Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9966

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
2005/1003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor goede trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW is niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering aan hem de onbevoegdheid van zijn voorganger niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. Het hof is van oordeel dat [appellant] onder de omstandigheden van dit geval met name ook (door het vragen van een legitimatiebewijs en het vergelijken daarvan met de voorhanden zijnde gegevens, alsmede het verifiëren van het op de autopapieren vermelde adres) had moeten nagaan of de gegevens van de persoon die op die autopapieren werden genoemd, overeenstemden met die van een van de twee mannen. Het hof acht in dit verband van belang dat het bij het sluiten van de hier aan de orde zijnde overeenkomst ging om twee aan [appellant] onbekende mannen die een tweedehands Mercedes wilden verkopen, dat algemeen bekend is dat auto’s zeker ook van het merk Mercedes regelmatig worden gestolen en vervolgens (als tweedehands auto’s) worden verkocht. Het hof acht voorts van belang dat een onderzoek als hiervoor omschreven niet ingrijpend is en/of nauwelijks tijd kost. Het enkele feit dat [appellant] heeft nagelaten een dergelijk onderzoek te verrichten, heeft derhalve reeds tot gevolg dat hij niet als te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 574

Uitspraak

12 september 2006

tweede civiele kamer

rolnummer 2005/1003

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur: mr. K.J. Verrips,

tegen

de naamloze vennootschap NOWM Verzekeringen N.V.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

procureur: mr. R.J. Sturkenboom.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna te noemen: NOWM) als eiseres gewezen vonnissen van de rechtbank te Arnhem van 6 april 2005 en 22 juni 2005. Een fotokopie van laatstgenoemd vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij exploot van 19 september 2005 is [appellant] van het vonnis van 22 juni 2005 in hoger beroep gekomen met dagvaarding van NOWM om voor dit hof te verschijnen.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen dat vonnis twee grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van NOWM alsnog zal afwijzen met veroordeling van NOWM in de kosten van beide instanties, te betalen binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na betekening van dat arrest tot aan de dag der algehele voldoening.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft NOWM verweer gevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het hoger beroep ongegrond zal verklaren en het vonnis waarvan beroep – met inachtneming van de correctie daarop van 25 juli 2005 - zal bevestigen, zonodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Ten slotte hebben partijen de processtukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1.1 tot en met 1.5 een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling zijn geen grieven of bezwaren gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 21 januari 2003 heeft Autobedrijf Van Dijk Amersfoort B.V. te Amersfoort (verder te noemen: Van Dijk) een toen aan haar in eigendom toebehorende auto van het merk Mercedes met kenteken SZ-BR-27 van het bouwjaar 1998 (verder ook aan te duiden als: de Mercedes) voor een proefrit meegegeven aan een man en een vrouw. De man bleek geen rijbewijs bij zich te hebben, maar van het door de vouw getoonde rijbewijs werd een fotokopie gemaakt. De Mercedes is niet teruggebracht. Het getoonde rijbewijs bleek vals te zijn.

Van Dijk had een verzekering bij NOWM voor schade wegens diefstal of verduistering van de auto. De waarde van de auto op 21 januari 2003 beliep € 17.873,27. NOWM heeft uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst dit bedrag, verminderd met € 450,= wegens eigen risico, derhalve € 17.423,27 op 2 april 2003 aan Van Dijk als verzekeringspenningen uitgekeerd.

Op 14 mei 2003 heeft de politie de auto aangetroffen op de Hofsingel te Arnhem. Zij heeft deze in beslaggenomen onder [A.], die verklaarde de auto in februari 2003 voor € 13.000,= te hebben gekocht van en geleverd gekregen door [B] Auto’s te Arnhem (verder te noemen: [B]), zijnde toen de eenmanszaak van [appellant]. De politie heeft de auto onderzocht en geconstateerd dat de auto was voorzien van een vals Voertuig Identificatie Nummer (VIN) en valse kentekenplaten.

[A.] heeft aan de politie verklaard dat hij niet heeft geweten dat het om een ontvreemde auto ging.

[appellant] heeft aan de politie verklaard dat twee hem onbekende mannen de Mercedes, toen met kenteken PM-PZ-80, aan [B] te koop hebben aangeboden. Zijn werknemer [C.] heeft de auto namens hem van deze mannen gekocht voor € 9.500,=, welk bedrag contant aan hen is voldaan. Aan geen van beide mannen is gevraagd een legitimatiebewijs te tonen; wel zijn de autopapieren door de mannen getoond; het door hen opgegeven adres is niet geverifieerd.

Naar aanleiding van een door [A.] bij de rechtbank te Arnhem ingediend klaagschrift heeft deze op 10 maart 2004 de teruggave van de Mercedes aan [A.] gelast.

4.2 NOWM heeft gesteld dat [appellant] jegens Van Dijk onrechtmatig heeft gehandeld door onder hierboven bedoelde omstandigheden de Mercedes te kopen en door te verkopen. Aldus heeft [appellant], naar NOWM heeft gesteld, aan Van Dijk (en NOWM) de mogelijkheid ontnomen de auto terug te vorderen, omdat [A.] deze op grond van het bepaalde in artikel 3:86 BW niet behoefde af te geven. [appellant] had volgens NOWM moeten, althans kunnen weten dat het om een ontvreemde auto ging. Als professionele autohandelaar had hij bij onderzoek moeten opmerken dat het VIN-nummer van de auto niet was aangebracht op de wijze zoals dat door of vanwege de fabrikant geschiedt. Bovendien heeft hij verzuimd de identiteit van de hem onbekende mannen vast te stellen, terwijl hij ook niet heeft gecontroleerd of het kenteken wel op naam van die mannen was gesteld. Ten slotte had ook de prijs van € 9.500,= inclusief BTW bij hem argwaan moeten wekken, nu de werkelijke waarde van de Mercedes € 20.500,= inclusief BTW beliep. [appellant] was derhalve volgens NOWM jegens Van Dijk verplicht de door deze geleden schade te vergoeden. NOWM is door de betaling aan Van Dijk van de verzekeringspenningen van € 17.324,27, op de voet van artikel 284 K tot dat bedrag gesubrogeerd in de rechten van Van Dijk jegens [appellant]. NOWM vordert derhalve van [appellant] betaling van dat bedrag aan haar.

De rechtbank heeft de vordering van NOWM volledig toegewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat [appellant] niet als te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW kan worden aangemerkt, zodat hem de bescherming van die bepaling niet toekomt. De rechtbank heeft daaraan tevens de conclusie verbonden dat [appellant] de auto niet had mogen doorverkopen en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld.

4.3 [appellant] heeft de rechtbank in zijn tweede grief verweten dat deze ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet te goeder trouw was in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW. Hij heeft ter toelichting gesteld dat hij reeds in eerste aanleg heeft aangetoond dat hij de Mercedes voor een redelijke prijs heeft gekocht en derhalve geen reden had om aan de beschikkingsbevoegdheid van de verkopers te twijfelen. In de conclusie van antwoord (sub 4) heeft hij in dit verband aangevoerd dat het ten tijde van de aankoop van de auto leek te gaan om een Mercedes van het bouwjaar 1996 en dat eerst later is gebleken dat het een Mercedes van het bouwjaar 1998 was. In die conclusie heeft hij (sub 5) daaraan toegevoegd dat de auto niet noemenswaardig mooi was en (sub 7) dat het ging om een “marge-auto”, zijnde volgens zijn verklaring ter comparitie een auto “waarop geen omzetbelasting zit” alsmede (sub 6) dat als gevolg van het feit dat hij anders dan Van Dijk geen officiële Mercedes-dealer is en hij slechts APK-garantie en geen BOVAG-garantie verleent, in zijn bedrijf de in- en verkoopprijzen substantieel lager zijn dan in dat van Van Dijk.

[appellant] heeft in die conclusie (sub 7 en 8) verder nog aangevoerd dat hij heeft gecontroleerd of de kentekenpapieren met het (toen op de auto bevestigde) kenteken overeenstemden en dat er een controle van de chassisnummers heeft plaatsgevonden, terwijl, naar hij in die conclusie (sub 9) heeft gesteld, ook nog een APK-onderzoek is verricht. Niemand zou iets verkeerds hebben ontdekt.

4.4 Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor goede trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW is niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering aan hem de onbevoegdheid van zijn voorganger niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd. Het hof is van oordeel dat [appellant] onder de omstandigheden van dit geval met name ook (door het vragen van een legitimatiebewijs en het vergelijken daarvan met de voorhanden zijnde gegevens, alsmede het verifiëren van het op de autopapieren vermelde adres) had moeten nagaan of de gegevens van de persoon die op die autopapieren werden genoemd, overeenstemden met die van een van de twee mannen. Het hof acht in dit verband van belang dat het bij het sluiten van de hier aan de orde zijnde overeenkomst ging om twee aan [appellant] onbekende mannen die een tweedehands Mercedes wilden verkopen, dat algemeen bekend is dat auto’s zeker ook van het merk Mercedes regelmatig worden gestolen en vervolgens (als tweedehands auto’s) worden verkocht. Het hof acht voorts van belang dat een onderzoek als hiervoor omschreven niet ingrijpend is en/of nauwelijks tijd kost. Het enkele feit dat [appellant] heeft nagelaten een dergelijk onderzoek te verrichten, heeft derhalve reeds tot gevolg dat hij niet als te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW kan worden aangemerkt.

Voor het geval al juist zou zijn dat, gelijk [appellant] in diens conclusie van antwoord (sub 7) nog heeft gesteld, het bij marge-auto’s niet gebruikelijk is om een legitimatiebewijs te vragen, overweegt het hof nog dat zulks niet eraan kan afdoen dat in dit geval onder omstandigheden als hier aan de orde en als hierboven geschetst [appellant] niet als te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW kan gelden. Bovendien heeft [appellant] zijn stelling dat het bij marge-auto’s niet gebruikelijk is om een legitimatiebewijs te vragen, niet, althans onvoldoende gemotiveerd.

Uit het voorgaande volgt dat al hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ter staving van zijn stelling dat hij te goeder trouw in de zin van voormelde bepaling was, afstuit op het feit dat hij onvoldoende heeft onderzocht of de verkoper beschikkingsbevoegd was.

4.5 Opmerking verdient nog dat de stelling van [appellant] in zijn toelichting op de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het wettelijk uitgangspunt dat goede trouw wordt verondersteld en de afwezigheid daarvan moet worden bewezen, geen hout snijdt. Dat uitgangspunt neemt immers niet weg dat degene die zich op goede trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW beroept, wel eerst feiten en omstandigheden moet stellen waaruit zijn goede trouw blijkt. Nu reeds uit de door [appellant] gestelde feiten en omstandigheden blijkt dat hij niet te goeder trouw was in de zin van die bepaling, behoeft aan een bewijslastverdeling en aan een bewijsopdracht niet te worden toegekomen.

Het beroep op artikel 3:86 lid 1 BW kan derhalve ten aanzien van [appellant] niet slagen.

4.6 In (de toelichting op) zijn eerste grief heeft [appellant] aangevoerd dat - zakelijk weergegeven - het bestreden vonnis innerlijk tegenstrijdig is daar waar de rechtbank enerzijds overweegt dat [appellant] niet zonder meer had mogen afgaan op de enkele mededeling van een van verkopers dat hij degene was die op het kentekenbewijs vermeld stond, doch anderzijds geen gewicht toekent aan het feit dat Van Dijk niet heeft geverifieerd of het hem getoonde rijbewijs geldig was. Het hof begrijpt uit deze grief en de toelichting daarop dat de onderhavige grief zich niet richt tegen het oordeel van de rechtbank – dat door het hof wordt onderschreven – dat [appellant] door de inkoop en de daarop gevolgde verkoop van de auto jegens Van Dijk onrechtmatig heeft gehandeld. Van Dijk heeft het desbetreffende oordeel van de rechtbank in ieder geval onvoldoende gemotiveerd bestreden. Het hof begrijpt dat [appellant] door deze grief (slechts) bezwaar beoogt te maken tegen het feit dat de rechtbank aan het in de conclusie van antwoord (sub 13) gedane beroep op eigen schuld van [appellant] is voorbijgegaan.

4.7 Het hof overweegt hieromtrent als volgt. In het rapport van onderzoek van het door NOWM ingeschakelde Adviesbureau Schade van 4 februari 2003 (prod. 1 bij inleidende dagvaarding) - naar de inhoud waarvan NOWM zonder daarbij enig voorbehoud te maken heeft verwezen – is - zakelijk weergegeven - vermeld dat na bestudering van de kopie van het voorafgaand aan de proefrit aan Van Dijk getoonde rijbewijs direct opviel dat de geboortedatum van de vrouw aan wie de auto is meegegeven, niet kon overeenstemmen met die van de op het rijbewijs genoemde persoon. De leeftijd van de op het rijbewijs genoemde persoon zou namelijk 65 jaar zijn, terwijl de leeftijd van de vrouw aan wie Van Dijk de auto heeft meegegeven, 40 à 45 jaar leek te zijn. Laatstgenoemde leeftijd is ook vermeld in het signalement van de vrouw, zoals dat is opgenomen in het proces-verbaal van aangifte bij de politie van 21 januari 2003 (prod. 2 bij inleidende dagvaarding). Bovendien bleek bij - eerst later - door Van Dijk verricht telefonisch onderzoek dat op het op het rijbewijs vermelde adres weliswaar inderdaad een mevrouw [D.] woonde, doch dat die vrouw 75 jaar oud was en geen rijbewijs had. Het hof is van oordeel dat het in ieder geval op de weg van Van Dijk had gelegen om de op het rijbewijs gestelde tekst te lezen en voor zover mogelijk aan de hand daarvan op juistheid te toetsen, alvorens de auto aan haar overigens onbekende personen mee te geven. Aangenomen moet immers worden dat, indien Van Dijk dat zou hebben gedaan, zij bovengenoemde discrepantie ter zake van de leeftijd zou hebben geconstateerd en de auto niet zonder meer zou hebben meegegeven, zodat deze dus ook niet aan [appellant] zou zijn te koop aangeboden. De door Van Dijk geleden schade is dus mede het gevolg geweest van de omstandigheid dat zij heeft nagelaten een onderzoek als hiervoor bedoeld in te stellen.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat die omstandigheid aan Van Dijk dient te worden toegerekend. Opmerking verdient in dit verband dat ook het hier bedoelde onderzoek, niet diepgaand en/of tijdrovend zou zijn geweest.

Nu (ook overigens) niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, waaruit volgt dat dit in het hier aan de orde zijnde geval anders is, wordt derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 6:101 lid 1 BW de schadevergoedingsplicht van [appellant] verminderd door de schade over Van Dijk en [appellant] te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het hof is, gelet op al het bovenstaande, van oordeel dat de aan [appellant] en Van Dijk toe te rekenen omstandigheden voor respectievelijk 65% en 35% tot de schade van Van Dijk hebben bijgedragen. [appellant] was derhalve gehouden aan Van Dijk 65% van de door deze schade te vergoeden. Het voorgaande brengt mede dat [appellant] ter zake aan Van Dijk 65% van € 17.873,27, derhalve € 11.617,63 diende te voldoen.

Gelet op het feit dat NOWM tot een bedrag van € 17.423,27 is gesubrogeerd in de rechten van Van Dijk jegens [appellant], is laatstgenoemde gehouden het bedrag van € 11.617,63 aan NOWM te voldoen.

5 De slotsom

5.1 Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling aan NOWM van een bedrag van € 11.617,63 met wettelijke rente ingaande 2 april 2003.

5.2 Nu partijen beide deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen kosten van beide instanties tussen partijen worden gecompenseerd als in het dictum van dit arrest is aangegeven.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 22 juni 2005 en, opnieuw recht doende:

- veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan NOWM te betalen een bedrag van € 11.617,63 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag ingaande 2 april 2003 tot aan de dag der algehele voldoening en verklaart die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

compenseert ook de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Wijland-Kalkman, Frankena en Van Osch en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2006.