Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9967

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
0600385
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [appellant] niet in de uitzichtloze financiële situatie verkeert die de wetgever bij invoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen voor ogen stond, maar dat hij in staat moet worden geacht om ook in de toekomst te kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet dan ook worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub a FW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 11 oktober 2006

Rekestnummer 0600385

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur mr H. van Ravenhorst,

advocaat mr A. Ben Daoued.

Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 31 juli 2006 heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad het verzoek van [appellant] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2006, heeft [appellant] verzocht voornoemd vonnis te vernietigen en - naar het hof begrijpt - alsnog op hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 3 oktober 2006 is de zaak behandeld.

De beoordeling

1. [appellant] verzoekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

2. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat [appellant] naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden aan Interbank, DSB Bank en ABN AMRO Bank en het gebruik van een creditcard niet te goeder trouw is geweest, terwijl dit deel van de totale schuldenlast aanzienlijk is, niet ouder is dan vijf jaar en een substantieel deel uitmaakt van de totale schuldenlast van [appellant].

3. [appellant] ontkent dat hij bij het aangaan of het onbetaald laten van de schulden aan Interbank, DSB Bank, ABN AMRO Bank en creditcardbedrijven niet te goeder trouw is geweest. Hij stelt dat hij op het moment van het aangaan van deze schulden een baan had en over voldoende aflossingsmogelijkheden beschikte. [appellant] geeft aan dat in zijn tijd als ondernemer, te weten in het tijdvak april 2000 tot 31 december 2001, meerdere schulden zijn ontstaan die verband houden met het bedrijf en de opheffing daarvan.

[appellant] stelt voorts dat hij in juni 2003 ziek is geworden en - ondanks inspanningen van een door hem ingeschakelde advocaat en het voeren van procedures - niet in aanmerking kwam voor een ziektewet- of bijstandsuitkering. Zodoende heeft hij, naar zijn zeggen, over de periode van juni 2003 tot en met maart 2004 geen inkomsten ontvangen en met zijn gezin moeten leven van het salaris van zijn vrouw en steun van zijn familie en vrienden. [appellant] stelt in zijn appelschrift dat hij in de jaren 2003, 2004 en 2005 heeft afgelost op zijn schulden aan SNS Bank, Interbank en DSB Bank.

[appellant] heeft in zijn appelschrift en ter zitting in hoger beroep op het ontstaan van de schulden aan Interbank en DSB Bank een uitgebreide toelichting gegeven alsmede vragen beantwoord die over die schulden door het hof zijn gesteld.

4. Het verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen op de gronden als vermeld in artikel 288 lid 1 Fw en kan worden afgewezen op de gronden als vermeld in artikel 288 lid 2 Fw. Voormelde afwijzingsgronden moeten worden bezien in het licht van de doelstelling van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, welke erop neer komt dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn terechtgekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen gaan (Kamerstukken II 1992/93, 22.969, nr. 3, blz. 6).

5. Uit de door [appellant] ten behoeve van het verzoekschrift opgemaakte verklaring ex artikel 284 FW en de behandeling ter zitting in hoger beroep is het navolgende gebleken.

De schuldenlast van [appellant] bedroeg ten tijde van het opmaken van de verklaring ex artikel 284 FW, zijnde op 4 mei 2006, euro 309.147,53.

[appellant] leeft van een bijstandsuitkering, welke op 4 mei 2006 euro 2.038,43 per maand bedroeg. Daarnaast beschikt [appellant] over een inkomen ad euro 300,- per maand uit andere bron.

Op de schuld aan ABN AMRO Bank terzake een creditcard lost [appellant] euro 150,- per maand af. De verklaring ex 284 FW geeft aan dat er euro 170,- per maand wordt afgelost op een spaarwinst krediet van de ABN AMRO Bank. Nu [appellant] in zijn beroepschrift stelt (en dit mede ter zitting in hoger beroep heeft bevestigd) dat dit spaarwinst krediet is afgelost met de lening van de DSB Bank, gaat het hof ervan uit dat deze aflossingsverplichting niet meer op [appellant] rust. De maandelijkse aflossing die [appellant] op de eerste en tweede hypothecaire leningen bij de SNS Bank voldoet, bedraagt euro 1.000,- per maand. Daarnaast betaalt [appellant] terzake van een schuld aan Dexia Bank Nederland, welke schuld is geschaard onder de Duisenbergregeling, een maandelijks bedrag van euro 46,17 aan aflossing en terzake van een schuld aan IB-groep een maandelijks bedrag van euro 52,- aan aflossing.

Ter zitting heeft [appellant] voorts aangegeven dat hij ten aanzien van de lening aan DSB Bank een maandelijks bedrag van euro 270,- en terzake van de lening aan Interbank een maandelijks bedrag van euro 200,14 voldoet. Het hof gaat er gelet op de overgelegde stukken van uit dat de laatstgenoemde twee betalingen hoofdzakelijk betrekking hebben op de verschuldigde rente.

In aanvulling op zijn beroepschrift heeft [appellant] ter zitting van het hof voorts aangegeven dat hij thans - net als hij in de afgelopen jaren heeft gedaan - ondanks dat hij leeft van een bijstandsuitkering en een kleine aanvulling daarop uit andere bron, nog immer voortgaat met het betalen van zijn schulden.

6. Bovendien is ter zitting van het hof gebleken dat [appellant] met een Spaanse onderneming in onderhandeling is over een dienstbetrekking bij dit bedrijf en dat deze onderhandelingen zich in een vergaand stadium bevinden. [appellant] heeft reeds een intentieverklaring gekregen voor een contract en gaat begin november 2006 naar het kantoor van dit bedrijf in Barcelona voor het ondertekenen van het arbeidscontract. [appellant] zal na ondertekening van dit contract als officemanager in dienst treden en hieruit inkomen genereren.

7. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat [appellant] niet in de uitzichtloze financiële situatie verkeert die de wetgever bij invoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen voor ogen stond, maar dat hij in staat moet worden geacht om ook in de toekomst te kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet dan ook worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 sub a FW. De overige in artikel 288 FW neergelegde afwijzingsgronden, waaronder de grond die tot de afwijzing van het verzoek van [appellant] door de rechtbank heeft geleid, behoeven gezien het hiervoor overwogene geen bespreking meer.

Slotsom

8. Het vorenstaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door prof. mr. Hermans, vice-president als voorzitter, mrs. Garos en Onnes-Wind, raden, en uitgesproken door mr. Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 11 oktober 2006.