Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9443

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
21-001864-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Asielzoeker wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij terecht in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat hij met gebruikmaking van zijn geldig Russisch rijbewijs aan het verkeer mocht deelnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 295
VR 2008, 118
Module Rijbewijzen 2014/533
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001864-05

Uitspraak d.d.: 4 oktober 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 13 april 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1974],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van

30 juni en 20 september 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere beslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III)

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Het bewezene levert op

Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De verweren van verdachte

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verdachte de verweten gedraging gemotiveerd bestreden. In hoger beroep heeft hij het volgende aangevoerd.

A. Hij stelt dat het voor asielzoekers die een geldig buitenlands rijbewijs hebben feitelijk onmogelijk is in het bezit te komen van een geldig Nederlands rijbewijs zolang zij geen verblijfsvergunning hebben. Derhalve kan hij niet anders dan (blijven) rijden met zijn geldige Russisch rijbewijs.

B. In zijn visie is er sedert de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 10 juli 2003 sprake van gewijzigd beleid op grond waarvan hij ten tijde van het plegen van het feit straffeloos met zijn Russisch rijbewijs aan het verkeer mocht deelnemen. In het dossier bevinden zich tevens diverse stukken die hij heeft overgelegd ter staving van zijn standpunt dat hij er van uit mocht gaan dat hij wel mocht rijden.

C. De verdachte beroept zich voorts op het beginsel van rechtsgelijkheid. Hij heeft ter onderbouwing hiervan afschriften van vonnissen van respectievelijk de kantonrechter te Dordrecht van 23 november 2005 en de kantonrechter te Apeldoorn van 30 maart 2006 overgelegd. Voormelde uitspraken betreffen de Russische verdachten[persoonI] en [persoonII]die beiden terzake van het overtreden van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn vervolgd en respectievelijk zijn vrijgesproken c.q. ontslagen van alle rechtsvervolging.

De conclusie van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

* De bewuste uitspraak van het Europees Hof van justitie heeft alleen betrekking op artikel 108, eerste lid, onder h, van de Wegenverkeerswet 1994 en betreft derhalve alleen bestuurders aan wie een rijbewijs is afgegeven door een ander land, zijnde een EG-land of een EER-land. Verdachtes rijbewijs is afgeven door Rusland, niet zijnde een EG- of EER-land, zodat de onderhavige casus niet wordt bestreken door voormeld arrest van het Europees hof.

*Verdachte is (nog steeds) in het bezit van een geldig Russisch rijbewijs. Echter, de uitzondering genoemd in artikel 108, eerste lid onder g van de Wegenverkeerswet 1994 inzake bestuurders aan wie een rijbewijs is afgeven door een ander land NIET zijnde een EG-land of

EER-land, is niet op verdachte van toepassing, nu hij in 2004 reeds vier jaar in Nederland woonachtig was en de in voormeld artikel genoemde termijn van 185 dagen derhalve reeds lang was verstreken. Het feit dat verdachte geen Nederlands rijbewijs kan verkrijgen doet daar niet aan af.

In de visie van de advocaat-generaal is verdachte in casu niet alleen terecht vervolgd maar ook strafbaar en kan hij mitsdien worden veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs tot een geldboete van 100 euro subsidiair twee dagen hechtenis.

Overwegingen inzake de strafbaarheid van het feit en van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat voor zover verdachte betoogt dat het voor hem volstrekt onmogelijk is het onderhavige feit niet te plegen nu hij geen Nederlands rijbewijs kan bemachtigen, zijn verweer faalt. Het door hem ervaren conflict van belangen is niet onontkoombaar, immers hij kan ervoor kiezen zich met zijn gezin te verplaatsen met het openbaar vervoer. Verder is niet komen vast te staan dat hij in redelijkheid niet tot deze belangenafweging heeft kunnen komen.

Voor zover verdachte heeft bedoeld aan te geven dat hij niet handelt in strijd met de geest van de Wegenverkeerswet 1994 nu hij naar zijn mening beschikt over de vereiste rijvaardigheid en hij zich eveneens maatschappelijk zorgvuldig gedraagt door zijn personenauto te verzekeren, zal deze opvatting van verdachte hem eveneens niet kunnen baten. Hoe schrijnend het door verdachte ook wordt ervaren dat hij thans bijna zeven jaren in afwachting is van het verkrijgen van een geldige titel tot verblijf en hij mitsdien in zijn keuzevrijheid over de wijze waarop hij aan het verkeer kan deelnemen om de door hem als louter bureaucratisch ervaren redenen drastisch wordt beperkt, het woord hieromtrent is uitsluitend aan de wetgever die terzake, gelet op het maatschappelijk belang voor de betrokkenen, kan besluiten tot aanpassing van de wet door uitbreiding van (de uitzonderingen genoemd in) artikel 108 van de Wegenverkeerswet 1994.

Tenslotte, met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op basis van de behandeling in hoger beroep is komen vast te staan dat de eerder aangehaalde uitspraak van het Europees hof geen betrekking heeft op de onderhavige casus en dat verdachte als bestuurder niet valt onder de uitzondering van artikel 108, eerste lid onder g, van de Wegenverkeerswet 1994. Echter, het hof is van oordeel dat in het jaar 2004 van de thans door het openbaar ministerie aangedragen duidelijkheid geen sprake is geweest. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van het hof is gebleken dat verdachte destijds de beschikking heeft gehad over schriftelijke politie-instructies ( zoals een per fax van 1 september 2003 aan het AZC te Rotterdam verzonden bericht) over kwesties als deze. Zo valt ook in een instructie d.d. 17 februari 2004 naar aanleiding van de bewuste uitspraak van het Europees hof onder meer te lezen dat " een asielzoeker mag rijden met een buitenlands rijbewijs. De geldigheid mag echter NIET verlopen zijn ". Het standpunt van het hof is derhalve dat verdachte terecht in de veronderstelling heeft kunnen verkeren dat hij met gebruikmaking van zijn geldig Russisch rijbewijs destijds aan het verkeer mocht deelnemen. Hem kan niet worden tegengeworpen dat hij de thans bekende reikwijdte van het arrest van Europees Hof had dienen te bevatten en de uitleg die de verbalisanten in het land kennelijk vervolgens hebben gegeven aan de daarop gevolgde tijdelijke richtlijn van het college van Procureurs-Generaal had moeten passeren.

Dit verweer van verdacht treft mitsdien doel. Verdachte is niet strafbaar en zal derhalve worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Gelet op het vorenstaande behoeft het verweer inzake de beweerde rechtsgelijkheid geen nadere bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door

mr H.Y. Buyne, voorzitter,

mr H.W. Koksma en mr M.S. Groenhuijsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr D. Mientjes, griffier,

en op 4 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr M.S. Groenhuijsen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

- 5 - 21-001864-05