onderzoek verdedigbaar is. Bovendien heeft het hof vastgesteld dat de in de Aanwijzingen aanbevolen werkwijze in ieder geval -op een enkele uitzondering na- wel is gevolgd met betrekking tot het op geluidsbanden opnemen van verhoren van aangeefsters en getuigen, zodat de inhoud van het overgrote deel van de door deze personen afgelegde verklaringen achteraf te controleren is, hetgeen in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk is geschied. Voor zover er door de niet volledige inachtneming van de Aanwijzingen onvolkomenheden in het opsporingsonderzoek zijn geslopen, zijn deze naar het oordeel van het hof voldoende ondervangen, doordat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een groot aantal aangeefsters en getuigen - sommige zelfs meerdere keren - is gehoord door de rechter-commissaris en/of ter terechtzitting. Daarbij zijn eerder bij de politie afgelegde verklaringen op hoofdlijnen, en vooral ook op essentiële onderdelen gehandhaafd.

Het hof concludeert op deze gronden dat de processen-verbaal van verhoor, op ambtseed opgemaakt, voldoende betrouwbaar zijn om als grondslag te dienen voor de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en vindt, nu ook anderszins niet is gebleken van onzorgvuldig onderzoek en/of ongeoorloofde druk en/of sturing door verbalisanten, geen reden het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel tot bewijsuitsluiting of strafvermindering over te gaan. Het desbetreffende verweer van de verdediging wordt op deze gronden in alle onderdelen verworpen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de nadere omschrijving telastelegging bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Uitleg van het onder 5 tenlastegelegde feit

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat blijkens de tekst van artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht dit feit op verschillende wijzen kan worden gepleegd, te weten: mondeling, door gebaren, bij geschrift of bij afbeelding. In de onderhavige tenlastelegging is geen van voormelde varianten opgenomen. Echter, uit de nadere omschrijving van hetgeen verdachte wordt verweten begrijpt het hof dat de steller van de tenlastelegging heeft bedoeld dat de feiten “mondeling” zijn gepleegd. Het hof merkt vorenstaande derhalve aan als een kennelijke omissie, door verbetering waarvan verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding

Artikel 250a Wetboek van Strafrecht is per 1 januari 2005 vervangen door artikel 273a Wetboek van Strafrecht. Artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht zag op alle vormen van uitbuiting van een ander in de prostitutie, waaronder datgene wat in artikel 250ter (oud) expliciet werd aangemerkt als mensenhandel. Artikel 273a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht ziet op mensenhandel in het algemeen, daaraan gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop, aldus de Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nr. 3. De nieuwe strafbepaling is dan ook opgenomen in titel XVIII van het Tweede Boek, die gewijd is aan misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever bij de term “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht” mede het oog heeft gehad op het brengen van een ander in een afhankelijke situatie waarin deze in diens keuzevrijheid wordt beperkt. Als een factor, die daarbij van belang kan zijn, heeft de wetgever uitdrukkelijk genoemd het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen, een omstandigheid, die volgens de wetgever als een uitbuitingssituatie is aan te merken. In het algemeen heeft de wetgever gesteld dat van een uitbuitingssituatie sprake kan zijn, indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren. Een eventuele instemming van het slachtoffer met zijn/haar uitbuiting is dus niet bepalend. Wezenlijk is dat het slachtoffer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken of te blijven, en in feite de vrijwilligheid bij het slachtoffer geheel, althans in ernstige mate ontbreekt. De omstandigheid, dat het slachtoffer reeds eerder bij prostitutie betrokken was, vormt op zich zelf nog geen aanwijzing voor vrijwilligheid.

In deze strafzaak is sprake van meisjes en jonge vrouwen, die in een positie van emotionele afhankelijkheid zijn gebracht door verdachte en zijn mededader(s). Verdachte en/of zijn mededader(s) gingen in deze opzet een relatie aan met een vrouw, aan wie in het begin alle aandacht en liefde werd gegeven en een gouden toekomst met verdachte in het vooruitzicht werd gesteld. Vervolgens kwam – veelal vrij snel - een omslagpunt in de relatie, waarna de vrouw door de verdachte werd voorgehouden dat, als zij met hem verder wilde, zij degene was die - door zich te prostitueren - voor de financiële middelen moest zorgen. Als de vrouw dan eenmaal in de prostitutie was gebracht, werd zij vervolgens verplicht om alle verdiensten aan verdachte en/of zijn mededader(s) af te geven, veelal onder het voorwendsel dat het geld zou worden gespaard voor hun beider toekomst. Zowel uit verklaringen van diverse aangeefsters als ook uit de verslagen van verschillende tapgesprekken blijkt dat verdachte en/of zijn mededader(s) besliste(n) dat een vrouw pas met haar werkzaamheden voor die dag mocht stoppen als een bepaald bedrag was verdiend, zoals ook voor haar werd bepaald waar en wanneer zij moest werken. Verdachte en/of zijn mededader(s) hebben aldus handelende een aanzienlijk overwicht gekregen op de vrouwen en/of hen misleid. Bovendien is zo door verdachte en/of zijn mededader(s) ook voordeel getrokken uit het geld, dat de vrouwen met hun prostitutie hadden verdiend. Diverse vrouwen zijn met het werken voor verdachte(n) gestopt, zodra zij vernamen dat verdachte(n) inmiddels een andere vriendin had(den), die ook in de prostitutie was beland. Van een ‘mondige prostitué(e)’, zoals de wetgever die heeft omschreven, is in de beschreven omstandigheden in het geheel geen sprake. Ook de omstandigheid dat sommige van de in deze zaak betrokken vrouwen reeds eerder als prostituee werkten doet aan het voorgaande niet af. Naar het oordeel van het hof leveren de bewezenverklaarde feiten en omstandigheden, “misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of misleiding” op.

Medeplegen

Door de verdediging is voorts het verweer gevoerd, dat het aan verdachte tenlaste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen, omdat de daarvoor vereiste bewuste en nauwe samenwerking met zijn medeverdachte(n) en/of de gezamenlijke uitvoering van de feiten ontbrak, nu hij immers op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de gezamenlijke organisatie en/of uitvoering van het in de prostitutie brengen en houden van alle in de telastelegging genoemde vrouwen. Verdachte had – aldus de raadsvrouwe – aan zijn eigen vriendin(nen) zijn handen vol, en bemoeide zich al helemaal niet met de vriendinnen van zijn medeverdachten 1 en 2.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de aard, de vorm, de gemeenschappelijke elementen in de gekozen opzet en het intensieve karakter van verdachte’s betrokkenheid bij de aan hem en zijn medeverdachten 1 en 2 verweten strafbare feiten van dien aard zijn geweest, dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het hem tenlaste gelegde “tezamen en in vereniging met anderen” heeft gepleegd.

Zo zijn als gemeenschappelijke elementen in de wijze waarop de verdachten te werk gingen, aan te wijzen het oproepen en misbruik maken van hevige verliefdheid bij het slachtoffer, het door de verdachten aan elkaar introduceren van deze meisjes, het vervolgens aangaan met hen van een wat langduriger relatie, waarbij in de regel geheim werd gehouden, dat verdachte(n) ook nog contacten onderhield(en) met andere meisjes. Aan de slachtoffers werd in de regel een rooskleurige toekomst in het vooruitzicht gesteld, waarvoor echter geld nodig was, waarna zij beurtelings door de ene of de andere verdachte in de prostitutie te werk werden gesteld, daartoe instructies ontvingen, (gezamenlijk) naar een werkplek werden gebracht, hun geld afdroegen aan verschillende verdachten, die de opbrengst beurtelings bij de meisjes ophaalden (of lieten ophalen) en vervolgens in een gezamenlijke pot stortten, waarvan verdachte en [medeverdachte 1] onder meer op vakantie zijn gegaan naar Brazilië en Turkije.

Uit de door het hof aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegde bewijsmiddelen, waarvan ook deel uitmaken onderdelen van de verklaringen van de getuigen [1], [2], [3] en [slachtoffer 8], blijkt tenslotte genoegzaam van de hiervoor beschreven nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten onderling, zij het in een variërende frequentie en intensiteit, op grond waarvan het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het hem onder 1 tenlaste gelegde “tezamen en in vereniging met anderen” heeft gepleegd.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] tegenstrijdig, onbetrouwbaar en niet geloofwaardig zijn en voor het bewijs moeten worden uitgesloten. De overige bewijsmiddelen zijn bovendien van horen zeggen en kunnen worden herleid tot één bron, namelijk de aangeefsters zelf, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft voorts subsidiair verzocht om, indien het hof de verklaringen van de aangeefsters als bewijs zal bezigen, de behandeling van de zaak te schorsen, teneinde de deskundige prof. dr Van Koppen te laten rapporteren omtrent de aard van de verklaringen van de aangeefsters, en de effecten van de in de opsporing door de verbalisanten gevolgde werkwijze.

Het hof overweegt hieromtrent dat de verklaringen van de aangeefsters [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] in onderling verband beschouwd met andere bewijsmiddelen voldoende consistent zijn, vele met elkaar overeenstemmende details bevatten, en zeker niet alleen aan te merken als verklaringen van horen zeggen, zodat zij naar het oordeel van het hof als voldoende betrouwbaar kunnen gelden. Weliswaar heeft het hof ook vastgesteld dat de aangeefsters op bepaalde (naar het oordeel van het hof: ondergeschikte) punten tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd, maar de voor de tenlastegelegde feiten essentiële onderdelen van hun verklaringen vinden in belangrijke mate steun in de verklaringen van andere getuigen. Bovendien zijn de meeste aangeefsters en getuigen in een later stadium ook nog door de rechter-commissaris gehoord, en hebben zij daar veelal uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij blijven bij hetgeen zij toentertijd bij de politie hadden verklaard. Behalve deze verklaringen bevinden zich in het dossier ook enkele verklaringen van verdachte zelf, afgelegd vóórdat hij van zijn zwijgrecht gebruik maakte, en ook verslagen van diverse tapgesprekken, die de verklaringen van diverse aangeefsters ondersteunen, dat zij van verdachte en/of zijn medeverdachte met hun prostitutiewerkzaamheden pas mochten stoppen als een bepaald bedrag was verdiend en dat zij alle verdiensten moesten afstaan. Het hof acht de verklaringen van deze aangeefsters voldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te gebruiken.

Het door de verdediging subsidiair en zeer algemeen gestelde verzoek tot benoeming van prof. dr P.J. van Koppen als deskundige in deze zaak, is reeds eerder door het hof afgewezen. Het hof voegt daaraan nog toe, dat het bij uitstek de taak van de rechter is om alle eventuele bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, te toetsen op onder meer rechtmatigheid, deugdelijkheid, betrouwbaarheid en overtuigendheid. Voor die toetsing acht het hof in deze zaak geen nader deskundigenonderzoek nodig, zodat - nu van enige andere redelijke grond voor inwilliging niet is gebleken - dit verzoek wederom wordt afgewezen.

Gedeeltelijke vrijspraak feit 1 (ten aanzien van [slachtoffer 10]) en feit 2

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1, betreffende zaaksdossier 10, en feit 2, nu de verklaringen van [slachtoffer 10] (vanwege tegenstrijdigheden) onbetrouwbaar en niet geloofwaardig zijn. Haar verklaringen worden ook weerlegd door de verklaringen van [getuige 4], [getuige 5] en [slachtoffer 8], zodat de verklaringen van [slachtoffer 10] voor het bewijs moeten worden uitgesloten. De overige getuigenverklaringen zijn bovendien voornamelijk van horen zeggen en komen uit één en dezelfde bron, te weten die van aangeefster [slachtoffer 10].

Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit voor zover betreffende [slachtoffer 10] (zaaksdossier 10), en van het onder 2 ten laste gelegde, aangezien het hof onvoldoende door de inhoud van wettige bewijsmiddelen is overtuigd dat [slachtoffer 10] door verdachte onvrijwillig in de prostitutie is gebracht of gehouden. Het hof heeft hierbij de verklaringen van aangeefster, van verdachte en van de andere getuigen gewogen, laten meewegen dat de ten laste gelegde feiten ten aanzien van [slachtoffer 10] dateren van geruime tijd geleden, en dat de verklaringen van de andere getuigen vooral zijn gebaseerd op hetgeen zij eerst in een later stadium van aangeefster hebben gehoord, waarbij de precieze data en vermeende handelingen van verdachte niet voldoende overtuigend uit de verklaringen naar voren komen. Dit klemt temeer nu de rechter-commissaris, in het proces-verbaal van het verhoor van [slachtoffer 10] op 23 oktober 2006, bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 10] bijzondere behoedzaamheid heeft aanbevolen. Het hof acht ook het eventuele steunbewijs onvoldoende precies en onvoldoende concreet om bij te dragen tot bewijs voor de aan verdachte ten laste gelegde handelingen ten aanzien van [slachtoffer 10], en zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 1 voor zover het [slachtoffer 10] betreft, en van feit 2.

Vrijspraak feit 3 en feit 4

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de raadsvrouw gesteld dat [slachtoffer 11] niet in de prostitutie werkzaam is geweest. Ook is geen sprake geweest van een strafbare poging, aangezien het noodzakelijke vereiste van een begin van de uitvoering ontbreekt. Voor het aannemen van een poging is voorts nodig dat de gedragingen gericht zijn op voltooiing van het misdrijf van, in casu, de mensenhandel. Het enkele omgaan met [slachtoffer 11] en met haar sms-en levert nog geen begin van uitvoering op. Het is in onderhavige geval niet duidelijk of het de bedoeling was om [slachtoffer 11] onder dwang in de prostitutie te brengen. Gelet op het voorgaande dient verdachte naar het oordeel van de raadsvrouw vrijgesproken te worden van het hem onder 3 in de eerste en tweede plaats en 4 in de eerste en tweede plaats ten laste gelegde.

Het hof zal verdachte vrijspreken van het onder 3 in de eerste plaats en van het onder 4 in de eerste plaats ten laste gelegde wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Vast staat immers dat [slachtoffer 11] niet in de prostitutie werkzaam is geweest, zodat van een voltooid delict geen sprake is.

Ten aanzien van het onder 3 in de tweede plaats en 4 in de tweede plaats tenlastegelegde, te weten de poging tot mensenhandel, overweegt het hof als volgt. De feitelijke handelingen, genoemd in de gedachtenbolletjes 1 tot en met 4 in de tenlastelegging, staan naar het oordeel van het hof op zich voldoende vast en kunnen wettig en overtuigend worden bewezen. Dit geldt niet voor het laatste, vijfde, gedachtenbolletje. Om te kunnen spreken van een strafbare poging is een begin van uitvoering vereist. De door het hof bewezen te achten feitelijke handelingen zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om deze aan te merken als een begin van uitvoering van de tenlastegelegde mensenhandel. Immers deze handelingen hoeven naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet persé gericht te zijn op voltooiing van het misdrijf van mensenhandel. Hooguit kan worden gesproken van het inpalmen van [slachtoffer 11] door verdachtes mededader, maar concrete handelingen die naar hun aard slechts konden zijn gericht op het daadwerkelijk in de gedwongen prostitutie brengen van [slachtoffer 11], zijn niet in de tenlastelegging opgenomen.

Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 3 in de tweede plaats en feit 4 in de tweede plaats, omdat geen sprake is van een strafbare poging tot mensenhandel.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel –ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 31 december 2004, in Nederland en/of in Turkije en/of in Brazilië, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

meermalen, telkens een of meer ander(en), genaamd [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9]

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling

en

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of

door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) uit de

opbrengst van haar/hun seksuele handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen, en

meermalen telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit (een) seksuele handeling(en) van die vrouw(en) met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die vrouw(en) zich door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding beschikbaar heeft/hebben gesteld tot het plegen van die handeling(en),

bestaande dat misbruik en/of die misleiding (telkens) hieruit dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

(ten aanzien van [slachtoffer 5] ; zaakdossier 03)

· (verdachte) met voornoemde [slachtoffer 5] een seksuele relatie is aangegaan en tegen [slachtoffer 5] heeft gezegd dat zij (weer) moest gaan werken (als prostituee) omdat zij geen geld meer hadden en dat zij maar twee maanden hoefde te werken en dat het door haar verdiende geld bestemd was voor hun gezamenlijke toekomst en werd geïnvesteerd in een autobedrijf en dat hij zou gaan als zij niet ging werken en met [slachtoffer 5] op vakantie naar Turkije en Brazilië is/zijn gegaan, en

· met [slachtoffer 5] naar Utrecht en Amsterdam is/zijn gereden en een of meer kamers in Amsterdam en in Utrecht heeft/hebben geregeld/gehuurd, alwaar [slachtoffer 5] haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en [slachtoffer 5] naar die plaatsen heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest werken en [slachtoffer 5] vanaf/uit die plaatsen heeft/hebben opgehaald/op doen halen en

· [slachtoffer 5] opdracht heeft/hebben gegeven en onder druk heeft/hebben gezet en ertoe heeft/hebben aangezet om een groot aantal dagen per week, en een (groot) aantal uren per dag als prostituee te werken en

· tegen [slachtoffer 5] heeft/hebben gezegd dat zij moest (door)werken als zij ongesteld was en dat zij dan maar een sponsje moest gebruiken, en

· heeft/hebben bepaald en tegen [slachtoffer 5] heeft/hebben gezegd hoe en waar zij haar werkzaamheden moest verrichten, en

· heeft/hebben zorggedragen voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten (daaruit) van [slachtoffer 5] en het afdragen van de verdiensten door [slachtoffer 5] aan verdachte en/of zijn mededader, en

· [slachtoffer 5] al haar verdiensten heeft/hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader, en

· heeft/hebben bepaald en tegen [slachtoffer 5] heeft/hebben gezegd hoeveel geld zij (op een dag) moest verdienen, voordat zij mocht stoppen met haar prostitutiewerkzaamheden en hoe lang en wanneer zij (op een dag) moest werken, en

· (verdachte) [slachtoffer 5] heeft gestompt en geslagen en met een riem op de rug heeft geslagen en (brandende) sigaretten op/tegen haar hand(en), althans het lichaam heeft uitgedrukt, en

· (verdachte) tegen [slachtoffer 5] heeft gezegd dat zij bij hem hoorde en dat hij haar helemaal kapot zou maken, als zij ooit bij hem weg zou gaan en dat hij haar dood zou maken, als zij terug zou gaan naar haar moeder, althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van [slachtoffer 5] heeft gezet en gehouden, en

· [slachtoffer 5] heeft/hebben uitgescholden, en

· (verdachte) een telefoonabonnement op naam van [slachtoffer 5] heeft afgesloten en/of laten afsluiten, ten gevolge waarvan [slachtoffer 5] een rekening ontving en een schuld op haar naam kreeg, en

· heeft/hebben verhinderd dat [slachtoffer 5] uit eigen vrije wil haar prostitutiewerkzaamheden zou kunnen beëindigen, en

· (verdachte) [slachtoffer 5] ertoe heeft gebracht een tatoeage op haar lichaam te laten

zetten, bestaande uit onder meer de naam van verdachte en

· (verdachte) nadat [slachtoffer 5] zwanger was geraakt van verdachte tegen [slachtoffer 5] heeft gezegd dat zij het kind moest laten weghalen, anders zou hij haar vermoorden en dat hij het kind uit haar buik zou slaan en dat hij nog geen kind wilde en dat zij nog geen kind konden nemen omdat [slachtoffer 5] nog niet klaar was met werken en dat hij heel veel van [slachtoffer 5] hield en dat hij over een tijdje een nieuw kind bij haar zou verwekken en [slachtoffer 5] onder druk heeft gezet een abortus te laten plegen en met [slachtoffer 5] naar een abortuskliniek is gereden en (aldaar) tegen [slachtoffer 5] heeft gezegd: "Je laat het kind weghalen, je laat je niet ompraten. Je zegt ja", althans (telkens) woorden van gelijke aard of strekking, en

· [slachtoffer 5] in een door verdachte en/of zijn mededader gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden.

en

(ten aanzien van [slachtoffer 6] ; zaakdossier 04)

· (verdachte) met voornoemde [slachtoffer 6] een seksuele relatie is aangegaan en tegen [slachtoffer 6] heeft gezegd dat verdachte een meisje kende dat wel voor hem in de prostitutie wilde werken en dat hij dan wel voor dat meisje zou kiezen in plaats van voor [slachtoffer 6] (als [slachtoffer 6] dat werk niet wilde doen) en tegen [slachtoffer 6] heeft gezegd dat zij moest werken voor de toekomst en dat het door haar verdiende geld bestemd was voor hun gezamenlijke toekomst en werd geïnvesteerd in een autobedrijf en in een huis in Turkije en met [slachtoffer 6] op vakantie is/zijn gegaan naar Turkije, en

· met [slachtoffer 6] naar Amsterdam is/zijn gereden en kamers in Amsterdam en in Utrecht heeft/hebben geregeld/gehuurd en [slachtoffer 6] (een) kamer(s) heeft/hebben laten regelen/huren, alwaar [slachtoffer 6] haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en [slachtoffer 6] naar die plaatsen heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest werken, en [slachtoffer 6] vanaf/uit die plaatsen heeft/hebben opgehaald/doen ophalen, en

· [slachtoffer 6] opdracht heeft/hebben gegeven en onder druk heeft/hebben gezet en ertoe heeft/hebben aangezet om een groot aantal dagen per week, en een (groot) aantal uren per dag als prostituee te werken, en

· tegen [slachtoffer 6] heeft/hebben gezegd dat zij moest (door)werken als zij ongesteld was en dat zij dan maar een sponsje moest gebruiken, en

· heeft/hebben bepaald en tegen [slachtoffer 6] heeft/hebben gezegd hoe en waar [slachtoffer 6]

haar werkzaamheden moest verrichten, en

· (verdachte) telefonisch en via SMS-berichten aan [slachtoffer 6] heeft gevraagd hoeveel zij (op dat moment) al verdiend had en haar (daarop) heeft meegedeeld zakelijk weergegeven dat [slachtoffer 6] moest doorwerken en dat zij 's middags in Amsterdam moest gaan werken, als ze het 's avonds in Utrecht slecht had en dat zij beter haar best moest doen en "Ik ga straks heel erg boos worden, als je hier bent, ik word echt heel pissig" en "en wel door verdienen, ik accepteer vandaag geen weinig" en "Ga maar je werk doen. Als het goed is kom je naar huis, als het niet goed is kom je niet haar huis" en "Als jij niet snel wat verdient weer zoals vroeger, dan zoek ik er een ander bij" en "je moet doen wat ik jou zeg" en "[slachtoffer 12] moet nog 100 en jij moet ook nog 100" en "laat mij jou maar zeggen wanneer je naar huis mag, jij hebt helemaal niks te zeggen ja, daarover, dat kan jij niet beslissen" en "Als het je niet lukt om 1150 te pakken, dan kun je wel eens heel laat bij je ouders terechtkomen" en

· heeft/hebben zorggedragen voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten (daaruit) van [slachtoffer 6] en het afdragen van de verdiensten door [slachtoffer 6] aan verdachte en/of zijn mededader, en

· [slachtoffer 6] al haar verdiensten heeft/hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader, en

· heeft/hebben bepaald en tegen [slachtoffer 6] heeft/hebben gezegd hoeveel geld zij op een dag moest verdienen, voordat zij mocht stoppen met haar prostitutiewerkzaamheden en hoe lang en wanneer zij (op een dag) moest werken, en

· (verdachte) [slachtoffer 6] heeft geslagen en geschopt en (brandende) sigaretten op/tegen haar arm(en) heeft uitgedrukt, en

· (verdachte) [slachtoffer 6] telefonisch de volgende (dreigende) woorden heeft toegevoegd: "de volgende keer geef ik je eerst een dreun en daarna praten we verder ja" en (zakelijk weergegeven) dat ze snel thuis moet komen, als ze een grote bek geeft gaat hij haar blauw slaan voordat ze ergens heen gaat en "Wat denk je, dat je de baas over mij kan zijn? Wie maakt hier de regels uit, jij gaat helemaal niet naar die fucking rechtbank, daar heb je niets te zoeken, klaar. Enige wat moet is wat ik zeg tegen jou." en "Laat jouw familie nooit meer in de buurt komen bij de plekjes waar wij komen. Wil jij je ouders nog in goede staat zien, dan moet je vooral niet met [medeverdachte 1] gaan fucken" en "heb jij het lef nog een keer om er doorheen te praten tegen mij. Als ik mijn mond open heb, dan praat jij niet meer. Nooit meer. Anders kom jij vanavond thuis en dan mag jij met een blauw oog naar je moeder" en "Als ik je zie, ik maak je af, ik maak je echt kapot. Ik breek echt een botje van jou echt, meen het serieus", en

· [slachtoffer 6] heeft/hebben uitgescholden, en

· een telefoonabonnement op naam van [slachtoffer 6] heeft/hebben afgesloten en/of laten afsluiten en auto's op naam van [slachtoffer 6] heeft/hebben gezet en/of laten zetten en [slachtoffer 6] ertoe heeft aangezet/gebracht een of meer formulieren te tekenen, waarmee zij aangaf (zakelijk weergegeven) dat zij verantwoordelijk was voor een bepaalde verkeersovertreding (die zij niet had begaan), ten gevolge waarvan [slachtoffer 6] een groot aantal rekeningen en/of boetes ontving en/of verkeersovertredingen en schulden op haar naam kreeg, en

· heeft/hebben verhinderd dat [slachtoffer 6] uit eigen vrije wil haar prostitutiewerkzaamheden zou kunnen beëindigen, en

· [slachtoffer 6] in een door verdachte en/of zijn mededader gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden;

en

(ten aanzien van [slachtoffer 12]; zaakdossier 05)

· (verdachte's mededader) met voornoemde [slachtoffer 12] een seksuele relatie is aangegaan en

· [slachtoffer 12] onder druk heeft/hebben gezet en ertoe heeft/hebben aangezet om een groot aantal dagen per week, en een (groot) aantal uren per dag als prostituee te werken, en

· kamers in Amsterdam en in Utrecht heeft/hebben geregeld/gehuurd, alwaar [slachtoffer 12] haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en [slachtoffer 12] naar die plaatsen heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest werken, en [slachtoffer 12] vanaf/uit die plaatsen heeft/hebben opgehaald/doen ophalen en

· (verdachte's mededader) telefonisch aan [slachtoffer 12] heeft gevraagd hoeveel zij (op dat moment) al verdiend had en/of haar (daarop) meegedeeld dat [slachtoffer 12] meer geld moest 'pakken' en meer haar best moest doen en dat [slachtoffer 12] aan een 24-uurs kamer moest gaan denken en "tuurlijk mag je weg .. als je 500 hebt" en "voor 7 gaan we niet naar huis .. ga maar lekker opstaan .. een beetje dansen .. pak maar die klanten" en dat [slachtoffer 12] haar best moet doen en boven de 1000 moet komen en "maak nou maar gewoon 1000 .. want de hele fucking week is het al slecht" en

· [slachtoffer 12] al haar verdiensten heeft/hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader, en

· heeft/hebben bepaald en tegen [slachtoffer 12] heeft/hebben gezegd hoeveel geld zij op een dag moest verdienen, voordat zij mocht stoppen met haar prostitutiewerkzaamheden, en hoe lang en wanneer zij (op een dag) moest werken, en

· [slachtoffer 12] heeft/hebben geslagen en geschopt, en

· [slachtoffer 12] heeft/hebben uitgescholden en gekleineerd, en

· heeft/hebben verhinderd dat [slachtoffer 12] uit eigen vrije wil haar prostitutiewerkzaamheden zou kunnen beëindigen, en

· [slachtoffer 12] in een door verdachte en/of zijn mededader gecontroleerde situatie

heeft/hebben gehouden;

en

(ten aanzien van [slachtoffer 7] ; zaakdossier 06)

· (verdachte's mededader) met voornoemde [slachtoffer 7] een seksuele relatie is aangegaan en [slachtoffer 7] heeft beloofd om te gaan samenwonen en heeft gezegd dat hij met [slachtoffer 7] graag kinderen wou en dat hij haar zwanger zou maken in de vakantie en [slachtoffer 7] en haar ouders een vakantie in Turkije heeft aangeboden en haar cadeaus zoals sieraden en kleding heeft gegeven en met [slachtoffer 7] op vakantie is/zijn gegaan naar Brazilië, en

· met [slachtoffer 7] naar Amsterdam is/zijn gereden en tegen [slachtoffer 7] heeft/hebben gezegd dat zij haar paspoort moest meenemen en kamers in Amsterdam en in Utrecht heeft/hebben geregeld/gehuurd, alwaar [slachtoffer 7] haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en [slachtoffer 7] naar die plaatsen heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest werken, en [slachtoffer 7] vanaf/uit die plaatsen heeft/hebben opgehaald/doen ophalen, en

· [slachtoffer 7] opdracht heeft/hebben gegeven en onder druk heeft/hebben gezet en ertoe heeft/hebben aangezet om een groot aantal dagen per week, en een (groot) aantal uren per dag als prostituee te werken, en

· tegen [slachtoffer 7] heeft/hebben gezegd dat zij moest (door)werken als zij ongesteld was en/of dat zij dan maar een sponsje moest gebruiken, en

· heeft/hebben bepaald hoe en waar zij haar werkzaamheden moest verrichten, en

· heeft/hebben zorggedragen voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten (daaruit) van [slachtoffer 7] en het afdragen van de verdiensten door [slachtoffer 7] aan verdachte en/of zijn mededader, en

· [slachtoffer 7] al haar verdiensten heeft/hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader, en

· heeft/hebben bepaald hoe lang en wanneer zij (op een dag) moest werken, en

· heeft/hebben verhinderd dat [slachtoffer 7] uit eigen vrije wil haar prostitutiewerkzaamheden zou kunnen beëindigen, en

· (verdachte's mededader) [slachtoffer 7] ertoe heeft gebracht een tatoeage op haar lichaam te laten zetten, bestaande uit onder meer de naam van verdachte's mededader, en

· (verdachte's mededader) nadat [slachtoffer 7] zwanger was geraakt tegen [slachtoffer 7] heeft gezegd dat zij het kind moest laten weghalen en dat hij er voor zou zorgen dat het kind weggehaald werd, als zij het niet zelf liet weghalen en dat hij wel iemand naar haar toe zou sturen om haar in de buik te steken, als [slachtoffer 7] het kind niet liet weghalen, en dat alles goed zou komen als zij het kind liet weghalen en [slachtoffer 7] onder druk heeft gezet een abortus te laten plegen, en

· [slachtoffer 7] in een door verdachte en/of zijn mededader gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden;

(ten aanzien van [slachtoffer 8] ; zaakdossier 07)

· (verdachte's mededader) voornoemde [slachtoffer 8] heeft aangesproken en gevraagd of zij in een atelier wilde werken en geld wilde verdienen en haar verteld dat hij, verdachte's mededader werk voor haar had en dat dat werk wel te combineren was met haar huidige werk omdat het 's avonds was en dat zij daarmee € 50,- per uur kon verdienen, en

· (verdachte's mededader) toen [slachtoffer 8] thuis problemen had en van huis was weggelopen [slachtoffer 8] heeft aangesproken en haar naar een hotel in Oldenzaal heeft gebracht en aldaar tegen haar wil seksueel contact met haar heeft gehad en tegen haar heeft gezegd dat zij het aan niemand mocht vertellen, en

· (verdachte's mededader) [slachtoffer 8] naar een woning in Oldenzaal heeft gebracht en tegen [slachtoffer 8] heeft gezegd dat zij hem in vertrouwen moest nemen en dat hij al meer meisjes had geholpen en dat [slachtoffer 8] geen contact mocht opnemen met haar familie, en

· de haren van [slachtoffer 8] heeft/hebben geverfd en haar wenkbrauwen heeft/hebben

geëpileerd en haar make-up heeft/hebben gegeven en verdachte's mededader haar naar een woning in Den Haag heeft gebracht en tegen haar heeft gezegd dat verdachte en/of zijn mededader een plekje voor haar achter de ramen had(den), en

· kamers in Den Haag en in Amsterdam en in Utrecht heeft/hebben geregeld/gehuurd of [slachtoffer 8] aldaar een kamer heeft laten regelen/huren, alwaar [slachtoffer 8] haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en [slachtoffer 8] naar die plaatsen heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest werken, en [slachtoffer 8] vanaf/uit die plaatsen heeft/hebben opgehaald/doen ophalen en

· (verdachte's mededader) tegen [slachtoffer 8] heeft gezegd dat zij samen op vakantie naar Turkije zouden gaan en mooie kleren zouden gaan kopen en dat het door haar

verdiende geld op een Turkse rekening zou worden gestort en dat dat geld

later voor haar bestemd zou zijn, en

· [slachtoffer 8] opdracht heeft/hebben gegeven en onder druk heeft/hebben gezet en ertoe heeft/hebben aangezet om een groot aantal dagen per week, en een (groot) aantal uren per dag als prostituee te werken, en

· tegen [slachtoffer 8] heeft/hebben gezegd dat zij moest (door)werken als zij ongesteld was en dat zij dan maar een sponsje moest gebruiken en dat zij moest (door)werken terwijl zij baarmoederhalsontsteking en pijn had, en

· (verdachte's mededader) heeft bepaald en tegen [slachtoffer 8] heeft gezegd hoeveel geld zij haar klanten moest laten betalen voor haar prostitutiewerkzaamheden en hoe en waar zij haar werkzaamheden moest verrichten, en

· (verdachte's mededader) met [slachtoffer 8] heeft afgesproken dat zij hem (telkens) moest bellen als zij een klant had gehad en hoe haar werkzaamheden verliepen, en

· heeft/hebben zorggedragen voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten (daaruit) van [slachtoffer 8] en het afdragen van de verdiensten door [slachtoffer 8] aan verdachte en/of zijn mededaders, en

· [slachtoffer 8] al haar verdiensten heeft/hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededaders, en

· heeft/hebben bepaald en tegen [slachtoffer 8] heeft/hebben gezegd hoeveel geld zij

op een dag moest verdienen, voordat zij mocht stoppen met haar prostitutiewerkzaamheden en hoe lang en wanneer zij (op een dag) moest werken, en

· (verdachte's mededader) in Hengelo een treinkaartje van [slachtoffer 8] heeft verscheurd en de sim-card uit haar telefoon heeft gehaald en verscheurd en haar identiteitsbewijs heeft afgepakt, en

· heeft/hebben verhinderd dat [slachtoffer 8] uit eigen vrije wil haar prostitutiewerkzaamheden zou kunnen beëindigen, en

· (verdachte's mededader) [slachtoffer 8] een lening heeft laten afsluiten en een zogenaamde comfortcard op haar naam heeft laten aanschaffen en hiermee diverse huishoudelijke apparaten/artikelen heeft gekocht/aangeschaft, ten gevolge waarvan [slachtoffer 8] schulden op haar naam kreeg en

· [slachtoffer 8] in een door verdachte en/of zijn mededaders gecontroleerde situatie

heeft/hebben gehouden;

en

(ten aanzien van [slachtoffer 9] ; zaakdossier 09)

· (verdachte's mededader) de woning van [slachtoffer 9] heeft ingericht en meubels voor die woning van [slachtoffer 9] heeft gekocht, en

· [slachtoffer 9] opdracht heeft/hebben gegeven en onder druk heeft/hebben gezet

en ertoe heeft/hebben aangezet om een groot aantal dagen per week, en een (groot) aantal uren per dag als prostituee te werken, en

· kamers in Amsterdam en in Utrecht heeft/hebben geregeld/gehuurd, alwaar [slachtoffer 9] haar prostitutiewerkzaamheden moest verrichten en [slachtoffer 9] naar die plaatsen heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee moest werken, en [slachtoffer 9] vanaf/uit die plaatsen heeft/hebben opgehaald/doen ophalen, en

·(verdachte's mededader) heeft bepaald en tegen [slachtoffer 9] heeft gezegd hoeveel geld zij haar klanten moest laten betalen voor haar prostitutiewerkzaamheden en hoe en waar zij haar werkzaamheden moest verrichten, en

· heeft/hebben zorggedragen voor controle en toezicht op de prostitutiewerkzaamheden en de verdiensten (daaruit) van [slachtoffer 9] en het afdragen van de verdiensten door [slachtoffer 9] aan verdachte en/of zijn mededader, en

· [slachtoffer 9] al haar verdiensten heeft/hebben laten afgeven aan verdachte en/of zijn mededader, en

· (verdachte's mededader) [slachtoffer 9] ertoe heeft gebracht een tatoeage op haar lichaam te laten zetten, bestaande uit onder meer de naam van verdachte's mededader en die tatoeage heeft betaald, en

· heeft/hebben bepaald hoe lang en wanneer zij (op een dag) moest werken, en

· heeft/hebben verhinderd dat [slachtoffer 9] uit eigen vrije wil haar prostitutiewerkzaamheden zou kunnen beëindigen, en

· [slachtoffer 9] in een door verdachte en/of zijn mededader gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden.

5.

hij op 14 januari 2005, te Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk zich jegens personen, genaamd [getuige 7] en [slachtoffer 6] heeft/hebben geuit, kennelijk om hun vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers hebben verdachte en zijn mededader (terwijl verdachte gedetineerd zat in het Huis van Bewaring te Zwolle en terwijl aan verdachte zogenaamde beperkingen waren opgelegd)

-telefonisch contact opgenomen/laten opnemen met voornoemde [getuige 7] en tegen haar gezegd/laten zeggen: "ik bel namens [verdachte]" en "ik moest zeggen van [verdachte], dat je niet met de politie moet praten" en - zakelijk weergegeven - dat [verdachte] wachtte op haar steun en dat zij [verdachte] moest helpen en

-telefonisch contact opgenomen/laten opnemen met voornoemde [slachtoffer 6] en tegen haar gezegd/laten zeggen: "ik bel namens [verdachte]" en "[verdachte] heeft mij een berichtje geschreven dat ik aan jou moet vertellen" en -zakelijk weergegeven- dat [slachtoffer 6] niet met de politie moest praten of meewerken en dat [slachtoffer 6] geen aangifte moest doen en dat zij spijt zou krijgen als zij hem [verdachte] zou laten stikken en dat zij de vrouw van [verdachte] zou worden als dit klaar was en dat [verdachte] van haar hield en dat [verdachte] heel veel verdriet had en dat [slachtoffer 6] tegen niemand mocht zeggen dat zij gebeld was, omdat [verdachte] in beperkingen zat.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd,

en

Een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd,

en

Opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander zich door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding beschikbaar heeft gesteld tot het plegen van die handeling(en), gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk beïnvloeden van de vrijheid van een persoon om naar waarheid of geweten een verklaring ten overstaan van een rechter of een ambtenaar af te leggen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van vijf strafbare feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en negen maanden met aftrek van de tijd, die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zowel verdachte als de officier van justitie zijn in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd verdachte wederom tot een gevangenisstraf van vijf jaren en negen maanden te veroordelen.

Het hof heeft de feiten 2, 3 en 4 niet bewezen geacht en heeft verdachte daarvan vrijgesproken. Dit betreft de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 10] en de (poging tot) mensenhandel van [slachtoffer 11]. Wel bewezen is het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van in totaal zes vrouwen (feit 1) en daarnaast het beïnvloeden van getuigen (feit 5).

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur leiden.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 4 jaren, samen met (een) ander(en) schuldig gemaakt aan mensenhandel. In totaal zijn zes vrouwen door toedoen van verdachte en zijn mededader(s) onvrijwillig in de prostitutie gebracht. Bovendien hebben verdachte en zijn mededader(s) deze vrouwen financieel uitgebuit en afhankelijk gemaakt, door te verlangen dat zij alle opbrengsten uit de prostitutie aan verdachten moesten afstaan. Ook verdient in dat verband vermelding dat diverse slachtoffers ertoe werden bewogen een tatoeage op hun lichaam te laten aanbrengen met de naam van verdachte of de naam van verdachte’s mededader.

Dergelijke praktijken herbergen aspecten van een vorm van moderne slavernij, waarin verdachte een leidende rol had. Zo organiseerde hij onder meer het vervoer van en naar de werkplekken, controleerde hij of de vrouwen zich wel inspanden om klanten te werven en inde hij al hun verdiensten. Ook bepaalde hij waar en wanneer de vrouwen moesten werken en besliste hij dat zij pas mochten stoppen nadat een bepaald bedrag was verdiend. De slachtoffers hebben verkeerd in een situatie waarin zij niet in vrijheid - zoals een legale, mondige prostituee dat wel kan - konden beslissen om door te gaan met het verrichten van de werkzaamheden of om daarmee te stoppen.

Het hof overweegt dat het onvrijwillig in de prostitutie brengen en houden van vrouwen, en het vervolgens financieel uitbuiten van deze vrouwen een zeer ernstig feit is, waarbij misbruik wordt gemaakt van de afhankelijke positie van deze vrouwen. Door aldus te handelen heeft verdachte de vrouwen ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke integriteit toegebracht en hun persoonlijke vrijheid ernstig geschaad. Verdachte heeft zijn persoonlijk gewin daarbij uitdrukkelijk gesteld boven de vrijheid van zijn slachtoffers. Het hof is van oordeel dat deze vorm van mensenhandel reeds uit het oogpunt van generale preventie fors bestraft moet worden.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het belemmeren van de verklaringsvrijheid van [getuige 6] en [slachtoffer 6] Verdachte heeft tijdens zijn detentie, op het moment dat hij zich in volledige beperkingen bevond, kans gezien om een medegedetineerde te bewegen om namens verdachte telefonisch contact op te nemen met beide vrouwen. Verdachte heeft daarmee willen bereiken dat, zo deze vrouwen een verklaring zouden willen of moeten afleggen tegenover de politie dan wel een rechter, zij dit ten gunste van verdachte zouden doen. Ook in dit stadium heeft verdachte nog de misdadige wil gehad om de zaken naar zijn hand te zetten. Het proberen iemand te weerhouden om in vrijheid en naar waarheid een verklaring af te leggen raakt de fundamentele beginselen van een goede procesorde en belemmert de waarheidsvinding. Een dergelijk intimiderend gedrag van verdachte dient naar het oordeel van het hof eveneens te worden bestraft met onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof acht zich beperkt in het verkrijgen van een juist inzicht in de persoon van verdachte, nu het college mogelijk waardevolle informatie over de persoon van de verdachte heeft moeten ontberen tengevolge van de door verdachte gekozen proceshouding.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts gelet op een de verdachte betreffend uittreksel van de centrale justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden reeds meermalen veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten, zoals vermogens- en geweldsdelicten.

Tot slot heeft het hof gelet op een voorlichtingsrapport van Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Assen, gedateerd 31 mei 2006.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend acht het hof het opleggen van de hierna genoemde gevangenisstraf passend en geboden.

Beslag

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De vordering van de benadeelde partij [x]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 20.000,- (bij wijze van voorschot) ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [y]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 62.521,03 ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-.

De benadeelde partij heeft schriftelijk te kennen gegeven haar oorspronkelijke vordering in hoger beroep niet te handhaven. Derhalve hoeft over de vordering niet te worden beslist.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63, 250a (oud) en 285a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verstaat, dat het door verdachte ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte terzake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde werd vrijgesproken. Dat betreft de deelvrijspraken ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

Verstaat, dat het door het Openbaar Ministerie ingestelde rechtsmiddel niet is gericht tegen dat deel van het vonnis, waarvan beroep, waarbij verdachte terzake van het onder 1 en 3 telastegelegde werd vrijgesproken. Dat betreft de deelvrijspraken ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2, 3 in de eerste en tweede plaats en 4 in de eerste en tweede plaats, tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 3 (drie) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de in beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een mobiele telefoon, merk Nokia, met een blauw frontje en

- een mobiele telefoon, merk Nokia, zilverkleurig.

de aan [x] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [x], te betalen een bedrag van

€ 5.000,00 (vijfduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [x], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 3.094,92.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [x], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M. Barels, voorzitter,

mr. E.P.R. Sutorius en mr E. van der Herberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr S.C. Tang, griffier,

en op 28 november 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.