Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9761

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
TBS 2006\115
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft moeten constateren dat tussen betrokkene en de kliniek een patstelling is blijven bestaan. Gelet op het feit, dat het delictgevaar nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggebracht, is beëindiging van de terbeschikkingstelling thans nog niet aan de orde. Een langdurige klinische behandeling heeft geen effect, daar betrokkene al uitgebreid behandeld is. Gelet hierop acht het hof het noodzakelijk zich nader te doen voorlichten omtrent de voorwaarden waaronder de verdere reïntegratie van de terbeschikkinggestelde in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging gerealiseerd kan worden. In de onderhavige zaak is het laten uitvoeren van een rapportage door de reclassering eerder ongelukkig verlopen. Het hof gaat er thans vanuit dat de reclassering ten volle haar medewerking zal verlenen aan het opstellen van een rapportage, waarin de voorwaarden zijn geformuleerd. Daarbij gaat het hof in het onderhavige geval er tevens vanuit dat de reclassering in staat zal zijn op korte termijn een dergelijk rapport op te stellen. Het hof realiseert zich dat daarmee weliswaar een grote tijdsdruk wordt gelegd op de reclassering, maar stelt daarnaast vast dat -alle omstandigheden in aanmerking genomen- de terbeschikkinggestelde groot belang heeft bij een spoedige voortgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

TBS 2006\115

Tussenbeslissing d.d. 2 oktober 2006

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

onder gezag van [Instituut]

verblijvende in [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Haarlem van 11 april 2006, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

Het hof heeft in de beslissing van 24 januari 2006 aangegeven dat er door de situatie met de ex-vriendin van betrokkene -een blote melding van onder meer verkrachting welke binnen de relatie zou hebben plaatsgevonden- sprake is van een impasse tussen betrokkene en de kliniek. Mede hierdoor verliep het resocialisatietraject moeizaam. Er diende serieus onder ogen te worden gezien op welke wijze (opnieuw) invulling kon worden gegeven aan de resocialisatie. Het hof heeft moeten constateren dat tussen betrokkene en de kliniek een patstelling is blijven bestaan.

De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat de vordering van de officier van justitie wordt afgewezen. Zij komt tot deze conclusie vanwege de wijze waarop de kliniek met de melding van de ex-vriendin is omgegaan. De advocaat-generaal heeft zich echter niet uitgelaten omtrent het gevaarscriterium. Op grond van artikel 38, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, dient de vraag beantwoord te worden of de veiligheid van anderen, dan wel de veiligheid van personen de verdere verlenging eisen. Het hof beschikt, anders dan de rechtbank, thans over zogenaamde dubbelrapportages. Psycholoog De Groot geeft in zijn rapport aan dat betrokkene's persoonlijkheidsstoornis en de ruis over de kwaadaardigheid van zijn stoornis maken dat niet gesteld kan worden dat het recidiverisico tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau is teruggebracht.

Psychiater Kaiser acht het delictgevaar eveneens nog aanwezig. Gelet op het feit, dat het delictgevaar nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggebracht, is beëindiging van de terbeschikkingstelling thans nog niet aan de orde.

Psychiater Kaiser geeft in haar rapport verder aan dat een langdurige klinische behandeling geen effect heeft, daar betrokkene al uitgebreid behandeld is. Gelet hierop acht het hof het noodzakelijk zich nader te doen voorlichten omtrent de voorwaarden waaronder de verdere reïntegratie van de terbeschikkinggestelde in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging gerealiseerd kan worden. Het hof acht het derhalve noodzakelijk dat Reclassering Nederland een rapportage opstelt waarin de aan de terbeschikkinggestelde op te leggen voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging zijn geformuleerd. In de onderhavige zaak is het laten uitvoeren van een rapportage door de reclassering eerder ongelukkig verlopen. Het hof gaat er thans vanuit dat de reclassering ten volle haar medewerking zal verlenen aan het opstellen van een rapportage, waarin de voorwaarden zijn geformuleerd. Daarbij gaat het hof in het onderhavige geval er tevens vanuit dat de reclassering in staat zal zijn op korte termijn een dergelijk rapport op te stellen. Het hof realiseert zich dat daarmee weliswaar een grote tijdsdruk wordt gelegd op de reclassering, maar stelt daarnaast vast dat -alle omstandigheden in aanmerking genomen- de terbeschikkinggestelde groot belang heeft bij een spoedige voortgang.

In dat verband wenst het hof de reclasseringswerker, die het rapport heeft opgesteld, als getuige-deskundige ter zitting te horen.

Daarom wordt de behandeling van de zaak heropend en de zaak aangehouden voor behandeling op de terechtzitting van [datum].

Beslissing:

- Heropent de behandeling van de zaak om voormelde reden en schorst het onderzoek tot de terechtzitting van [datum];

-Verzoekt de advocaat-generaal zorg te dragen voor de nadere rapportage, zoals hiervoor omschreven en stelt daartoe de stukken in handen van de advocaat-generaal;

-Beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde en de getuige-deskundige, zijnde de reclasseringswerker die voornoemd rapport heeft opgesteld, tegen voormeld tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van de terbeschikkinggestelde.

Aldus gedaan door

mr Stikkelbroeck als voorzitter,

mrs Verheugt en Lensing als raadsheren,

en drs Van Iersel en dr Van Kordelaar als raden,

in tegenwoordigheid van mr Van Ek als griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2006.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.