Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9776

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
VI 9/06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting geconcludeerd de zaak aan te houden teneinde het oordeel van het ressortsparket omtrent de vraag of het ingestelde hoger beroep wordt doorgezet af te wachten. Indien het ingestelde hoger beroep wordt doorgezet, verzoekt zij de zaak aan te houden totdat dit gerechtshof in het kader van de nieuwe strafzaak eindarrest heeft gewezen. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting toegezegd dat zij ten parkette de VI-datum opnieuw zal laten berekenen en heeft toegezegd de veroordeelde in vrijheid te stellen op het moment dat deze nieuw berekende VI-datum is bereikt.

Uit artikel 15b, tweede lid Sr kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is dat de veroordeelde gedetineerd zit op het moment dat op de vordering wordt beslist, zodat bij een (geheel of gedeeltelijke) toewijzing het restant van de straf aaneensluitend tenuitvoergelegd kan worden. Het strafdossier is nog niet bij dit hof binnengekomen. Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft toegezegd de veroordeelde in vrijheid te stellen op het moment dat de VI-datum is bereikt, zal - ook indien het hoger beroep door het openbaar ministerie wordt doorgezet - op het moment dat de strafzaak bij dit hof ter zitting behandeld zal worden - hetgeen niet vóór januari/februari 2007 het geval zal zijn - veroordeelde reeds op vrije voeten zijn gesteld. Nu vaststaat dat veroordeelde ten tijde van een eventuele beoordeling van de vordering niet meer gedetineerd zal zijn, is het hof van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VI-nummer: 09/06

Uitspraak: 4 oktober 2006

Gerechtshof te Arnhem

Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.

Het hof heeft te beslissen op de op 10 augustus 2006 ingekomen vordering van de officier van justitie te Den Haag van 9 augustus 2006 strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:

[VEROORDEELDE],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 20 september 2006 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr C.H. Pentinga, advocaat te Amsterdam, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof.

Overwegingen

Grondslag van de vordering

De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 6 februari 2006 van de rechtbank te Den Haag opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden (twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk), met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.

Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht en wel door zich tijdens regimair verlof schuldig te maken aan verkrachting.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.

Veroordeelde is op 15 mei 2006 aangehouden. Hij is vervolgens in verzekering gesteld en daarna is een bevel tot bewaring verleend. Hij zou zich onder meer schuldig hebben gemaakt aan verkrachting.

Blijkens het vonnis van de rechtbank te Utrecht is veroordeelde op 29 augustus 2006 vrijgesproken voor de verkrachting en veroordeeld ter zake van mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van één week. De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het ressortsparket dient thans te beoordelen of het ingestelde hoger beroep wordt doorgezet.

Beoordeling van de vordering

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting geconcludeerd de zaak aan te houden teneinde het oordeel van het ressortsparket omtrent de vraag of het ingestelde hoger beroep wordt doorgezet af te wachten. Indien het ingestelde hoger beroep wordt doorgezet, verzoekt zij de zaak aan te houden totdat dit gerechtshof in het kader van de nieuwe strafzaak eindarrest heeft gewezen. Indien besloten wordt dat het ingestelde beroep niet wordt doorgezet, dan zal de advocaat-generaal dit zo snel mogelijk aan dit hof en de raadsvrouw laten weten en kan de zaak -eventueel schriftelijk- worden afgedaan. De vordering dient in dit geval wegens het ontbreken van belang te worden afgewezen.

De raadsvrouw heeft zich verzet tegen aanhouding. Zij heeft betoogd dat de vordering thans dient te worden afgewezen. Zij heeft hiervoor aangevoerd dat volgens de omschrijving in de vordering aan de vordering enkel de verkrachting tijdens regimair verlof ten grondslag is gelegd. Nu veroordeelde voor dit feit door de rechtbank is vrijgesproken, dient de vordering te worden afgewezen.

Het hof ziet geen reden in het onderhavige geval de zaak, in het geval het hoger beroep wordt doorgezet, aan te houden totdat dit gerechtshof in het kader van de nieuwe strafzaak eindarrest heeft gewezen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Volgens de raadsvrouw zou de geplande VI-datum in plaats van 18 september 2006, zoals vermeld op de vordering, 22 juni 2006 zijn. De advocaat-generaal heeft daarbij opgemerkt dat de VI-datum is opgeschoven vanwege de voorlopige hechtenis in de nieuwe strafzaak. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting toegezegd dat zij ten parkette de VI-datum opnieuw zal laten berekenen en heeft toegezegd de veroordeelde in vrijheid te stellen op het moment dat deze nieuw berekende VI-datum is bereikt.

Artikel 15b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt als volgt:

"Hangende de beslissing van het gerechtshof op de vordering wordt de veroordeelde niet vervroegd in vrijheid wordt gesteld".

Hieruit kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is dat de veroordeelde gedetineerd zit op het moment dat op de vordering wordt beslist, zodat bij een (geheel of gedeeltelijke) toewijzing het restant van de straf aaneensluitend tenuitvoergelegd kan worden.

Het strafdossier is nog niet bij dit hof binnengekomen. Nu de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft toegezegd de veroordeelde in vrijheid te stellen op het moment dat de VI-datum is bereikt, zal - ook indien het hoger beroep door het openbaar ministerie wordt doorgezet - op het moment dat de strafzaak bij dit hof ter zitting behandeld zal worden

- hetgeen niet vóór januari/februari 2007 het geval zal zijn - veroordeelde reeds op vrije voeten zijn gesteld.

Nu vaststaat dat veroordeelde ten tijde van een eventuele beoordeling van de vordering niet meer gedetineerd zal zijn, is het hof van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

Toegepaste wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING:

Het hof:

- Wijst de vordering van de officier van justitie te Den Haag af.

Aldus gewezen door:

mr J.W.P. Verheugt, voorzitter

mrs J.A.W. Lensing en H.G.W. Stikkelbroeck, raadsheren

in tegenwoordigheid van mr N.M.H. van Ek, griffier

en op 4 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.