Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9474

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
2005/1177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] redelijkerwijs behoorden te begrijpen, brengt een redelijke uitleg van artikel 8.6 in samenhang met de overige bepalingen van artikel 8 en de overige artikelen van de voorwaarden mee dat het verval van “ieder vorderingsrecht” alleen betrekking heeft op een vorderingsrecht van de reiziger, niet (tevens) op een vorderingsrecht van de reisagent. Artikel 8 ziet klaarblijkelijk op klachten van de reiziger over reservering door en/of adviezen en informatie van de zijde van de reisagent. De reiziger dient bij het indienen van zulke klachten ingevolge de artikelen 8.2 en 8.3 bepaalde termijnen in acht te nemen. Die korte termijnen voor zulke klachten zijn ook voor de hand liggend, waar het veelal na langer tijdsverloop niet eenvoudig zal zijn de gegrondheid van de klacht nog te onderzoeken. Artikel 8.6 dient als het sluitstuk daarop te worden beschouwd aldus, dat ieder vorderingsrecht van de reiziger vervalt na het daarin genoemde jaar. De vaststelling van de aanvang van dat jaar (na afloop van de gereserveerde dienst danwel, indien de klacht betrekking heeft op de dienstverlening door de reisagent na afloop van de dienstverlening) maakt ook duidelijk dat het gaat om klachten/vorderingen van de reiziger. De reisagent heeft immers enkel de reissom te vorderen. De verschuldigdheid daarvan is geregeld in artikel 4 van de voorwaarden. De reissom zal veelal bij boeking en/of voor aanvang van de reis verschuldigd zijn. Het hof is voorts van oordeel dat niet sprake is van twijfel over de betekenis van artikel 8.6, zodat de slotzin van artikel 6:238 lid 2 BW (luidende: bij twijfel over de betekenis van een beding prevaleert de voor de wederpartij gunstigste uitleg) geen toepassing kan vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 september 2006

derde civiele kamer

rolnummer 2005/1177

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Tui Nederland N.V,

gevestigd te Rijswijk,

appellante,

procureur: mr. B.J. Schadd,

tegen:

[geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. M.A.M. Becking,

en

[geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 13 april 2005 en 31 augustus 2005 die de rechtbank Arnhem tussen appellante (hierna ook te noemen: Tui) als eiseres en geïntimeerden (hierna ook te noemen: [geïntimeerde sub 1] respectievelijk [geïntimeerde sub 2]) als gedaagden heeft gewezen; van het laatste vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Tui heeft bij exploot van 26 oktober 2005 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] aangezegd van het vonnis van 31 augustus 2005 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van hen beiden voor dit hof.

2.2 Tegen geïntimeerden is verstek verleend.

2.3 Bij memorie van grieven heeft Tui vijf grieven tegen dat vonnis aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, geïntimeerden alsnog hoofdelijk zal veroordelen, des dat de één betalende de ander jegens Tui zal zijn bevrijd, tot betaling van in hoofdsom € 4.937,57, ter zake van buitengerechtelijke incassokosten € 662,-, de overeengekomen rente van 12% per jaar vanaf 15 november 2002 tot en met september 2004 ad € 1.120,09 en de overeengekomen rente van 12% per jaar vanaf 1 oktober 2004 over de hoofdsom, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

2.4 Na zuivering van het verstek heeft [geïntimeerde sub 1] bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, althans Tui niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar vorderingen als ongegrond en/of onbewezen zal afwijzen, met veroordeling van Tui (het hof leest:) in de kosten van de procedure in hoger beroep.

2.5 Vervolgens hebben Tui en [geïntimeerde sub 1] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.13 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep van die feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Tui vordert hoofdelijke veroordeling tot betaling door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] van het restant van de reissom vermeerderd met contractuele rente en (buitengerechtelijke) kosten met betrekking tot een reisarrangement (een “pakketarrangement”) dat [geïntimeerde sub 2] in september 1998 voor haarzelf, [geïntimeerde sub 1] en hun drie kinderen bij Tui (handelende onder de naam Arke Reizen) heeft geboekt. De reis heeft in december 1998 plaats gehad. Van de reissom groot fl 17.750,35/€ 8.054,76 is € 1.167,19 aanbetaald. Op het saldo ad € 6.887,57 heeft Tui na correspondentie met [geïntimeerde sub 2] € 1.950,- in mindering doen strekken, zodat de vordering nog € 4.937,57 bedraagt. [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] waren ten tijde van (het boeken van) de reis op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd, die onder meer inhouden dat iedere goederengemeenschap wordt uitgesloten. Nadien zijn zij gescheiden van echt.

4.2 [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben de vordering gemotiveerd betwist. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis het beroep van [geïntimeerde sub 1] (en in diens voetspoor ook [geïntimeerde sub 2]) op artikel 8 lid 6 van de ANVR-boekingsvoorwaarden (bepalende, kort gezegd, dat ieder vorderingsrecht vervalt één jaar na afloop van de gereserveerde dienst of één jaar na deze dienstverlening) gegrond geoordeeld en de vordering afgewezen.

4.3 Tui heeft in de inleiding van de memorie van grieven opgemerkt dat de rechtbank onvoldoende heeft onderzocht of “de ANVR reisvoorwaarden” van toepassing zijn. Het hof gaat daaraan voorbij. Tui heeft zelf in de inleidende dagvaarding op grond van “de te deze toepasselijke voorwaarden” vergoeding van contractuele rente gevorderd. Zij heeft in eerste aanleg bij akte de boekingsbevestiging overgelegd. Daarin worden “de ANVR-reisvoorwaarden” van toepassing verklaard op alle door ANVR-reisorganisatoren aangeboden reizen en “de ANVR-boekingsvoorwaarden” op alle reserveringen. Tui heeft tijdens de voor de rechtbank gehouden comparitie van partijen zelf een beroep gedaan op “de ANVR-reisvoorwaarden”. Het hof gaat er gelet op het in eerste aanleg gevoerde debat in het navolgende vanuit dat het daarbij in elk geval gaat om de voorwaarden die [geïntimeerde sub 1] bij conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht, de ANVR-boekingsvoorwaarden. [geïntimeerde sub 1] en vervolgens ook [geïntimeerde sub 2] (die aanvankelijk de toepasselijkheid van de voorwaarden betwist had) hebben eveneens een beroep op die voorwaarden gedaan. Op grond van een en ander staat vast dat die boekingsvoorwaarden op de reisovereenkomst van toepassing zijn.

4.4 [geïntimeerde sub 1] heeft in eerste aanleg als verweer van de verste strekking gevoerd dat hij geen partij is bij de overeenkomst die [geïntimeerde sub 2] in september 1998 met Arke Reizen heeft gesloten, dat [geïntimeerde sub 2] enig schuldenaar uit hoofde van die overeenkomst is, dat hij niet hoofdelijk aansprakelijk is en dat de vordering daarom dient te worden afgewezen. Hij heeft dit verweer in appèl gehandhaafd.

4.5 Dit verweer treft naar het oordeel van het hof ten dele doel. Tui heeft in de inleidende dagvaarding noch in enig ander stuk duidelijk gemaakt waarop zij de hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde sub 1] grondt. Tui heeft niet betwist (vaststelling in rov. 1.1 van het bestreden vonnis) dat [geïntimeerde sub 2] het arrangement heeft geboekt. Zij dient dan ook als contractspartij van Tui te worden aangemerkt. De omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] destijds gehuwd was met [geïntimeerde sub 2] brengt zonder deugdelijke toelichting, die Tui niet heeft gegeven, niet mee dat hij (hoofdelijk) aansprakelijk is voor deze schuld. Zonder meer kan niet gelden dat deze schuld is aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding als bedoeld in artikel 1:85 (lid 1, oud) BW, zodat [geïntimeerde sub 1] niet op grond van die bepaling hoofdelijk aansprakelijk voor het restant van de reissom kan worden geacht. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd geweest, waarbij iedere goederengemeenschap is uitgesloten. Artikel 1:102 BW kan hier dan ook geen toepassing vinden. Tui heeft tijdens de voor de rechtbank gehouden comparitie van partijen opgemerkt dat [geïntimeerde sub 1] partij is bij de reisovereenkomst op grond van artikel 2.5 van “de algemene voorwaarden” (kennelijk: genoemde ANVR- boekingsvoorwaarden) en als medereiziger aansprakelijk is voor zijn gedeelte van de reissom en dat van zijn drie kinderen. In artikel 2.5 is bepaald dat de opdrachtgever aansprakelijk is voor de verplichtingen uit hoofde van de dienstverlening door de reisagent en dat de overige reizigers voor hun deel aansprakelijk zijn. Reiziger is volgens de definitie van artikel 1.4 sub b. van die voorwaarden degene te wiens behoeve de door de reisagent verrichte diensten zijn bedongen en die dat beding heeft aanvaard. Dit komt overeen met de definitie van reiziger in artikel 7:500 lid 1 aanhef en sub c., 2 BW. Vast staat dat [geïntimeerde sub 1] de door [geïntimeerde sub 2] geboekte reis heeft gemaakt. Dat moet worden aangemerkt als aanvaarding door [geïntimeerde sub 1] van het door [geïntimeerde sub 2] mede voor hem met Tui overeengekomen reisarrangement. [geïntimeerde sub 1] geldt daarmee ingevolge artikel 6:254 lid 1 BW als partij bij de reisovereenkomst. Gelet op artikel 2.5 van de boekingsvoorwaarden is [geïntimeerde sub 1] echter alleen voor zijn deel van de verplichtingen, niet hoofdelijk voor de gehele reissom, aansprakelijk. Tui heeft dit deel echter niet gespecificeerd, maar integendeel volhard bij hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde sub 1] (en [geïntimeerde sub 2]). Het hof stelt het deel van [geïntimeerde sub 1] gelet op de specificatie van de reissom in het bij de boekingsbevestiging/nota van 28 september 1998 (productie 1 akte van Tui in eerste aanleg) gevoegde pakketarrangement op 7.205 : 17.532 X fl 15.178,20 = fl 6.237,67/€ 2.830,53. Het hof merkt hierbij nog op dat de door Tui ingeroepen omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] de vader van de drie meegereisde kinderen is, voor Tui redelijkerwijs onvoldoende was om enkel op grond daarvan aan te nemen dat [geïntimeerde sub 1] tevens het arrangement heeft aanvaard voor de door hun moeder, [geïntimeerde sub 2], geboekte reis van hun kinderen.

4.6 De grieven een tot en met vijf zijn alle gericht tegen de door de rechtbank aan artikel 8.6 van de boekingsvoorwaarden, mede aan de hand van artikel 6:238 lid 2 BW, gegeven uitleg.

4.7 Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat uitgangspunt moet zijn dat het bij de uitleg van de hier toepasselijke voorwaarden aankomt op de zin die partijen - Tui als reisagent en [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als reizigers – in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de voorwaarden mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Gesteld noch gebleken is dat de inhoud van de voorwaarden bij het boeken van de reis onderwerp van gesprek tussen partijen is geweest. Bij de uitleg van artikel 8.6 komt het dan ook veeleer aan op een redelijke uitleg in samenhang met de overige bepalingen van de voorwaarden. Artikel 8 heeft het opschrift “geschillen”. Artikel 8.1 verklaart voor alle geschillen tussen de reisagent en de reiziger uitsluitend de Nederlandse rechter of de Geschillencommissie Reizen bevoegd. De artikelen 8.2 en 8.3 hebben betrekking op klachten over reservering onderscheidenlijk adviezen en informatie en geven termijnen binnen welke zulke klachten moeten worden ingediend bij de reisagent respectievelijk de geschillencommissie. Artikel 8.4 bepaalt vervolgens dat de geschillencommissie uitspraak doet bij wege van bindend advies, artikel 8.5 dat de reiziger die geen gebruik wenst te maken van de bindend adviesprocedure het recht heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden. Artikel 8.6 bepaalt vervolgens dat ieder vorderingsrecht vervalt één jaar na afloop van de gereserveerde dienst (of, indien de reis geen doorgang heeft gevonden, één jaar na de oorspronkelijke vertrekdatum), dan wel, indien de klacht betrekking heeft op de dienstverlening door de reisagent, één jaar na de dienstverlening. Artikel 8.7 bepaalt dat het ANVR de verplichtingen van een lid tegenover de reiziger in een bindend advies opgelegd door de geschillencommisie zal overnemen, indien het lid deze niet binnen de daarvoor in het advies gestelde termijn is nagekomen, een en ander tenzij het lid dat advies binnen twee maanden ter toetsing aan de rechter heeft voorgelegd. Artikel 4 geeft regels over de (door de reiziger) aan de reisagent verschuldigde bedragen. Lid 1 van dat artikel bepaalt dat de aan de reisagent verschuldigde bedragen binnen de door hem bepaalde termijn dienen te zijn voldaan.

4.8 Naar [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] redelijkerwijs behoorden te begrijpen, brengt een redelijke uitleg van artikel 8.6 in samenhang met de overige bepalingen van artikel 8 en de overige artikelen van de voorwaarden mee dat het verval van “ieder vorderingsrecht” alleen betrekking heeft op een vorderingsrecht van de reiziger, niet (tevens) op een vorderingsrecht van de reisagent. Artikel 8 ziet klaarblijkelijk op klachten van de reiziger over reservering door en/of adviezen en informatie van de zijde van de reisagent. De reiziger dient bij het indienen van zulke klachten ingevolge de artikelen 8.2 en 8.3 bepaalde termijnen in acht te nemen. Die korte termijnen voor zulke klachten zijn ook voor de hand liggend, waar het veelal na langer tijdsverloop niet eenvoudig zal zijn de gegrondheid van de klacht nog te onderzoeken. Artikel 8.6 dient als het sluitstuk daarop te worden beschouwd aldus, dat ieder vorderingsrecht van de reiziger vervalt na het daarin genoemde jaar. De vaststelling van de aanvang van dat jaar (na afloop van de gereserveerde dienst danwel, indien de klacht betrekking heeft op de dienstverlening door de reisagent na afloop van de dienstverlening) maakt ook duidelijk dat het gaat om klachten/vorderingen van de reiziger. De reisagent heeft immers enkel de reissom te vorderen. De verschuldigdheid daarvan is geregeld in artikel 4 van de voorwaarden. De reissom zal veelal bij boeking en/of voor aanvang van de reis verschuldigd zijn. Het hof is voorts van oordeel dat niet sprake is van twijfel over de betekenis van artikel 8.6, zodat de slotzin van artikel 6:238 lid 2 BW (luidende: bij twijfel over de betekenis van een beding prevaleert de voor de wederpartij gunstigste uitleg) geen toepassing kan vinden.

4.9 De grieven zijn kortom terecht voorgesteld. Het hof dient vervolgens het verdere door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] in eerste aanleg gevoerde, in hoger beroep - door [geïntimeerde sub 1] - gehandhaafde verweer te beoordelen.

4.10 [geïntimeerde sub 2] heeft aangevoerd dat Arke Reizen ernstig is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat partijen hebben afgesproken dat Arke buiten de gedane aanbetaling geen aanspraak zou maken op voldoening van de reissom. Volgens [geïntimeerde sub 2] is destijds ter plekke (op de Bahamas) in overleg met Arke en het hotel overeengekomen dat het gezin zelf de (betere dan de ter plaatse gereserveerde) kamers voor de resterende duur van de vakantie aan het hotel zou betalen en dat Arke vervolgens geen aanspraak meer zou maken op de restantreissom. Zij heeft verder de gevorderde rente betwist met het argument dat de ANVR voorwaarden niet van toepassing zijn. Ten slotte heeft zij de buitengerechtelijke kosten (€ 662,-) betwist. [geïntimeerde sub 1] heeft - naast de door hemzelf gevoerde, hiervoor verworpen verweren dat hij geen partij bij de overeenkomst is en dat het vorderingsrecht van Tui op grond van artikel 8.6 van de voorwaarden is vervallen - het verweer van [geïntimeerde sub 2] tot het zijne gemaakt. Ten aanzien van de gevorderde rente heeft hij nog aangevoerd dat het niet redelijk is dat hij rente aan Tui zou moeten betalen, omdat hij niet eerder (het hof begrijpt: dan na ontvangst van de brief van deurwaarderskantoor Bazuin van 13 september 2004; productie 11 akte Tui in eerste aanleg) met de vordering van Tui bekend was, nu Tui zich steeds tot [geïntimeerde sub 2] heeft gewend en dat Tui hem niet in gebreke heeft gesteld, zodat hij niet in verzuim is. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten beroept hij zich op matiging.

4.11 Het verweer met betrekking tot de tekortkoming van Tui kan niet slagen. [geïntimeerde sub 1] noch [geïntimeerde sub 2] heeft iets gesteld waaruit kan blijken dat zij van hun betalingsverplichting jegen Tui zijn bevrijd. Zij hebben met name geen ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Van (verrekening met) schadevergoeding of kosten op de voet van artikel 7:507 lid 2 respectievelijk lid 3 BW is evenmin sprake. Tussen partijen staat bovendien vast dat Tui de door [geïntimeerde sub 1] voor de hotelkamer op de Bahamas gedane betaling ([geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] waren niet tevreden over de voor hen gereserveerde kamer) heeft verrekend met het openstaande saldo van de reissom, zodat nog € 4.937,57 resteerde. De afspraak dat Tui (Arke) buiten de aanbetaling geen aanspraak zou maken op voldoening van het restant van de reissom is door Tui tijdens de comparitie van partijen gemotiveerd weersproken en blijkt niet uit de overgelegde producties. In de brief van Tui van 15 november 2002 aan [geïntimeerde sub 2] (productie 4 akte van Tui in eerste aanleg) staat onder meer dat Tui naar aanleiding van de brieven van en telefoongesprekken met [geïntimeerde sub 2] onderzoek heeft gedaan, waarbij is gebleken dat door [geïntimeerde sub 2] (het hof neemt in verband met de vaststaande feiten aan: [geïntimeerde sub 1]) voor 13 nachten een hotelkamer is betaald voor $ 1.950,- in totaal, en dat Tui na overleg met de touroperator bereid is een bedrag van € 1.950,- voor haar rekening te nemen, zodat nog € 4.937,57 moest worden voldaan. De door [geïntimeerde sub 2] genoemde afspraak is daarin bepaald niet te lezen. Het zou op de weg van [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] liggen hun stellingen met betrekking tot de afspraak te bewijzen. Zij hebben evenwel geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat het hof aan het (algemene) bewijsaanbod voorbij gaat.

4.12 De gevorderde rente is naar het oordeel van het hof toewijsbaar. Het hof stelt allereerst vast dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] niet hebben bestreden dat op grond van “de toepasselijke voorwaarden” (inleidende dagvaarding onder 10) een contractuele vertragingsrente van 12% geldt. Het argument van [geïntimeerde sub 2] dat “de ANVR voorwaarden” toepassing missen gaat, zoals uit het voorgaande blijkt, niet op. De omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] eerst in september 2004 vernam dat hij werd aangesproken tot betaling van de restantreissom kan zonder meer niet meebrengen dat hij de – eerst vanaf 15 november 2002 gevorderde – vertragingsrente niet verschuldigd is. Anders dan [geïntimeerde sub 1] heeft aangevoerd, was ingebrekestelling niet noodzakelijk om hem in verzuim te doen verkeren. Uit de boekingsbevestiging/nota van 28 september 1998 (productie 1 akte Tui in eerste aanleg) volgt immers dat het restant van de reissom vóór 4 november 1998 voldaan had moeten worden. [geïntimeerde sub 1] heeft niet aangevoerd dat die termijn een andere strekking had dan uit de tekst volgt, te weten: voldoening voor die datum. Door het verstrijken van de termijn trad het verzuim van [geïntimeerde sub 2] in en in ieder geval sinds de reis ook het verzuim van [geïntimeerde sub 1].

4.13 Wat de buitengerechtelijke kosten betreft overweegt het hof als volgt. Vast staat dat Tui haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven aan deurwaarderskantoor Bazuin en dat Bazuin getracht heeft voldoening buiten rechte te verkrijgen en daartoe de nodige werkzaamheden heeft verricht, waaronder het voeren van een uitvoerige briefwisseling met [geïntimeerde sub 2]. Tui, die in de brieven van Bazuin aan [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] nog aanspraak maakte op bedragen van € 1.961,83 respectievelijk € 1.500,86 wegens buitengerechtelijke kosten, heeft in dit geding € 662,- gevorderd overeenkomstig het rapport Voorwerk II. Naar het oordeel van het hof zijn dit redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Voor matiging (waartoe [geïntimeerde sub 1] overigens geen argumenten heeft aangevoerd) bestaat dan ook geen aanleiding. Het gaat voorts kennelijk niet om kosten ter instructie van de zaak en/of ter voorbereiding van de gedingstukken, zoals [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] nog hebben tegengeworpen. Deze post is eveneens toewijsbaar.

4.14 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissingen. Tui heeft het genoemde bedrag van € 1.950,- in mindering op de reissom doen strekken in verband met de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] geuite klachten over de hotelaccomodatie. Het hof acht het juist deze korting op de reissom aan ieder van beiden voor de helft toe te rekenen. Het door [geïntimeerde sub 1] aan Tui verschuldigde bedrag komt daarmee op € 2.830,53 - € 975,- = € 1.855,53. [geïntimeerde sub 2] is ingevolge haar boeking van het pakketarrangement en artikel 2.5 van de ANVR-boekingsvoorwaarden geheel aansprakelijk voor de restant reissom van € 4.937,57 - € 975,- = € 3.962,57, behoudens indien en voorzover [geïntimeerde sub 1] zijn aandeel aan Tui betaalt. Deze bedragen dienen te worden vermeerderd met de gevorderde contractuele rente vanaf de niet weersproken datum, 15 november 2002. Wat de buitengerechtelijke kosten betreft zijn [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] ieder voor een gelijk deel verbonden, nu uit wet, gewoonte of rechtshandeling niet voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk zijn verbonden.

Slotsom

De grieven slagen. Het verweer van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gaat niet op. Het hof zal het bestreden vonnis dan ook vernietigen en de vorderingen van Tui toewijzen als hiervoor in 4.14 is overwogen met veroordeling van geïntimeerden als geheel in het ongelijk gestelde partijen in de kosten van beide instanties.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 31 augustus 2005 en, opnieuw recht doende:

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] om aan Tui te voldoen in hoofdsom € 1.855,53 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 12% per jaar vanaf 15 november 2002 tot de dag der voldoening en met buitengerechtelijke kosten van € 331,-;

veroordeelt [geïntimeerde sub 2] om aan Tui te voldoen in hoofdsom € 3.962,57 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 12% per jaar vanaf 15 november 2002 tot de dag der voldoening, met dien verstande dat zij daarvan is bevrijd indien en voorzover [geïntimeerde sub 1] betaling op zijn voormelde aandeel aan Tui zal hebben gedaan, en vermeerderd met buitengerechtelijke kosten van € 331,-;

veroordeelt [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tezamen in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Tui begroot op € 768,- voor salaris van de procureur en op € 358,40,- wegens verschotten in eerste aanleg en op € 632,- voor salaris van de procureur en € 460,93 wegens verschotten in hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Steeg, Van Ginkel, en Strens-Meulemeester en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2006.