Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ2618

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-11-2006
Datum publicatie
21-11-2006
Zaaknummer
24-002606-05
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2005:AU8180, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof tilt zwaar aan dit door verdachte gepleegde feit. Hij heeft het leven aan een man, die in de kracht van zijn leven was, ontnomen. Dit getuigt van grove minachting voor het leven van een ander. Daar komt bij dat dit op gruwelijke wijze is gebeurd. [..] Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen de jonge dochter van het slachtoffer tot wees gemaakt. Verdachte wist dat de vrouw van het slachtoffer en de moeder van [de dochter van het slachtoffer] acht jaar eerder was overleden. Door [het slachtoffer] van het leven te beroven, heeft verdachte [de dochter van het slachtoffer] nu ook haar vader afgenomen. Daar komt bij dat verdachte - door [het slachtoffer] in de nacht in zijn woning om het leven te brengen - moet hebben geweten dat naar alle waarschijnlijkheid [de dochter van het slachtoffer] degene zou zijn die haar vader zou vinden. Ook dat rekent het hof verdachte zwaar aan. [..] Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van zeer lange duur passend en geboden is. Het hof zal verdachte dan ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002606-05

Parketnummer eerste aanleg: 07-620071-05

Arrest van 20 november 2006 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 december 2005 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. C. Hofmans, advocaat te Muiderberg.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte veroordeelt voor het primair tenlastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding. De inhoud van de tenlastelegging wordt geacht hier te zijn overgenomen.

Bespreking bewijsverweer

De raadsman heeft namens verdachte bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, aangezien verdachte ten gevolge van dissociatieve amnesie zijn wil niet heeft kunnen bepalen, zodat het opzet op de tenlastegelegde handelingen ontbreekt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman het navolgende aangevoerd.

Verdachte weet zich van het gebeurde niets te herinneren. Er is sprake van een dissociatieve amnesie of te wel een red out. Hoogoplopende emoties die kenmerkend zijn voor trauma's kunnen leiden tot geheugenverlies. In casu is hier sprake van een traumatische stresstoornis. Een psychisch trauma dat de gehele dag en avond voorafgaand aan het gebeurde wordt gevoed en die emotioneel al langer (vanaf oktober 2004) speelde voor verdachte. Onder deze omstandigheden dient verdachte te worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van opzet. Ik verwijs naar de uitspraak van de rechtbank Assen van 12 juni 2002, LJN-nummer AE3911. De casus die daar speelde, sluit aan bij deze zaak. Eén van de belangrijkste feiten in deze zaak ter ondersteuning van de amnesie is de kleding die verdachte bij zijn aanhouding droeg. Immers, hierop zijn DNA sporen aangetroffen, waardoor de conclusie kan worden getrokken dat de kledingstukken van verdachte zich ten tijde van het ontstaan van de bloedspatjes in de directe nabijheid van het slachtoffer bevonden. Verdachte heeft zich met deze kleding aan gewoon gemeld bij de politie. Indien en voor zover verdachte het slachtoffer bij volledig bewustzijn iets had aangedaan dan had hij toch deze kleding uitgetrokken en laten verdwijnen, aldus de raadsman.

Vooropgesteld moet worden dat naar 's hofs oordeel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte [het slachtoffer] in de nacht van 11 maart 2005 om het leven heeft gebracht.

Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, aangezien er bij hem sprake is van dissociatieve amnesie. Het hof dient derhalve te beoordelen of aannemelijk is dat verdachte heeft verkeerd in een staat van dissociatie.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Ter zitting in hoger beroep van 6 november 2006 zijn als getuige-deskundigen gehoord mevrouw C.M. van Deutekom, psycholoog, en de heer P.C.J. Ronhaar, psychiater, beiden vast gerechtelijk deskundige en verbonden aan het Pieter Baancentrum (PBC) te Utrecht. Zij zijn betrokken geweest bij het onderzoek naar de geestvermogens van verdachte dat in het PBC heeft plaatsgevonden.

De verklaring van Van Deutekom houdt - zakelijk weergegeven - het volgende in:

"Van het onderzoek van verdachte in het PBC heeft deel uitgemaakt de vraag of verdachte een periode van dissociatie heeft meegemaakt of een tijdelijke psychose heeft gehad. Gezien de levensloop van verdachte was er geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte een periode van dissociatie heeft gekend. In zijn levensgeschiedenis komt niets over dissociatieve fenomenen naar voren. Ook is de persoonlijkheidsstructuur van verdachte dermate solide dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat er bij hem (een) periode(s) van dissociatie heeft (hebben) bestaan. Dissociatieve amnesie komt met andere woorden in zijn persoonlijkheidsstructuur niet zo voor. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte die dag zodanig disfunctioneerde dat de sturing over zijn handelen volledig ontbrak. Gelet op de persoonlijkheidsstructuur van verdachte en op basis van uitgebreid testonderzoek denk ik niet dat er bij verdachte sprake is (geweest) van een intens en omvangrijk alles omvattend psychotrauma. De mededeling dat zijn vriendin bij hem wegging was geen donderslag bij heldere hemel."

De getuige-deskundige Ronhaar heeft ter zitting van het hof onder meer verklaard - zakelijk weergegeven -:

"Afgaande van wat er bekend is van de dag voorafgaande aan het overlijden van [het slachtoffer] is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat er op dat moment al sprake was van een zodanig hevige reactie bij verdachte dat van dissociatie sprake kan zijn. Na de mededeling van verdachtes vriendin dat zij hem zou verlaten voor [het slachtoffer], ging het leven gewoon door. Verdachte ging naar zijn werk, 's avonds werd er samen gegeten en verdachte en zijn vriendin zijn samen gaan slapen. Niets wijst erop dat verdachte in een uitzonderlijke psychiatrische toestand verkeerde. Als dat wel zo zou zijn geweest, zou dat ook voor een ieder zichtbaar en merkbaar zijn geweest. Iemand die in een dergelijke toestand verkeert is erg emotioneel en kan geen direct contact met anderen maken. Het is dus zeer de vraag of dit gebeuren voor verdachte traumatiserend was, ook gelet op de opbouw die er zat in het afbrokkelen van de relatie. Als de mededeling van zijn vriendin dat zij verdachte zou verlaten al traumatiserend zou zijn geweest, dan is het nog de vraag of aannemelijk is dat bij verdachte dissociatie is opgetreden. Daar is geen enkele aanwijzing voor. Terugkijkend op zijn leven, kan geconcludeerd worden dat verdachte niet gevoelig is voor dissociatie. Er is geen enkele aanwijzing dat verdachte in de dag(en) rond het overlijden van [het slachtoffer] beperkt was in zijn wilsvrijheid. Het handelen op de dag voorafgaande aan het overlijden van [het slachtoffer] is adequaat. Dat geldt ook voor wat verdachte en zijn vriendin hebben verklaard over verdachtes handelen in de nacht van het overlijden van [het slachtoffer]. Uit niets blijkt van een bijzondere psychische toestand. We moeten dat afleiden uit wat er bekend is over wat er is gebeurd en hoe verdachte zich heeft gedragen, wat hij heeft gedaan. Wij hebben in het kader van ons onderzoek geen enkele aanwijzing gevonden voor dissociatie bij verdachte.

De omstandigheid dat verdachte zich bij de politie heeft gemeld, terwijl hij kleding droeg waarop later DNA-sporen zijn aangetroffen die met een hoge mate van waarschijnlijkheid afkomstig zijn van het slachtoffer, vormt zeker geen aanwijzing dat er sprake is van dissociatie bij verdachte. Dissociatie is een toestand waarin iemand verkeert. Die toestand valt af te leiden uit iemands handelen, wat de handelende persoon daarover zelf verklaart en wat de omgeving over verdachte en verdachtes handelen verklaart. Het feit dat verdachte zegt zich niet te kunnen herinneren wat er die nacht is gebeurd, kan heel veel betekenen. De belangrijkste verklaringen daarvoor kunnen zijn:

1) hersenbeschadiging: er is in deze zaak niets dat er op wijst dat daarvan bij verdachte sprake is;

2) functionele/psychogene/dissociatieve amnesie: daarover zijn de boeken nog niet gesloten. Verdachte is niet meer gevoelig dan iedere willekeurige ander voor dissociatie en er zijn geen aanwijzingen te vinden in zijn gedrag die voorafgaande dag, dat hij verkeerde in een toestand van dissociatie;

3) gesimuleerde amnesie.

Het enige dat overblijft is dat verdachte zelf zegt dat hij zich niets meer kan herinneren."

Uit de verklaringen van de getuigen-deskundige leidt het hof het volgende af.

Dat verdachte zegt zich niets te kunnen herinneren van wat er is gebeurd, kan betekenen dat verdachte in een toestand van dissociatie heeft verkeerd. Een dergelijke toestand kan ontstaan bij iemand die een ernstig psychotrauma doormaakt. In de eerste plaats zal derhalve aannemelijk moeten zijn dat verdachte een traumatiserende ervaring heeft gehad en in de tweede plaats dat dit psychotrauma bij hem een toestand van dissociatie heeft teweeggebracht.

Ten aanzien van een eventueel psychotrauma verklaren beide getuige-deskundigen dat niet aannemelijk is dat de mededeling van de vriendin van verdachte, dat zij verdachte zou gaan verlaten, een traumatiserend effect op verdachte heeft gehad. Zij wijzen erop dat de relatie van verdachte en zijn vriendin al geruime tijd aan het wankelen was, en dat de breuk in die relatie niet een complete verrassing voor verdachte kan zijn geweest. Overigens baseren zijn hun oordeel op wat er bekend is over het handelen van verdachte op de dag en een deel van de nacht voorafgaande aan de dood van [het slachtoffer]. Daaruit blijkt niet dat verdachte in een psychiatrisch relevante toestand verkeerde.

Voorts zijn de getuige-deskundigen stellig en eensluidend in hun oordeel dat er evenmin aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat verdachte in een toestand van dissociatie heeft verkeerd. Aan dit oordeel leggen de getuige-deskundigen ten grondslag de levensgeschiedenis en de persoonlijkheidsstructuur van verdachte, zoals die naar voren zijn gekomen uit het door hen verrichte onderzoek. De persoonlijkheidsstructuur van verdachte is dermate solide dat hij niet gevoelig is voor dissociatie en uit zijn levensgeschiedenis komen geen dissociatieve fenomenen naar voren. Daarnaast is ook in dit verband van belang wat er bekend is over het handelen van verdachte op de dag en een deel van de nacht voorafgaande aan de dood van [het slachtoffer], aldus de getuigen-deskundige.

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen van de rechtbank en het hof, kan het hof zich verenigen met de conclusies van de getuigen-deskundige, neemt die over en maakt die tot de zijne. Nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte in een toestand van dissociatie heeft verkeerd, dient het verweer te worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat:

hij op 11 maart 2005 in de gemeente Almere opzettelijk en met voorbedachte rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in de uren voor de nachtrust bestemd, de voordeur van de woning van [het slachtoffer] opengebroken, althans geforceerd, en is hij, verdachte, vervolgens die woning binnengedrongen en vervolgens heeft hij, verdachte, zich naar de slaapkamer van [het slachtoffer] begeven en heeft hij, verdachte, [het slachtoffer] meermalen met een voorwerp met kracht op/tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan voornoemd[ slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

primair: moord.

Strafbaarheid

Door mevrouw G. Ruitinga, arts-assistent psychiatrie (in samenwerking met P.K.J. Ronhaar, psychiater en vast gerechtelijke deskundige) en door mevrouw C.M. van Deutekom, psycholoog en vast gerechtelijke deskundige, allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC) te Utrecht, is een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Hun bevindingen, alsmede de daaruit getrokken conclusies, zijn neergelegd in het PBC rapport van 28 september 2005.

Ruitinga voornoemd vermeldt onder meer het volgende in haar in dit rapport opgenomen beschouwing:

"Het feit dat betrokkene echter al op jonge leeftijd beide ouders heeft verloren en hierna van opvangadres naar opvangadres ging heeft echter wel degelijk zijn sporen nagelaten op het gevoelsleven van betrokkene, en op zodanige wijze dat er gesproken kan worden van een gebrekkige ontwikkeling. Het al op jonge leeftijd verliezen van beide ouders aan een slopende ziekte, het hierna verstoken zijn van een normaal gezinsleven en het gevoel van verlating en eenzaamheid die dit bij betrokkene moet hebben opgeroepen heeft betrokkene nooit goed kunnen verwerken. (...) Betrokkene kan de intense gevoelens die eerdere verlieservaringen (verlies ouders, dreigend verlies van zijn vriendin c.q. gezin) niet hanteren, zijn copingmechanisme is deze gevoelens te negeren, onderdrukken en ontkennen. Dit negeren en ontkennen van gevoelens zoals boosheid, agressie en verdriet hangt samen met zijn angst voor verlating en liefdesverdriet. (...)"

Ook schrijft Ruitinga (op p. 47 van het rapport):

"De agressieregulatie wordt gekenmerkt door ontkenning van gevoelens van boosheid en agressie. Betrokkene lijkt zich zelfs nauwelijks bewust te zijn van deze gevoelens."

Het PBC-rapport houdt onder meer in als conclusie:

"Op grond van het bovenstaande zijn wij van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

In antwoord op de in hoofde gestelde vraag concluderen de ondergetekenden dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit -indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend."

Gelet op de inhoud van voornoemd PBC-rapport en de indruk die het hof op de terechtzittingen van (de persoon van) verdachte heeft gekregen, kan het hof zich verenigen met deze conclusies, neemt die over en maakt die tot de zijne. Het hof is derhalve van oordeel, dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft verdachte ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. De verdachte is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde "moord" zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

Het hof heeft in hoger beroep - met een bewezenverklaring ter zake van "moord" - de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 11 maart 2005 in de gemeente Almere de 43-jarige [het slachtoffer] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg van het leven beroofd.

In de nacht van 11 maart 2005 heeft verdachte de voordeur van de woning van het slachtoffer geforceerd en is hij die binnengedrongen. Verdachte wist dat naast het slachtoffer, diens dochter [de dochter van het slachtoffer], toen twaalf jaar oud, in de woning aanwezig was. Verdachte is de trap naar de verdieping waar zich het slaapvertrek van het slachtoffer bevond, opgeslopen en heeft het slachtoffer in zijn slaap overvallen. Verdachte heeft [het slachtoffer] vermoedelijk ten minste twintig slagen toegebracht op het hoofd. Het sectieverslag, d.d. 11 april 2005 opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog, houdt in dat het slachtoffer, blijkens de bevindingen uit het onderzoek van zijn lichaam (vele ruwrandige huidletsels, vele onderhuidse bloeduitstortingen en huidkneuzingen, voornamelijk aan het hoofd, in de ondergelegen delen bloeding en kneuzing en in relatie met letsels vele botbreuken, complete fragmentatie van de schedelbasis ter plaatse van de hersenstam) als gevolg van heftig botsend geweld met een of meerdere harde voorwerpen waarvan één met een bepaalde ronde vorm, om het leven is gekomen. Op de linkerarm van het slachtoffer zijn letsels aangetroffen die passen bij afweerletsels.

Naar wat zich tijdens de laatste momenten van het leven van [het slachtoffer] precies heeft afgespeeld kan - zolang verdachte niet daaromtrent verklaart - slechts gegist worden.

Het hof tilt zwaar aan dit door verdachte gepleegde feit. Hij heeft het leven aan een man, die in de kracht van zijn leven was, ontnomen. Dit getuigt van grove minachting voor het leven van een ander. Daar komt bij dat dit op gruwelijke wijze is gebeurd. Volgens de patholoog A. Maes voornoemd, is vermoedelijk ten minste twintig maal geslagen. De letsels bestaande in de fragmentatie van de schedelbasis ter plaatse van de hersenstam, hebben direct het overlijden tot gevolg gehad en zijn daarom waarschijnlijk als laatste toegebracht, schrijft zij in haar sectierapport. Dat betekent dat het slachtoffer het merendeel van de slagen is toegebracht toen hij nog leefde. Het slachtoffer moet vreselijk veel pijn en angst hebben gevoeld gedurende de laatste momenten van zijn leven.

Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen de jonge dochter van het slachtoffer tot wees gemaakt. Verdachte wist dat de vrouw van het slachtoffer en de moeder van [de dochter van het slachtoffer] acht jaar eerder was overleden. Door [het slachtoffer] van het leven te beroven, heeft verdachte [de dochter van het slachtoffer] nu ook haar vader afgenomen. Daar komt bij dat verdachte - door [het slachtoffer] in de nacht in zijn woning om het leven te brengen - moet hebben geweten dat naar alle waarschijnlijkheid [de dochter van het slachtoffer] degene zou zijn die haar vader zou vinden. Ook dat rekent het hof verdachte zwaar aan.

Het hof houdt er ten slotte rekening mee, dat het bewezenverklaarde feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van zeer lange duur passend en geboden is. Het hof zal verdachte dan ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren ;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Kalsbeek, voorzitter, mr. H.S. Pruiksma en mr. M. Koers-van der Linden, in tegenwoordigheid van mr. N.A. Vlietstra als griffier, zijnde mr. Koers-van der Linden voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.