Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AZ1501

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
21-001013-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 7 jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging wegens moord.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001013-06

Uitspraak d.d.: 3 november 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Almelo van 21 februari 2006 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 08-004105-04, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I.[naam P.I.], [naam gevangenis en vestigingsplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 oktober 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 2 augustus 2005, te Enschede,

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van

het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm

beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een

mes in de borst en in de buik en in de rug en elders in het

lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Overweging met betrekking tot het aanhoudingsverzoek

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte het verzoek gedaan om onderzoek te laten verrichten naar het mes en de haren die zijn aangetroffen tussen de vingers van de linkerhand van het slachtoffer, in die zin dat deze sporen worden vergeleken met af te nemen vingerafdrukken en DNA van verdachtes ex-vriendin [ex-vriendin van de verdachte]. De verdediging heeft verzocht om een open verwijzing naar de rechter-commissaris.

Het hof overweegt hieromtrent dat het mes eigendom was van [ex-vriendin van de verdachte] en in haar huis lag. Voorts hebben [ex-vriendin van de verdachte] en het slachtoffer [slachtoffer], blijkens de verklaringen van verdachte en [ex-vriendin van de verdachte], lichamelijk contact gehad: [ex-vriendin van de verdachte] werd aangetroffen met het hoofd van het slachtoffer op haar schoot. Derhalve zouden, zelfs als er sporen afkomstig van [ex-vriendin van de verdachte] zouden worden aangetroffen, daaruit geen voor verdachte gunstige conclusies kunnen worden getrokken.

Het hof wijst derhalve het verzoek af.

Overweging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte bepleit dat de eerste verklaring van verdachte, d.d. 2 augustus 2005 (dossierpagina 43 en 44), ten onrechte door de rechtbank voor het bewijs is gebezigd. Hiertoe is - kort gezegd - aangevoerd dat uit het proces-verbaal van dat verhoor voldoende aanwijzingen naar voren komen dat verdachte tijdens dat verhoor niet of nauwelijks in staat was om een verklaring af te leggen, dan wel om zijn procespositie te bepalen.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte, afgelegd op 2 augustus 2005 te 07.00 uur, onder verre van ideale omstandigheden tot stand is gekomen. Niettemin was gerechtvaardigd dat de politie verdachte toen al gehoord heeft, al verkeerde hij niet in optimale conditie. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachtes bewustzijn toen zo verstoord was (door alcohol en/of tranquillizers en/of drugs) dat hij zich niet naar behoren kon uiten over het feit waarvan hij werd verdacht: hij kon met de nodige detaillering een redelijk samenhangend relaas doen.

Het hof realiseert zich dat het gebruik van die verklaring met omzichtigheid zal dienen te geschieden en doet dat ook. Het hof acht die verklaring bruikbaar en geloofwaardig, ook waar verdachte zegt dat hij het slachtoffer overal heeft gestoken. Voorts kan de politie in dit stadium van het onderzoek verdachte nauwelijks zaken hebben voorgehouden: alles wat verdachte zei, moet uit zijn eigen (recente) herinnering zijn voortgekomen. Verdachte heeft later verklaard dat hij zich niet herinnert hoe vaak hij [slachtoffer] heeft gestoken; nog later is hij gekomen met de veronderstelling dat een ander ([ex-vriendin van de verdachte]) het slachtoffer steken zou hebben toegebracht: hij brengt dat in verband met haar SM-activiteiten. Nog afgezien van het feit dat het toebrengen van vele ernstige messteken niets te maken heeft met SM, acht het hof verdachtes veronderstelling zo volstrekt ongeloofwaardig dat het hof die terzijde stelt.

Overweging met betrekking tot de voorbedachte rade

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte bepleit dat verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld en dat hij derhalve zal moeten worden vrijgesproken ter zake van moord.

Uit de stukken van het onderzoek is het hof het volgende gebleken.

Verdachte heeft in de dagen voor het steekincident meermalen bij zijn ex-vriendin [ex-vriendin van de verdachte] geïnformeerd wie haar nieuwe vriend was en gedreigd deze wat aan te doen. Nadat verdachte eerder die avond [ex-vriendin van de verdachte] samen met [slachtoffer] had gezien - en kennelijk de conclusie had getrokken dat zij een relatie hadden -, is verdachte het huis van [ex-vriendin van de verdachte] binnengegaan en is achter het bed gaan liggen. Verdachte wist dat [ex-vriendin van de verdachte] daar altijd een mes had liggen. Verdachte heeft verklaard dat, hij liggend achter het bed, dacht: "Ik hoop dat het niet zo erg is, dan hoef ik het niet te doen"; hij is toen [ex-vriendin van de verdachte] en het slachtoffer in de slaapkamer kwamen en met elkaar bezig waren onder het bed uitgekomen, en heeft naar eigen zeggen het slachtoffer overal met een mes gestoken.

Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat niet anders kan worden geconcludeerd dan dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn te nemen (of al genomen) besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf

Moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

J.A.M. Gresnigt, klinisch psycholoog en psychotherapeut, D.F.J. Hoekstra, arts-gedragskundige en A.W.M.M. Stevens, psychiater, hebben ieder voor zich omtrent verdachte gerapporteerd.

In het verdachte betreffende rapport d. d. 4 november 2005, opgemaakt door de klinisch psycholoog/psychotherapeut drs. J.A.M. Gresnigt staat het volgende vermeld:

Bij de heer [verdachte] is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesgesteldheid in termen van een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline, afhankelijke, paranoïde en antisociale kenmerken. Er is tevens sprake van een ziekelijke stoornis in termen van een middelenafhankelijkheid (alcohol en cocaïne). In aanloop tot het tenlastegelegde is onderzochte meer en meer emotioneel ontregeld geraakt. Door de verwikkelingen in zijn partnerrelatie, die raakte aan vroegere traumatiserende ervaringen in zijn opvoedingssituatie, zijn druggebruik en zijn emotionele onvolgroeid zijn, lukte het onderzochte in de maanden voor het tenlastegelegde, steeds minder om gevoelsmatige tegenstrijdigheden in het contact met zijn partner te kanaliseren, gingen wantrouwen, jaloezie, machteloosheid, kwaadheid en agressie overheersen, en lijkt hij zich meer en meer te hebben vervreemd van zichzelf en eigen (relationele) normen en waarden. Ten tijde van het tenlastegelegde was onderzochte onder invloed van alcohol en cocaïne en speelde tevens de genoemde persoonlijkheidsproblematiek een rol. Het onderzoek geeft aanwijzingen dat onderzochte in een emotioneel sterk ontregelde, van zichzelf -in denken, voelen en handelen- vervreemde, mogelijke dissociatieve, toestand tot het tenlastegelegde gekomen.

De psychische conditie waarin onderzochte, zich onder invloed van de dwingende kracht van zijn persoonlijkheidsproblematiek, eerdere traumata en middelengebruik, bevond impliceert dat onderzochte ten tijde van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar was.

Onderzochte is gevaarlijk in de zin van artikel 37a e.v. Sr.; er was sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het vermoedelijk begane feit en op het vermoedelijke begane feit staat een gevangenisstraf van meer dan vier jaar.

Mijns inziens is de kans dat onderzochte terugvalt in hernieuwd delictgedrag aanwezig wanneer behandeling uitblijft. De criminele carrière die hij reeds op zijn naam heeft, zijn persoonlijkheidsproblematiek, en, met name ook zijn middelengebruik, zijn voorspellend in deze. Wanneer behandeling uitblijft, blijft onderzochte in een partnerrelatie kwetsbaar en, zeker in combinatie met middelengebruik, kunnen heftige affecten worden opgeroepen die destructief/agressief gedrag tot gevolg kunnen hebben.

Beschermende factoren zijn de aanwezigheid van een steunend sociaal netwerk, het belang van zijn zoon, zijn uitspraak dat hij de noodzaak ziet van behandeling en het feit dat hij reeds eerder vrijwillig in behandeling is gegaan. In die zin beschikt hij, wanneer de omstandigheden minder stresserend zijn en hij clean is, over enig probleembesef en zelfinzicht, en over een gewetensfunctie die zich in zekere mate heeft ontwikkeld.

Een klinische psychotherapeutische behandeling met tevens aandacht voor middelengebruik is geïndiceerd. Gedacht kan worden aan een klinische opname in een Forensich Psychiatrische Kliniek (FPK), dan wel een opname in een Forensische Verslavingskliniek, mits hier tevens voldoende aandacht kan worden gegeven aan zijn persoonlijkheidsproblematiek en de systemische aspecten. Zeker ook in het belang van zijn zoon is behandeling geïndiceerd, mede omdat beide ouders waarschijnlijk in meer of mindere mate bij de opvoeding betrokken zullen blijven. Een justitieel kader is naar mijn mening aangewezen om de behandeling en de gedragsverandering kans van slagen te geven, als ook om de kans op recidive te verminderen. Te denken valt enerzijds aan het opleggen van een TBS met voorwaarden. Indien de rechtbank besluit om een langere gevangenisstraf dan drie jaar op te leggen is het vanuit gedragskundig oogpunt wenselijk dat onderzochte na verloop van een deel van de gevangenisstraf in behandeling kan gaan.

In het verdachte betreffende rapport d.d. 11 november 2005, opgemaakt door de artsgedragskundige mr. D.F.J. Hoekstra staat het volgende vermeld:

Bij de heer [verdachte] is er sprake van een zogenaamde gemengde persoonlijkheidsstoornis. Tevens is er bij de heer [verdachte] sprake van de neiging om zich onder te dompelen in het gebruik van verslavende middelen. Van het één en ander was ook sprake ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde. Bovendien heeft het er alles van weg dat de heer [verdachte] ten tijde van het tenlastegelegde onder zó grote druk stond tengevolge van de verwikkelingen binnen de betrekkingen tussen hem en zijn ex-partner[ex-vriendin van de verdachte] dat hij daardoor helemaal van de kaart raakte. Het middelengebruik door de heer [verdachte] voorafgaand aan het tenlastegelegde zal zeker ook van invloed zijn geweest op zijn gedrag/handelen alsmede op het feit dat de heer [verdachte] zich -afgaande op wat hij zegt- niet alles meer scherp kan herinneren.

Het tenlastegelegde kan de heer [verdachte] naar mijn mening slechts in verminderde mate worden toegerekend vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek die ertoe leidde dat hij, in vergelijking met de psychisch gemiddeld gezonde mens, in veel mindere in staat was om op een normale, adequate wijze het hoofd te bieden aan de stress waarmee hij te kampen had voorafgaand aan het tenlastegelegde. Zonder behandeling en begeleiding is er naar onze mening sprake van recidiverisico's, maar die zijn naar onze mening echter niet zo ernstig dat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging onontkoombaar is.

Met het oog op de afdoening van de strafzaak geven we de rechter in overweging om de heer [verdachte] in aanmerking te brengen voor de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. De belangrijkste voorwaarde zou naar onze mening dienen in te houden dat de heer [verdachte] bereid is om zich klinisch en poliklinisch te laten behandelen en begeleiden voor zijn persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek en dat hij in dat kader bereid is om de aanwijzingen van zijn behandelaars en begeleiders te volgen.

In het verdachte betreffende rapport d.d. 6 februari 2006, opgemaakt door de psychiater A.W.M.M. Stevens, staat het volgende vermeld:

Bij betrokkene is sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO (borderline, afhankelijke, antisociale en paranoïde trekken) en er is sprake van alcohol- en middelenmisbruik naast een impulscontrolestoornis. Deze waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Door de persoonlijkheidsstoornis was betrokkene ten aanzien van het hem tenlastegelegde, indien bewezen, onvoldoende in staat om, in vergelijking met een psychisch (gemiddeld) gezonde man, zijn gedragskeuze op een adequate wijze te bepalen, waardoor hij verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Onderzochte is gevaarlijk in de zin van artikel 37a e.v. Sr., er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde. Echter het tenlastegelegde kende een specifieke toeloop en de kans op een recidive in een soortgelijk delict met eenzelfde specifieke toeloop wordt niet heel groot ingeschat.

Als behandeling uitblijft is, gezien de justitiële voorgeschiedenis, zijn persoonlijkheidsproblematiek en het middelenmisbruik, de kans dat betrokkene opnieuw delictgedrag laat zien redelijk groot.

Desalniettemin zal betrokkene, zonder behandeling, vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek in een partnerrelatie kwetsbaar blijven. Betrokkene ziet de noodzaak van behandeling in. Mijn inziens is een klinisch psychotherapeutische behandeling, gericht op de persoonlijkheidsproblematiek met tevens aandacht voor het middelenmisbruik noodzakelijk. Geadviseerd wordt betrokkene een TBS met voorwaarden op te leggen, waarbij de voorwaarde zou zijn opname in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK)

Indien de rechter het opleggen van een TBS met voorwaarden niet in overweging zou willen nemen, dan is het vanuit gedragskundig oogpunt wenselijk betrokkene het laatste deel van zijn straf in een kliniek zal kunnen doorbrengen. Te overwegen valt betrokkene dan tijdens zijn detentie een behandeling te laten ondergaan in een Penitentiaire Selectie Centrum van de penitentiaire instelling te Scheveningen.

Er is telefonisch overleg gevoerd met de heren Hoekstra, Gresnigt en Feiken, reclasseringsfunctionaris van de instelling voor verslavingszorg Tactus. Zij onderschrijven bovenstaand advies.

De rapportages houden ieder voor zich onder meer als conclusie in dat verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar was.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden-, de navolgende omstandigheden.

Verdachte is het huis van zijn ex-vriendin [ex-vriendin van de verdachte] binnengegaan en is in haar slaapkamer onder het bed gaan liggen. Verdachte wist dat [ex-vriendin van de verdachte] daar voor haar veiligheid altijd een mes had liggen. Toen hij [ex-vriendin van de verdachte] en [slachtoffer] de slaapkamer binnen zag komen, is verdachte onder het bed vandaan gekomen en heeft hij [slachtoffer] op zeer gewelddadige wijze, door hem negentien messteken toe te brengen, om het leven gebracht.

Uit de eerste verklaring van verdachte blijkt dat de aanleiding voor deze gruwelijke gebeurtenis was dat verdachte het niet kon verkroppen dat zijn ex-vriendin een relatie had met [slachtoffer]. Later heeft verdachte verklaard dat de zorgelijke thuissituatie van zijn zoon aanleiding was voor de moord op [slachtoffer]. Naar het oordeel van het hof zijn dit beide onbegrijpelijke motieven voor deze schokkende moord.

Verdachte heeft de nabestaanden hierdoor onherstelbaar leed toegebracht en door verdachtes handelen is de rechtsorde ernstig geschokt.

In de reeds hiervoor genoemde rapportages wordt geconcludeerd dat er zonder behandeling van verdachte sprake is van recidiverisico, mede op grond waarvan wordt geadviseerd last te geven tot de terbeschikkingstelling van verdachte met voorwaarden.

Het hof is van oordeel -gelet op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, de in voormelde rapportages omschreven delictgevaarlijkheid- dat verdachte langdurig uit de samenleving moet worden verwijderd.

Omdat een TBS met voorwaarden ex artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht -zoals geadviseerd door de deskundigen en bepleit door de verdediging- slechts mogelijk is in combinatie met een vrijheidsstraf van ten hoogste drie jaar, is dit naar het oordeel van het hof niet aan de orde.

Het hof acht alles overwegende een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd terzake van doodslag.

Omdat verdachte terzake van moord wordt veroordeeld zal het hof een hogere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank en gelijk aan de vordering van de advocaat-generaal een gevangenisstraf van zeven jaren opleggen.

Het hof acht het voorts noodzakelijk om naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Het hof zal bevelen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld aangezien het bewezenverklaarde een feit gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon en daarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eisen.

Het hof zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, daar genoemde veiligheid van andere en de algemene veiligheid van personen die verpleging eisen.

Vordering tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te Almelo van 12 oktober 2005, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de Meervoudige kamer te Almelo van 18 mei 2004 opgelegde voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, van oordeel, dat -nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt- de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 37a, 37b en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

de in beslag genomen voorwerpen

Gelast de teruggave aan de rechthebbenden van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

De inbeslaggenomen goederen welke zijn vermeld onder de nummers 1 tot en met 5 en 7 tot en met 15 op de lijst van inbeslaggenomen goederen welke aan dit arrest is gehecht (zie bijlage III).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Een mes.

tenuitvoerlegging

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Almelo van 18 mei 2004, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden en 27 (zevenentwintig) dagen.

Aldus gewezen door

mr J.J. van den Berg, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr J.H.C. van Ginhoven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr W.B. Kok, griffier,

en op 3 november 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.