Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9477

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
2006/601
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu deze geïntimeerden op de zitting van 20 juni 2006 zijn verschenen, hebben zij geen in rechte te respecteren belang bij hun beroep op de niet-naleving van de bepalingen van de EG-Betekeningsverordering en van art. 56, lid 2, Rv. De EG-Betekeningsverordening strekt er slechts toe de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken met het oog op de betekening en of kennisgeving ervan te verbeteren.

Aan het stelsel van die verordening wordt niet afgedaan bij een verschijning van deze geïntimeerden op de op de voet van art. 63, lid 1, Rv. aangezegde zitting van de hoger beroepsinstantie. Door die verschijning hebben zij tevens ervan kennisgegeven bekend te zijn met het ingestelde hoger beroep, dat in casu is aangevangen door de op de voet van art. 63, lid 1, Rv. betekende dagvaarding.

Het hoger beroep van STF moet jegens de geïntimeerden onder 8 en 9 dan ook ontvankelijk worden geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12 september 2006

derde civiele kamer

rolnummer 2006/601 KG

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

A r r e s t

In de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STF B.V.,

gevestigd te Nagele, gemeente Noordoostpolder,

appellante, tevens verweerster in het incident,

procureur: mr. H. van Ravenhorst,

tegen

de vennootschappen naar vreemd recht

1. BT Shipping Ltd.,

2. CT Shipping Ltd.,

3. Domi Shipping Ltd.,

4. DT Shipping Ltd.,

5. GT Shipping Ltd.,

6. OT Shipping Ltd.,

7. Marc Shipping Ltd.,

alle gevestigd te Antigua & Barbuda,

8. LT Shipping Ltd.,

9. ST Shipping Ltd.,

beide gevestigd te Malta,

geïntimeerden, tevens eiseressen in het incident,

procureur: mr. L. Paulus.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 23 februari 2006 dat de voorzieningerechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad tussen thans appellante (hierna ook te noemen: STF) als gedaagde en thans geïntimeerden (hierna ook te noemen: de SSC’s) als eiseressen heeft gewezen. Een fotokopie van dat vonnis is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 STF heeft bij exploot van 13 maart 2006, betekend ten kantore van de procureur van de SSC’s in eerste aanleg, de SSC’s hoger beroep aangezegd van voormeld vonnis met dagvaarding van de SSC’s voor de zitting van dit hof van 20 juni 2006. Alle geïntimeerden zijn op die dagvaarding op die zitting van dit hof verschenen.

2.2 Bij incidentele memorie tot niet-ontvankelijkverklaring hebben de SSC’s gevorderd dat het hof STF niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep tegen alle geïntimeerden, althans jegens geïntimeerden sub 8 en 9, met veroordeling van STF in de kosten van het hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord in het incident heeft STF gevorderd dat het hof haar ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep jegens alle geïntimeerden,

subsidiair

appellante ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep jegens geïntimeerden, althans jegens de geïntimeerden sub 1 tot en met 7 en, met inachtneming van een termijn van tenminste drie maanden, een dag zal bepalen waartegen deze geïntimeerden volgens de regels van het Haags Betekeningsverdrag 1965 in hoger beroep kunnen worden gedagvaard of opgeroepen.

2.4 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op het griffiedossier.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep jegens de geïntimeerden 8 - 9

3.1 Deze geïntimeerden zijn, zoals de rechtbank in het bestreden vonnis heeft vastgesteld, gevestigd in Malta, een lidstaat van de Europese Unie, en hebben daar, zo moet worden aangenomen nu niet anders is gesteld, aldaar een bekende woonplaats of een bekend werkelijk adres. Op de betekening van de dagvaarding in hoger beroep is derhalve van toepassing de EG-Betekeningsverordening (Verordening (EG) nr. 1348/2000, PbEG L 160/37). Het stelsel van deze verordening houdt in dat de betekening niet in de lidstaat van herkomst plaatsvindt, maar in de aangezochte lidstaat.

3.2 In het onderhavige geval is de dagvaarding in hoger beroep uitsluitend betekend op de voet van art. 63, lid 1, Rv. en is niet voldaan aan het vereiste dat die dagvaarding op één van de bij de genoemde verordening voorziene wijzen in Malta is betekend of, zoals in art. 56, lid 2, Rv. is bepaald, dat de dagvaarding die is uitgereikt op de voet van art. 63 Rv. binnen 14 dagen is gevolgd door verzending van het stuk aan een ontvangende instantie. Wel zijn deze geïntimeerden ter terechtzitting waartegen zij op de voet van art. 63, lid 1, Rv. waren gedagvaard, verschenen. Zij hebben de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep ingeroepen.

3.3 Nu deze geïntimeerden op de zitting van 20 juni 2006 zijn verschenen, hebben zij geen in rechte te respecteren belang bij hun beroep op de niet-naleving van de bepalingen van de EG-Betekeningsverordering en van art. 56, lid 2, Rv. De EG-Betekeningsverordening strekt er slechts toe de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken met het oog op de betekening en of kennisgeving ervan te verbeteren.

Aan het stelsel van die verordening wordt niet afgedaan bij een verschijning van deze geïntimeerden op de op de voet van art. 63, lid 1, Rv. aangezegde zitting van de hoger beroepsinstantie. Door die verschijning hebben zij tevens ervan kennisgegeven bekend te zijn met het ingestelde hoger beroep, dat in casu is aangevangen door de op de voet van art. 63, lid 1, Rv. betekende dagvaarding.

Het hoger beroep van STF moet jegens de geïntimeerden onder 8 en 9 dan ook ontvankelijk worden geoordeeld.

4 De ontvankelijkheid van het hoger beroep jegens de geïntimeerden 1 – 7

4.1 Ook deze geïntimeerden hebben de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep ingeroepen.

Deze geïntimeerden zijn gevestigd in Antigua & Barbuda en hebben daar, zo moet worden aangenomen nu niet anders is gesteld, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf. Voor de betekening van gerechtelijke stukken aan personen in dit rechtsgebied is het Haags Betekeningsverdrag (Verdrag van 15 november 1965, Trb. 1966, 91 en Trb. 1969,55) van toepassing. In dit geval kon STF voor de betekening van de dagvaarding in hoger beroep voorshands volstaan met betekening conform art. 63 lid 1 Rv. aan de laatstgekozen woonplaats, te weten het kantooradres van hun procureur in eerste aanleg.

Nu deze geïntimeerden op deze dagvaarding ter terechtzitting van het hof zijn verschenen, is het hof van oordeel dat STF in haar hoger beroep tegen deze geïntimeerden in zoverre ontvankelijk is. In dit geval bestond geen noodzaak om de dagvaarding in hoger beroep op de wijze als voorzien in het Haags Betekeningsverdrag naar het buitenland te verzenden. Geen verdragsrechtelijke of wettelijke regeling voorziet erin dat in zodanig geval de betekening eerst plaatsvindt in de staat van vestiging van de geadresseerden van het gerechtelijk stuk. Het hof oordeelt STF in haar hoger beroep tegen deze geïntimeerden dan ook ontvankelijk, daargelaten dat STF nog van grieven moet dienen.

4.2 Door de vermelding in de dagvaarding in hoger beroep dat geïntimeerde onder 5 in Malta is gevestigd, is deze geïntimeerde niet in haar verdediging geschaad, zodat het hof aan die opmerking van deze geïntimeerde voorbijgaat.

5 Slotsom

Het hoger beroep van STF is jegens alle geïntimeerden ontvankelijk, daargelaten dat STF nog van grieven moet dienen. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van grieven. De geïntimeerden zullen verwezen worden in de kosten van het incident.

Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident:

wijst het in dit incident gevorderde af;

veroordeelt de geïntimeerden in de kosten van het incident, aan de zijde van STF begroot op € 894,- voor salaris van de procureur;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 17 oktober 2006 voor memorie van grieven.

Dit arrest is gewezen door mrs. Makkink, van Ginkel en Sprenger en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2006.