Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ1908

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
10-11-2006
Zaaknummer
2005/952
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De tekst van de pachtwijzigingsovereenkomst biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat [appellanten] kunnen volstaan met overdracht van een gedeelte van het met het gepachte samenhangende varkensrecht of met vergoeding van de nettowaarde van een zodanig gedeelte. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van [appellanten] ook met zoveel woorden erkend dat partijen hebben beoogd alle varkensrechten over te dragen. In zoverre kan grief II dan ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

Voor zover [appellanten] met die grief een andere beslissing in conventie beogen, in die zin dat het bedrag van de door [geïntimeerde] te vergoeden waarde van de varkensrechten op een hoger bedrag wordt gesteld dan het door de pachtkamer in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 63.529,—, kunnen zij die kwestie niet aan de orde stellen in hun hoger beroep tegen het herstelvonnis van 19 juli 2005, dat uitsluitend betrekking heeft op de vordering in reconventie. Het hof sluit niet uit dat – in verband met enerzijds de samenhang tussen conventie en reconventie en anderzijds het recht op een eerlijk proces in de zin artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – onder omstandigheden een andere opvatting aangewezen kan zijn, maar van zodanige omstandigheden is in het onderhavige geval in ieder geval geen sprake, omdat het vonnis van 20 april 2005, waarbij omtrent de vordering in conventie is beslist, reeds onderwerp is van het hoger beroep in de zaak met rolnummer 2005/676 P, welk hoger beroep [appellanten] de gelegenheid biedt om hun vordering in conventie te vermeerderen, zodat hun recht op een eerlijk proces op die wijze reeds voldoende is gewaarborgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

19 september 2006

pachtkamer

rolnummer 2005/952 P

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

1. [appellante sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellant sub 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. J.M. Bosnak,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. F.J. Boom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het herstelvonnis van 19 juli 2005, en de voorafgaande vonnissen van 3 april 2002, 19 februari 2003, 1 september 2004 en 20 april 2005, die de pachtkamer van de rechtbank te Almelo, sector kanton, locatie Almelo, tussen appellanten (hierna te noemen: [appellanten]) als eisers in conventie en verweerders in reconventie en geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde in conventie en eiser in reconventie heeft gewezen. Van genoemd herstelvonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 11 augustus 2005 aangezegd van genoemd vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht, en hebben zij geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, voor zover door de grieven aangevallen, zal vernietigen, althans dit vonnis op zodanige wijze zal herformuleren dat daaruit blijkt dat tegenover de overdracht van het gedeelte van het varkensrecht dat de nettowaarde, zijnde 40% van het totaal, te boven gaat, betaling dient plaats te vinden tot een bedrag dat overeenstemt met de marktwaarde op het moment van overdracht, alsmede (zo begrijpt het hof:) dat [appellanten] eerst tot overdracht verplicht is nadat [geïntimeerde] op deugdelijke wijze heeft duidelijk gemaakt aan wie overdracht van het varkensrecht moet plaatsvinden.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij zijn in eerste aanleg gedane bewijsaanbiedingen herhaald, heeft hij een aantal nieuwe producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof [appellanten] in het door hen ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dat hoger beroep af zal wijzen en het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van de procedure (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep).

2.4 Ter zitting van 31 juli 2006 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellanten] door mr. J.C. van Nie, advocaat te Almelo, en [geïntimeerde] door mr. J.J. Paalman, eveneens advocaat te Almelo; beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 Vaststaande feiten

3.1 Op grond van de in zoverre niet bestreden vaststelling van de pachtkamer van de rechtbank en op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende is weersproken dan wel blijkt uit de onbetwiste inhoud van de overgelegde bescheiden, staat in hoger beroep het navolgende vast.

3.2 Tussen de vader van wijlen [X.] als pachter enerzijds en [geïntimeerde] als verpachter anderzijds is een door de Grondkamer voor Overijssel op 27 september 1951 goedgekeurde pachtovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de hoeve genaamd “[...]” te [plaatsnaam], kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], sectie E, nrs. 4699, 575, 4444, 4328, 306, 307, 308, 309, 310, 311 (ged.), 312, 314, 588, 589, 4043, 4044, 4816, 4810, 4806, 4809, 4811 (ged.) en 4309, tezamen groot 15.09.95 ha. [X.] is bij door de Grondkamer voor Overijssel op 10 december 1970 goedgekeurde pachtwijzigingsovereenkomst in de plaats gesteld van zijn vader.

3.3 Bij door de grondkamer op 1 augustus 1996 goedgekeurde pachtwijzigingsovereenkomst van 31 januari 1996 (hierna: de pachtwijzigingsovereenkomst) zijn wijlen [X.] en [geïntimeerde] onder meer overeengekomen:

1. dat de pachtovereenkomst per 1 april 1996 zou worden beëindigd wat betreft de percelen met de nummers 4699, 575, 4328 (ged.), 306, 307 (ged.), 311 (ged.), 312 (ged.), 314, 588 (ged.), 589, 4043, 4044, 4816, 4810 (ged.), 4806, 4809, en 4811 (ged.), tezamen ter grootte van ongeveer 10.67.95 ha;

2. dat eveneens per 1 april 1996 het met het gepachte samenhangende melkquotum door [X.] aan [geïntimeerde] zou worden overgedragen, “onder de gehoudenheid van verpachter om aan pachter te vergoeden een bedrag gelijk aan 50% van de per 1 april 1996 geldende marktwaarde van de betreffende referentiehoeveelheid melk”;

3. dat de pachtovereenkomst wat betreft de percelen met de nummers 4444, 588 (ged.), 307 (ged.) 309, 308, 310, 312 (ged.), 4328 (ged.), 4811 (ged.), 4810 (ged.) en 4309, ter grootte van ongeveer 5.23.00 ha zou worden voortgezet en vervolgens zou eindigen op 7 maart 2001;

4. dat bij het einde van de pachtovereenkomst op 7 maart 2001 de met het gepachte samenhangende mestproductierechten door [X.] aan [geïntimeerde] zouden worden overgedragen, “onder gehoudenheid van verpachter om aan pachter terzake een vergoeding te betalen op basis van de per 7 maart 2001 geldende marktwaarde conform hetgeen alsdan binnen de agrarische sector gebruikelijk is”;

5. dat [geïntimeerde] bij het einde van de pachtovereenkomst op 7 maart 2001 aan [X.] een vergoeding zou voldoen op basis van het bepaalde in artikel 31 Pachtwet “ten aanzien van de door pachter gedurende de looptijd van de pachtovereenkomst verrichte pachtersinvesteringen, die zich als volgt laten omschrijven:

a. de bouw van een fokvarkensschuur;

b. de bouw van een loods;

c. het aanbrengen van een erfverharding en een uitwegverharding;

d. verbouwingswerkzaamheden aan “[...]”.”

Ter zake van de pachtersinvesteringen houdt de pachtwijzigingsovereenkomst voorts nog in:

“Al deze pachtersinvesteringen zijn geschied met instemming van de verpachter. De pachtersinvesteringen betreffende de verbouwingswerkzaamheden aan “[...]” zijn verricht in het pachtjaar 1995/1996 en belopen ƒ 38.500,00.”

3.4 [X.] is op 21 januari 1997 overleden. [appellanten] zijn zijn erfgenamen.

3.5 Vervolgens hebben tussen partijen onderhandelingen plaatsgevonden omtrent beëindiging van de pacht en de in dat verband aan [appellanten] toekomende vergoeding. In dat kader is een taxatie verricht door G.A. Pigge en ing. J. Walgemoed. Volgens het taxatierapport hebben partijen ter gelegenheid van de opname uitdrukkelijk verklaard dat ook als pachtersinvestering moet worden aangemerkt de uitbreiding en verbetering van de jongveestal met melkstal. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt. [geïntimeerde] heeft geen medewerking willen verlenen aan de toepassing van de Regeling beëindiging veehouderijtakken.

3.6 Op 7 maart 2001 hebben [appellanten] het gepachte opgeleverd aan [geïntimeerde].

4 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen hebben een geschil met betrekking tot de uitvoering van de pachtwijzigingsovereenkomst. Dat geschil heeft geleid tot een vordering in conventie van [appellanten] en tot een vordering in reconventie van [geïntimeerde]. De pachtkamer in eerste aanleg heeft, na onder meer een deskundigenbericht, bij vonnis van 20 april 2005 de vordering in conventie grotendeels toegewezen en die in reconventie afgewezen. Tegen het vonnis van 20 april 2005, en de voorafgaande tussenvonnissen, is [geïntimeerde] bij dit hof in hoger beroep gekomen, en vervolgens [appellanten] in incidenteel hoger beroep, welke zaak is geregistreerd onder rolnummer 2005/676 P. Bij het bestreden herstelvonnis heeft de pachtkamer in eerste aanleg vervolgens haar beslissing in reconventie hersteld en verbeterd en te dien aanzien nader beslist, in die zin dat zij, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] alsnog heeft veroordeeld om aan [geïntimeerde], binnen zeven dagen na betekening van het herstelvonnis, het met het gepachte samenhangende varkensrecht over te dragen, zulks op straffe van een dwangsom.

4.2 Volgens het vierde lid van artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen een verbetering geen voorziening open. Grief I houdt in dat materieel sprake is van een aanvulling en niet van een verbetering van het vonnis van 20 april 2005 en komt er dus op neer dat de pachtkamer in eerste aanleg ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de regel dat een kennelijke fout kan worden hersteld. Inderdaad is materieel sprake van een aanvulling en hoger beroep tegen een aanvulling staat artikel 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toe. Gelet op een en ander is het hoger beroep ontvankelijk.

4.3 Zoals vermeld komt grief I erop neer dat materieel sprake is van een aanvulling en niet van een verbetering. De grief heeft niet de strekking dat het dictum van het bestreden vonnis door een ander dictum dient te worden vervangen, zodat de grief overigens geen bespreking meer behoeft.

4.4 Grief II klaagt erover dat het bestreden vonnis zo kan worden gelezen dat [appellanten] het gehele varkensrecht aan [geïntimeerde] dient over te dragen. Het bezwaar van [appellanten] daartegen komt erop neer dat het onaanvaardbaar is dat tegenover overdracht van 100% van het varkensrecht een vergoeding staat van niet meer dan 40% van de waarde van dat recht.

4.5 De tekst van de pachtwijzigingsovereenkomst biedt geen aanknopingspunten voor de opvatting dat [appellanten] kunnen volstaan met overdracht van een gedeelte van het met het gepachte samenhangende varkensrecht of met vergoeding van de nettowaarde van een zodanig gedeelte. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van [appellanten] ook met zoveel woorden erkend dat partijen hebben beoogd alle varkensrechten over te dragen. In zoverre kan grief II dan ook niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

4.6 Voor zover [appellanten] met die grief een andere beslissing in conventie beogen, in die zin dat het bedrag van de door [geïntimeerde] te vergoeden waarde van de varkensrechten op een hoger bedrag wordt gesteld dan het door de pachtkamer in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 63.529,—, kunnen zij die kwestie niet aan de orde stellen in hun hoger beroep tegen het herstelvonnis van 19 juli 2005, dat uitsluitend betrekking heeft op de vordering in reconventie. Het hof sluit niet uit dat – in verband met enerzijds de samenhang tussen conventie en reconventie en anderzijds het recht op een eerlijk proces in de zin artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – onder omstandigheden een andere opvatting aangewezen kan zijn, maar van zodanige omstandigheden is in het onderhavige geval in ieder geval geen sprake, omdat het vonnis van 20 april 2005, waarbij omtrent de vordering in conventie is beslist, reeds onderwerp is van het hoger beroep in de zaak met rolnummer 2005/676 P, welk hoger beroep [appellanten] de gelegenheid biedt om hun vordering in conventie te vermeerderen, zodat hun recht op een eerlijk proces op die wijze reeds voldoende is gewaarborgd. Ook in zoverre faalt derhalve grief II.

4.7 Voor zover [appellanten] erover klagen dat zij in het dictum van het bestreden vonnis zijn veroordeeld – op straffe van een dwangsom – tot overdracht van het varkensrecht binnen zeven dagen na betekening van het herstelvonnis en dat die veroordeling er geen rekening mee houdt dat overdracht pas mogelijk is nadat [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt of overdracht aan hem dan wel aan een bepaalde derde moet plaatsvinden, is de grief terecht voorgesteld. Het hof zal [appellanten] veroordelen tot de noodzakelijke medewerking aan de overdracht van het met het gepachte samenhangende varkensrecht binnen zeven dagen na de dag waarop [geïntimeerde] schriftelijk aan [appellanten] kenbaar heeft gemaakt aan wie overdracht moet geschieden. Uitsluitend in zoverre slaagt grief II.

4.8 De slotsom is dat het hoger beroep enkel doel treft wat betreft de formulering van het dictum, als onder 4.7 bedoeld. Het hof beschouwt [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij en zal hen veroordelen in de kosten van het hoger beroep. In dit verband is van belang dat niet is gebleken dat [geïntimeerde] zich op het standpunt heeft gesteld dat door [appellanten] dwangsommen zijn verbeurd.

5 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het herstelvonnis van de pachtkamer van de rechtbank te Almelo, sector kanton, locatie Almelo van 19 juli 2005 uitsluitend voor zover [appellanten] bij dat vonnis in reconventie zijn veroordeeld om de op het verpachte rustende varkensrechten aan [geïntimeerde] of aan een door deze aan te wijzen derde(n) over te dragen binnen zeven dagen na betekening van dat vonnis, en veroordeelt [appellanten] in plaats daarvan tot de noodzakelijke medewerking aan de overdracht van het met het gepachte samenhangende varkensrecht binnen zeven dagen na de dag waarop [geïntimeerde] schriftelijk aan [appellanten] kenbaar heeft gemaakt of overdracht aan hem dan wel aan een of meer voldoende omschreven derden moet geschieden;

bekrachtigt genoemd vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.682,— voor salaris procureur en op € 244,— voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Olthof en Kok en de raden mr. ing. Jansens van Gellicum en ir. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2006.