Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9958

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
2005/206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het kader van de vraag of de Gemeente jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met de jegens hem in acht te nemen zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, kan niet uit het oog worden verloren dat het de Gemeente – die kennelijk ook eigenaar is van de grond – in beginsel vrij staat een weg aan te leggen op de wijze zoals haar goeddunkt. Daarbij moet zij wel rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van anderen, voorzover deze kenbaar zijn. [geïntimeerde] heeft in dit verband – ook in zijn incidenteel appèl – aangevoerd dat het hier gaat om een kritische bodem, die vatbaar is voor invloeden van buitenaf en dat dit ook bij de Gemeente bekend was. Zelfs als dit allemaal zo is, dan voert het naar het oordeel van het hof te ver om van een grondeigenaar te verlangen dat hij bij een betrekkelijk eenvoudig werk zoals het vervangen van een betonnen duiker met een doorsnee van ongeveer 30 cm door een duiker van PVC met een doorsnee van 20 cm, waarbij het niet in de rede ligt aan te nemen dat dit tot overlast, hinder of schade bij omwonenden kan leiden, van tevoren onderzoek doet naar de eventuele gevolgen daarvan voor de bodemgesteldheid van aangrenzende percelen. Daartoe zou bij een dergelijk eenvoudig werk slechts aanleiding kunnen zijn wanneer het gaat om een zeer uitzonderlijke bodem waarvan zonder meer duidelijk is dat daarin niet zonder gevaar voor omliggende percelen gegraven of gewerkt kan worden. Daarvan is hier geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12 september 2006

derde civiele kamer

rolnummer 05/206

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Gemeente Voorst,

zetelende te Twello, gemeente Voorst,

appellante in het principaal appèl,

geïntimeerde in het incidenteel appèl,

procureur: mr. F.J. Boom,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appèl,

appellant in het incidenteel appèl,

procureur: mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 29 december 2004 dat de rechtbank Zutphen tussen appellante in het principaal appèl/geïntimeerde in het incidenteel appèl, (hierna ook te noemen: de Gemeente) als gedaagde en geïntimeerde in het principaal appèl/appellant in het incidenteel appèl (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 De Gemeente heeft bij exploot van 14 februari 2005 [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft de Gemeente zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, waaronder die van het voorlopig deskundigenbericht.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van de Gemeente in de kosten van (bedoeld zal zijn) het hoger beroep.

2.4 Bij dezelfde memorie heeft [geïntimeerde] incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis en heeft hij daartegen één grief aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. [geïntimeerde] heeft gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, voor recht zal verklaren dat er voor de Gemeente bij de aanleg van de duiker aanleiding bestond extra maatregelen te nemen in verband met de extreme gevoeligheid van de bodem voor trillingen alsmede dat de Gemeente had kunnen, althans had behoren te voorzien dat de onvoldoende verdichting van de grond rond de duiker schade zou kunnen doen ontstaan aan de woning van [geïntimeerde], waarmee de Gemeente jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van (bedoeld zal zijn) het incidenteel appèl.

2.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel appèl, tevens antwoordakte in het principaal appèl, heeft de Gemeente verweer gevoerd in het incidenteel appèl en in dat verband geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde]s vordering in het incidenteel appèl afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten daarvan. Verder heeft zij gereageerd op de producties die [geïntimeerde] in het principaal appèl had overgelegd. Bij dit stuk heeft de Gemeente ook nog nieuwe producties in het geding gebracht.

2.6 Daarna hebben partijen de zaak schriftelijk doen bepleiten door hun advocaten, de Gemeente door mr. J.M.H.W. Bindels, advocaat te Arnhem en [geïntimeerde] door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen. De pleitnotities bevinden zich bij de stukken. [geïntimeerde] heeft daarbij ook nog nieuwe producties in het geding gebracht.

2.7 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] bewoont in het buitengebied van [plaatsnaam] een tot woning omgebouwde boerderij, die gebouwd is in 1925. De woning ligt aan de voor het openbaar verkeer openstaande [...]weg. Nadat [geïntimeerde] deze woning in 1986 had gekocht, heeft hij de woning in dat jaar verbouwd.

De voorgevel van de woning ligt op ongeveer 18 meter van de weg. Tegenover de woning van [geïntimeerde] ligt onder de [...]weg een duiker. Voorheen was deze duiker van beton, in 1993 heeft de Gemeente deze duiker vervangen door een duiker van pvc.

[geïntimeerde] heeft bij brief van 10 oktober 1997 voor het eerst schriftelijk – en volgens eigen zeggen eerder ook al mondeling - bij de Gemeente erover geklaagd dat de weg boven de duiker was verzakt, waardoor er in zijn woning ernstige trillingen optraden bij passeren van verkeer. Die trillingen leidden volgens hem tot scheuren in muren en vloeren. De Gemeente heeft daarop gereageerd bij brief van 27 november 1997 met de mededeling dat de verzakking te gering was en dat het niet noodzakelijk werd geacht verdere maatregelen ten aanzien van de duiker of het wegdek te nemen.

In 1996 en 1997 heeft de Gemeente enige malen de verzakkingen in de weg opgevuld met teer en grind.

Bij brief van 6 september 1999 heeft [geïntimeerde] de Gemeente aansprakelijk gesteld voor trillingshinder en trillingsschade aan zijn woonhuis. De verzekeraar van de Gemeente heeft zich in reactie daarop op het standpunt gesteld dat het oorzakelijk verband tussen de trillingen en de schade ontbrak.

Vervolgens heeft ingevolge een beschikking van de rechtbank van 1 februari 2001 op verzoek van [geïntimeerde] een voorlopig deskundigenonderzoek plaatsgevonden door KOAC-WMD te Apeldoorn. Dit bedrijf heeft op 3 juli 2001 een trillingsonderzoek verricht en op 20 september 2001 een rapport uitgebracht. Daarin staat onder meer:

De toestand van (...) het wegoppervlak is op 3 juli 2001 beoordeeld (...)

Daarbij is het volgende waargenomen:

- Over de gehele geïnspecteerde lengte (50 m) is aan de wegzijde van het woonhuis lichte tot matige randschade aan de asfaltdeklaag aanwezig.

- Ter hoogte van de duiker toont het wegoppervlak matige scheurvorming over de volledige breedte van de weg. De scheurvorming verloopt vrijwel evenwijdig met de onderdoorgang van de duiker. Voorts is hier aan het oppervlak van de asfaltdeklaag sprake van lichte tot matige plaatselijke verzakkingen, met name aan de zijkanten van de weg. Aan de wegzijde van het woonhuis is de verzakking ooit reeds uitgevuld met reparatieasfalt (koudasfalt), waardoor de ernst van de plaatselijke verzakkingen tot onder de onderhoudsnorm is teruggebracht.

(...)

3.2.1 Verkeerstrillingen

Trillingen als gevolg van wegverkeer worden veroorzaakt door de interactie van voertuig en onvlakheid van de weg. Deze interactie resulteert in een dynamische belasting op de weg. Bij het passeren van vooral zware voertuigen (vrachtwagens, bussen) worden door de belasting ter plaatse van een onvlakheid trillingen gegenereerd met een kortdurend karakter. (...)

(...)

3.2.2 Beoordeling van de trillingen volgens de SBR-richtlijnen

In Nederland bestaan voor de beoordeling van trillingen geen specifieke wetten, zoals die er bijvoorbeeld zijn voor geluidhinder. Wel zijn er sinds 1993 de ‘Meet- en Beoordelingsrichtlijnen van de Stichting Bouwresearch’ (SBR-richtlijnen).

Deze bestaan uit drie documenten waarvan er in het onderhavige geval twee relevant zij (...), te weten:

- SBR-1: betreffende schade aan bouwwerken door trillingen

- SBR-2 betreffende hinder voor personen in gebouwen door trillingen.

Trillingen dienen te worden gemeten onder omstandigheden die representatief zijn voor de trillingsbelasting waaraan een bouwwerk wordt onderworpen en/of voor de situatie waarin hinder wordt ondervonden. (...)

(...)

3.2.4 Sterkte van de trillingen in het woonhuis

Voor de beoordeling van de sterkte van de door wegverkeer op de [...]weg veroorzaakte trillingen in het woonhuis op nummer 15, is op 17 augustus 2001 een onderzoek overeenkomstig de SBR-richtlijnen 1 en 2 uitgevoerd. Omdat de frequentie waarmee zware voertuigen op de [...]weg passeren laag ligt, is gekozen voor een doelgericht onderzoek met een representatief geacht zwaar voertuig. Door de bewoner/eigenaar is aangegeven dat met name vrachtwagens van het type ‘truck met oplegger’ in het woonhuis voelbare trillingen veroorzaken. Daarom is via aan transportbedrijf een onbeladen truck met oplegger ingehuurd om verkeerstrillingen te genereren. Gekozen is voor een onbeladen voertuig, omdat ervaring heeft uitgewezen dat onbeladen vrachtwagens sterkere trillingen teweeg brengen dan beladen vrachtwagens. De truck met oplegger is met verschillende snelheden, oplopend van 30 km/uur tot de maximumsnelheid ter plaatse van 80 km/uur, voorbij gereden. In totaal zijn 35 passages uitgevoerd, waarbij in het woonhuis de teweeg gebrachte trillingssterkte is geregistreerd.

Het trillingsonderzoek heeft geresulteerd in de volgende conclusies:

- De Meet- en Beoordelingsrichtlijn SBR-1 stelt in paragraaf 10.3.1 dat volgens de bestaande praktijkervaring er een aanvaardbaar kleine kans bestaat dat constructieve schade aan bouwwerken en funderingen zal optreden, indien grenswaarden voor de trillingssterkte worden aangehouden voor het bouwwerk of onderdelen daarvan. Getoetst aan de van toepassing zijnde grenswaarden het voor het aspect schade volgens de richtlijn SBR-1, zijn in het uitgevoerde onderzoek geen trillingssterkten geregistreerd die deze grenswaarde overschrijden.

- De Meet- en Beoordelingsrichtlijn SBR-2 stelt in hoofdstuk 2 dat de grenswaarden voor trillingshinder niet scherp gedefinieerd kunnen worden en derhalve in de richtlijn streefwaarden worden gehanteerd. Indien de trillingssterkte onder deze streefwaarden blijft, mag worden verwacht dat in de meeste situaties geen hinder zal optreden. Getoetst aan de van toepassing zijnde streefwaarden voor het aspect hinder volgens de richtlijn SBR-2, zijn in het uitgevoerde onderzoek overschrijdingen van de streefwaarden geregistreerd bij rijsnelheden van de truck met oplegger van 50 km/uur en hoger. Dit impliceert dat personen in het woonhuis trillingshinder ervaren.

(...)

3.4 Causaal verband trillingen – schade

(...)

De hoogste waarde van de trillingssterkte is gemeten op de achtermuur van de grote slaapkamer op de verdieping. In deze muur is forse scheurvorming geconstateerd (...). De gemeten hoogste waarde bedroeg 1,19 mm/s. De grenswaarde bedraagt 9 mm/s voor een bouwwerk in categorie 2. Categorie 2 betreft in goede staat verkerende onderdelen van de draagconstructie van een gebouw, indien deze bestaan uit metselwerk. De gemeten waarde van 1,19 mm/s ligt ruimschoots onder de grenswaarde. In het geval er – bijvoorbeeld door ouderdom – reeds initiële scheurvorming in het woonhuis aanwezig is, kan bouwwerkcategorie 3 als uitgangspunt worden genomen. Bouwwerkcategorie 3 betreft oude en monumentale gebouwen en in slechte staat verkerende gebouwen uit metselwerk of onderdelen daarvan. In dat geval bedraagt de grenswaarde 4,8 mm/s. De gemeten waarde van 1,19 mm/s ligt ook onder deze grenswaarde.

De aard van de reparatieplek met koudasfalt aan de wegzijde van de woning wekt de indruk dat sprake is geweest van een verzakking van meerdere centimeters, Derhalve moet er rekening mee worden gehouden dat er vóór de reparatie een onvlakheid bestond die hoge trillingssterkten veroorzaakte bij het passeren van zwaar verkeer.

(...)

In september 2003 is de maximaal toegestane snelheid op de [...]weg teruggebracht van 80 kilometer per uur tot 60 kilometer per uur. Toen zijn ook op alle kruisingen verkeersplateaus aangelegd waarop voorrang moet worden verleend aan het van rechts komende verkeer. De woning van [geïntimeerde] ligt bij een kruising waarop ook een verkeersplateau is aangelegd. De verzakking in de weg bevindt zich op ongeveer 60 centimeter van dit plateau.

4.2 [geïntimeerde] stelt dat er sprake is van onrechtmatige trillingshinder waarvoor de Gemeente aansprakelijk is. In hoofdlijnen vordert hij dat de Gemeente:

- de duiker vervangt en verplaatst en het verkeersplateau verwijdert,

- hem en eventuele rechtsopvolgers vrijwaart van mogelijk toekomstige trillingshinder, veroorzaakt door deze werkzaamheden,

- als er zich toch trillingshinder mocht manifesteren, binnen één maand afdoende maatregelen neemt,

- een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van alle materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat, alsmede in de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek en in de proceskosten.

In het principaal appèl

De grondslag van de vordering

4.3 [geïntimeerde] baseert aansprakelijkheid van de Gemeente op de artikelen 6:162 en 6:174 BW.

4.4 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 5.10 allereerst geoordeeld dat zij het vermoeden heeft dat er causaal verband bestaat tussen de aanleg en handhaving van de duiker enerzijds en de scheurvorming in de woning van [geïntimeerde] anderzijds. Vervolgens heeft zij onder 5.12 overwogen dat de Gemeente als wegbeheerder mogelijk uit hoofde van artikel 6:174 BW jegens [geïntimeerde] aansprakelijk is, mits komt vast te staan dat de weg niet voldeed aan de onderhoudsnorm én de zogenoemde tenzij-clausule (van het eerste lid van dat artikel) niet van toepassing is. Wanneer geen aansprakelijkheid uit hoofde van 6:174 BW zou bestaan, wordt volgens de rechtbank van belang of er aansprakelijkheid is uit hoofde van artikel 6:162 BW. Daarvoor is van belang, aldus de rechtbank, of de Gemeente bij de aanleg van de duiker en/of nadien niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.5 In het hiernavolgende zal het hof allereerst beoordelen of en zo ja, in hoeverre er sprake is van aansprakelijkheid van de Gemeente in de zin van de artikelen 6:162 respectievelijk 6:174 BW en vervolgens of er sprake is van causaal verband tussen een op grond van die artikelen bestaande aansprakelijkheid en de door [geïntimeerde] gestelde schade. Wat betreft de schade is tot slot van belang dat [geïntimeerde] stelt dat er zowel sprake is van schade aan zijn woning als van overlast voor in de woning aanwezige personen ten gevolge van trillingen (hierna aangeduid als trillingsoverlast). In het bestreden vonnis is de rechtbank alleen ingegaan op de door [geïntimeerde] gestelde schade aan de woning.

Artikel 6:162 BW

4.6 In het kader van de vraag of er sprake is van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW gaat het erom of de Gemeente jegens [geïntimeerde] de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die haar in het maatschappelijk verkeer betaamt. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat op de Gemeente de plicht rustte de grond boven de duiker goed te verdichten, daarbij rekening houdend met de bodemstructuur ter plaatse. Wanneer die grond niet goed is verdicht, dan heeft de Gemeente onzorgvuldig gehandeld, aldus de rechtbank in rov. 5.14. Bij de beoordeling van de vraag of de Gemeente ook aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan moet dan onder andere worden bezien of zij na het aan het licht komen van de schade voldoende maatregelen heeft getroffen om de schade te voorkomen, aldus de rechtbank. Vervolgens heeft zij in rov. 5.15 en 5.16 overwogen dat dat niet het geval is geweest en dat de Gemeente daarom onrechtmatig heeft gehandeld door niet adequaat op de klachten van [geïntimeerde] te reageren. Hiertegen is grief VI gericht.

4.7 Het hof overweegt als volgt. In het kader van de vraag of de Gemeente jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met de jegens hem in acht te nemen zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, kan niet uit het oog worden verloren dat het de Gemeente – die kennelijk ook eigenaar is van de grond – in beginsel vrij staat een weg aan te leggen op de wijze zoals haar goeddunkt. Daarbij moet zij wel rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van anderen, voorzover deze kenbaar zijn. [geïntimeerde] heeft in dit verband – ook in zijn incidenteel appèl – aangevoerd dat het hier gaat om een kritische bodem, die vatbaar is voor invloeden van buitenaf en dat dit ook bij de Gemeente bekend was. Zelfs als dit allemaal zo is, dan voert het naar het oordeel van het hof te ver om van een grondeigenaar te verlangen dat hij bij een betrekkelijk eenvoudig werk zoals het vervangen van een betonnen duiker met een doorsnee van ongeveer 30 cm door een duiker van PVC met een doorsnee van 20 cm, waarbij het niet in de rede ligt aan te nemen dat dit tot overlast, hinder of schade bij omwonenden kan leiden, van tevoren onderzoek doet naar de eventuele gevolgen daarvan voor de bodemgesteldheid van aangrenzende percelen. Daartoe zou bij een dergelijk eenvoudig werk slechts aanleiding kunnen zijn wanneer het gaat om een zeer uitzonderlijke bodem waarvan zonder meer duidelijk is dat daarin niet zonder gevaar voor omliggende percelen gegraven of gewerkt kan worden. Daarvan is hier geen sprake. Ook het feit dat er, zoals [geïntimeerde] in het kader van het incidenteel appèl gemotiveerd heeft betoogd, sprake is van een kritische bodem (twee verschillende grondwatertrappen waardoor de bodem vatbaar is voor invloeden van buitenaf en “één grote gevoelige zandbak”, vatbaar voor invloeden van buitenaf) rechtvaardigt een dergelijke vergaande conclusie nog niet zonder meer. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat voor de Gemeente pas met de eerste klacht van [geïntimeerde] kenbaar werd dat er mogelijk iets aan de hand was.

4.8 Vervolgens is van belang of de Gemeente, nadat de verzakking in de weg haar was gemeld en haar dus duidelijk werd dat de weg mogelijk een gevaar opleverde, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk gepaste maatregelen heeft genomen ter voorkoming van de redelijkerwijs voorzienbare schade (vgl. HR 9 maart 1973, NJ 73, 464). Daarbij mag zij rekening houden met de haar ter beschikking staande middelen en de mate van prioriteit ten opzichte van andere gevaarlijke situaties (vgl. Hoge Raad 9 juni 2006, LJN AV4315). De rechtbank is ervan uitgegaan dat [geïntimeerde] in 1996 voor het eerst heeft geklaagd. Grief V is gericht tegen dat oordeel. De Gemeente stelt daarin dat [geïntimeerde] pas voor het eerst bij haar heeft geklaagd met zijn brief van 10 oktober 1997 (die zich overigens in geen van beide procesdossiers bevindt). Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of [geïntimeerde] nu in 1996 dan wel in 1997 voor het eerst heeft geklaagd, nu [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat de Gemeente het wegdek in 1996 en 1997 heeft hersteld (inleidende dagvaarding onder 20), zij het dat dit in de ogen van [geïntimeerde] uiterst provisorisch en niet toereikend is geschied. Ook wanneer [geïntimeerde] al in 1996 heeft geklaagd, heeft immers te gelden dat de Gemeente naar aanleiding van klachten van [geïntimeerde] handelend is opgetreden. Naar het oordeel van het hof heeft de Gemeente daarmee voldoende tijdig gereageerd. Een andere vraag is of zij toen ook voldoende adequaat heeft gereageerd. Daarvoor is van belang of de toen uitgevoerde reparaties afdoende zijn geweest. [geïntimeerde] betwist dat. In het hiernavolgende zal onder 4.15 e.v. op deze vraag nader worden ingegaan. Uit het voorgaande volgt dat grief VI terecht is voorgesteld.

Artikel 6:174 BW Risico-aansprakelijkheid van de Gemeente als wegbeheerder

4.9 Met betrekking tot artikel 6:174 BW heeft de Gemeente in grief IV betoogd dat dit artikel toepassing mist, omdat de duiker geen deel uitmaakt van de weg. Daarmee miskent de Gemeente evenwel dat vast staat dat het wegdek scheurvorming en verzakking vertoont, die volgens [geïntimeerde] leiden tot trillingen in zijn huis wanneer verkeer over de weg rijdt. Aldus kan er sprake zijn van gebrekkigheid van de weg en dus van een risico-aansprakelijkheid van de Gemeente. Daarvoor zal in ieder geval moeten komen vast te staan dat de weg niet voldeed aan de onderhoudsnorm voor trillingen (NvW, PG InvW 6, p. 1394). Het is aan [geïntimeerde] om te bewijzen dat de weg niet voldoet of niet voldeed aan de (onderhouds)normen die gelden voor het voorkomen van trillingsschade en trillingsoverlast.

Causaal verband

4.10 In het kader van artikel 6:162 BW moet vast komen te staan dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de aansprakelijkheid die volgens [geïntimeerde] op de Gemeente rust door de weg in 1996 en 1997 niet voldoende te repareren en de door hem gestelde schade, terwijl het in het kader van artikel 6:174 BW erom gaat of de weg een gevaar oplevert voor personen of zaken. In beide gevallen gaat het dan om de vraag of de toestand van de weg leidt of heeft geleid tot scheuren en/of verzakkingen dan wel tot trillingshinder in de woning van [geïntimeerde] en aldus gevaar oplevert.

4.11 Met betrekking tot dit causaal verband heeft de rechtbank in het bestreden tussenvonnis (in rov. 5.10 en 5.17) geoordeeld dat de aanhoudende scheurvorming en de verzakkingen in de weg ter plaatse van de duiker steun bieden aan de stelling van [geïntimeerde] dat bij de aanleg van de duiker de grond niet voldoende is verdicht. Die stelling heeft de Gemeente volgens de rechtbank niet voldoende weersproken. Uit het voorlopig deskundigenbericht en het door [geïntimeerde] overgelegde rapport van Raadgevend ingenieursbureau Peree B.V. blijkt volgens de rechtbank verder dat de trillingen tot in de ondergrond aan de achterzijde van de woning kunnen doordringen. Mede gelet op de samenstelling van de bodem, is zeker mogelijk dat de trillingen in de periode tussen de aanleg van de duiker en de eerste herstelwerkzaamheden van de Gemeente voor een verstoring in de stabiliteit van de grondlagen hebben gezorgd. Dit een en ander heeft de rechtbank tot het vermoeden geleid dat er een causaal verband bestaat tussen de aanleg en handhaving van de duiker en de scheurvorming in de woning van [geïntimeerde]. De rechtbank heeft de Gemeente in de gelegenheid gesteld tegen dit vermoeden tegenbewijs te leveren en bij akte aan te geven op welke wijze zij dit bewijs wil leveren.

4.12 Met de grieven I, II, III en VII komt de Gemeente tegen deze overweging op, kort gezegd stellende dat de rechtbank aldus de bewijslast verkeerd heeft beoordeeld.

4.13 Het hof oordeelt hierover als volgt. In het kader van het voorlopig deskundigenbericht is een onderzoek ingesteld naar de gevolgen van de trillingen voor de woning van [geïntimeerde]. Daarin is een onderscheid gemaakt tussen de vraag in hoeverre de gemeten trillingen tot schade aan de woning van [geïntimeerde] kunnen leiden en in hoeverre deze als hinderlijk kunnen worden ervaren door in de woning aanwezige personen. Wat betreft het schadeaspect blijkt uit het rapport dat de volgens de Richtlijn SBR-1 gemeten maximumwaarden (hoogst gemeten waarde: 1,19 mm/s) zodanig laag zijn dat zij ruim beneden de in deze Richtlijn voor oude en monumentale gebouwen geldende grenswaarde van 4,8 mm/s blijven. Onweersproken is dat deze waarden als norm kunnen gelden en als zodanig dan ook bruikbaar zijn voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van onrechtmatige trillingshinder die schade aan een gebouw kan veroorzaken. Daaruit volgt dat de trillingen op het moment van onderzoek niet onrechtmatig waren zodat de Gemeente daarvoor niet aansprakelijk is te stellen.

4.14 [geïntimeerde] stelt echter ook dat na het onderzoek, namelijk sinds de aanleg in 2003 van het verkeersplateau in de [...]weg op de kruising nabij zijn woning, de trillingen zijn toegenomen en ook de schade aan zijn woning. Op dat moment was de Gemeente er al van op de hoogte dat [geïntimeerde] meende ten gevolge van de trillingen in de weg schade te lijden en moest zij al bij de aanleg van het plateau in de weg – waarvan algemeen bekend is dat dit tot trillingen kan leiden – rekening houden met de belangen van [geïntimeerde]. Indien komt vast te staan dat sindsdien de trillingen grenswaarden voor het ontstaan van schade aan gebouwen overschrijden, is gegeven dat de Gemeente jegens [geïntimeerde] handelt in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt in de zin van artikel 6:162 BW en tevens dat de weg sindsdien niet meer voldoet aan de daarvoor geldende onderhoudsnorm in de zin van artikel 6:174 BW. [geïntimeerde] zal echter wel moeten bewijzen dat de trillingen sinds september 2003 de normen van SBR-1 overschrijden.

4.15 Ook vermelden de deskundigen in het voorlopig deskundigenbericht - dat, naar tussen partijen vast staat, de bewijskracht heeft als genoemd in artikel 207 Rv - er rekening mee te houden dat vóór de reparatie boven de duiker een onvlakheid bestond die hoge trillingssterkten veroorzaakte bij het passeren van zwaar verkeer. In het kader van de vraag of de Gemeente aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:162 BW is dit verder niet relevant, omdat het ervoor moet worden gehouden dat de Gemeente, nadat [geïntimeerde] had geklaagd, tijdig maatregelen heeft genomen (zie rov. 4.5), die, zo volgt uit het hiervoor overwogene, afdoende zijn geweest.

4.16 In het kader van artikel 6:174 BW is deze opmerking van de deskundigen echter wél van belang. [geïntimeerde] stelt immers - en zou zonodig moeten bewijzen - dat er in het verleden ten gevolge van de scheurvorming en verzakking in de weg trillingen op zijn woning hebben ingewerkt die sterker waren dan 4,8 mm/s. Als die stelling van [geïntimeerde] juist zou blijken, zou de weg toen niet voldaan hebben aan de daarvoor geldende onderhoudsnorm. Verder geldt dat de omstandigheid dat de Gemeente vóór de klacht van [geïntimeerde] mogelijk niet wist of kon weten dat de weg was verzakt, onvoldoende is voor een geslaagd beroep van de Gemeente op de zogenoemde tenzij-clausule (vgl. TM, Parl. Gesch. 6, p. 755).

Uit de stukken die [geïntimeerde] tot nu toe in het geding heeft gebracht, waaronder het rapport van Perree, volgt dit niet. Ook overigens zijn er geen argumenten om de bewijslast anders te verdelen. Vast staat immers dat de woning eerder ingrijpend is verbouwd, terwijl er volgens [geïntimeerde] ook sprake is van een kritische bodem. Dat laatste kan op zichzelf al tot verzakkingen of scheurvorming in de woning leiden. Ook de deskundigen hebben onder 3.7 in hun voorlopig deskundigenbericht een zestal mogelijke andere oorzaken voor de schade aan de woning van [geïntimeerde] genoemd. Hiertegenover bieden de door [geïntimeerde] in zijn memorie van antwoord onder 57 genoemde bewijsmiddelen onvoldoende grond om zijn stellingen voor juist te houden dan wel voorshands van de juistheid daarvan uit te gaan. Mede omdat vooralsnog onduidelijk is hoe de verschillende mogelijke schade-oorzaken op elkaar inwerken, bieden de feiten onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat in het verleden, toen de verzakking in de weg dieper was, door (het gebruik van) de weg trillingen van meer dan 4,8 mm/s op de woning inwerkten.

4.17 [geïntimeerde] zal dus (nader) bewijs moeten bijbrengen. Hij zal moeten bewijzen dat er

(a) in het verleden – dus vóórdat de Gemeente de verzakking en scheurvorming in de weg had hersteld –

en/of

(b) thans – sinds de aanleg van het verkeersplateau in de weg in september 2003 –

sprake is (geweest) van zodanig sterke trillingen in zijn woning ten gevolge van het verkeer over de weg, dat de normen van de Richtlijn SBR-1 werden c.q. worden overschreden.

In zoverre slagen de grieven I, II, III en VII. Indien [geïntimeerde] erin slaagt dit bewijs te leveren - waarvoor een nader deskundigenonderzoek aangewezen lijkt -, is daarmee gegeven dat de Gemeente de weg in 1996 en 1997 niet afdoende heeft gerepareerd dan wel (het verkeersplateau in) de weg in 2003 niet goed heeft aangelegd en is de Gemeente in zoverre jegens hem aansprakelijk.

Trillingsoverlast

4.18 Zoals hiervoor al is opgemerkt, is de rechtbank in het bestreden vonnis nog niet ingegaan op de vraag of er ook sprake is van trillingsoverlast in de woning van [geïntimeerde]. Die vraag zal nog wel aan de orde moeten komen want [geïntimeerde] stelt immers ook dat er sprake is van zulke trillingsoverlast. Uit het rapport van het voorlopig deskundigenbericht blijkt dat daar ook onderzoek naar is gedaan. Daartoe zijn metingen uitgevoerd volgens de Richtlijn SBR-2 (hierna: SBR-2). Deze metingen zijn vervolgens getoetst aan de richtwaarde voor de maximale trillingssterkte (A1) en de grenswaarde voor de maximale trillingssterkte (A2), zoals vastgelegd in SBR-2. Omdat de in SBR-2 vastgelegde grenswaarde voor de maximale trillingssterkte een aantal malen is overschreden, hebben de deskundigen niet meer beoordeeld of de grenswaarde voor de trillingssterkte over de beoordelingsperiode (waarvoor een periodemeting had moeten worden uitgevoerd, hetgeen blijkbaar niet is gebeurd) ook werd overschreden.

4.19 Het hof wijst erop dat de grenswaarden voor de maximale trillingssterkte zoals vastgelegd in SBR-2 aanmerkelijk afwijken van de normen die de Minister van Volksgezondheid, ruimtelijke ordening en milieu heeft vastgelegd in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 21 oktober 1998. Bovendien zijn de daarin vastgelegde normen gedifferentieerd, in die zin dat er, afhankelijk van het soort gebied waarin een woning ligt, verschillende normen gelden. De in de Handreiking gegeven normen zijn weliswaar niet formeel wettelijk vastgelegd, maar dat laat onverlet dat aan die normen in de (bestuurs)rechtspraak wel gewicht wordt toegekend bij de beoordeling van in (milieu)vergunningen vastgelegde normen voor trillingshinder. De rechtbank zal in het kader van de vraag of er sprake is van onrechtmatige trillingsoverlast in de woning van [geïntimeerde] dan ook een oordeel moeten geven over de vraag aan de hand van welke normen getoetst moet worden. Het hof geeft de rechtbank in overweging de partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

In het incidenteel appèl

4.20 [geïntimeerde] heeft betoogd dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat ter plaatse sprake is van een kritische bodemgesteldheid. Uit hetgeen hiervoor onder 4.7 en 4.16 is overwogen, volgt dat deze grief faalt. De enkele omstandigheid dat er volgens [geïntimeerde] sprake is van een kritische bodem leidt niet tot een andere beoordeling.

Slotsom

Het principaal appèl slaagt en het incidenteel appèl faalt. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De zaak zal worden verwezen naar de rechtbank Zutphen ter verdere afdoening met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van zowel het principaal als het incidenteel appèl worden veroordeeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal appèl

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 29 december 2004,

en, opnieuw recht doende:

verwijst de zaak naar de rechtbank Zutphen ter verdere afdoening met inachtneming van het in dit arrest overwogene;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het principaal appèl, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 2.682,00 wegens salaris van de procureur en op € 362,93 wegens verschotten;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in het incidenteel appèl

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appèl, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.341,00 wegens salaris van de procureur,

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Van Ginkel en Vaessen en uitgesproken in het openbaar op 12 september 2006.