Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY9327

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
2005/361
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een beroep op overmacht in de zin van artikel 185 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) gaat slechts op als Lease Plan aannemelijk maakt dat aan [A.] als bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgemomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers – waaronder begrepen het slachtoffer [appellant] zelf – alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Zie HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214 onder 3.6 sub (2).

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 185
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/454
JA 2006/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 september 2006

derde civiele kamer

rolnummer 2005/361

G E R E C H T S H O F T E A R N H E M

Arrest

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen:

de naamloze vennootschap Lease Plan Nederland N.V.,

gevestigd te Almere,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

procureur: mr. E.A. van der Dussen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar het vonnis dat de rechtbank Zwolle-Lelystad op 6 oktober 2004 heeft gewezen tussen appellant in het principaal hoger beroep en geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep (hierna: [appellant]) als eiser en geïntimeerde in het principaal hoger beroep en appellante in het incidenteel hoger beroep (hierna: Lease Plan) als gedaagde; van het bestreden vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 3 december 2004 Lease Plan aangezegd van het vonnis van 6 oktober 2004 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Lease Plan voor dit hof.

2.2 [appellant] heeft bij memorie van grieven vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Lease Plan in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appèl heeft Lease Plan de grieven bestreden, harerzijds één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof in het principaal hoger beroep [appellant] in zijn grieven niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het bestreden vonnis, eventueel onder verbetering van gronden, zal bekrachtigen en in het incidenteel hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van [appellant] geheel zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van – naar het hof begrijpt – het principaal en het incidenteel hoger beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord in incidenteel appèl heeft [appellant] de grief in het incidenteel hoger beroep bestreden en geconcludeerd dat het hof Lease Plan in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel haar incidentele grief zal verwerpen, met veroordeling van Lease Plan in de kosten van – naar het hof begrijpt – het incidenteel hoger beroep.

2.5 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De grieven

Voor de inhoud van de vier grieven in het principaal hoger beroep en de enige grief in het incidenteel hoger beroep verwijst het hof naar de desbetreffende memories.

4 De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 en 1.2 feiten vastgesteld die in deze zaak vast staan. Hiertegen zijn geen grieven gericht of bezwaren geuit, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

5.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellant] houdt Lease Plan aansprakelijk voor de schadelijke gevolgen van een hem op 16 september 2002 in Amersfoort overkomen verkeersongeval. Toen en daar is [A.] in een auto (van het merk Seat, type Leon), die aan Lease Plan in eigendom toebehoorde, tegen [appellant] aangereden die daardoor letsel heeft opgelopen. De achtergrond van de aanrijding was de volgende. Kort voor de aanrijding waren [A.] en [appellant] elkaar in hun auto gepasseerd, waarbij [A.] een hand- en/of armgebaar naar [appellant] had gemaakt, omdat [appellant] hem naar zijn mening onvoldoende voorrang had verleend. [appellant] heeft vervolgens zijn auto (een taxi) gekeerd en is achter [A.] aangereden. Toen [A.] achter een rij voor een stoplicht wachtende auto’s had aangesloten om – vanuit zijn perspectief – rechtsaf te slaan, heeft [appellant] zijn taxi vlak naast of schuin voor de auto van [A.] gezet, is uitgestapt en is met geheven armen op de auto van [A.] afgelopen. [appellant] is groot van postuur (1.99 meter lang en 115 kilogram zwaar). [A.] is hierop met grote snelheid enkele meters achteruit gereden. Toen [appellant] op hem af bleef komen, is [A.] vooruit gereden waarbij hij tegen [appellant] is aangereden. [A.] is ter zake van het ongeval strafrechtelijk vervolgd voor poging tot doodslag, dan wel (poging tot) zware mishandeling, maar is daarvan bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 mei 2003 vrijgesproken.

5.2 [appellant] heeft in eerste aanleg op grond van artikel 185 WVW een verklaring voor recht gevorderd dat Lease Plan voor 100% aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval alsmede veroordeling van Lease Plan tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.

5.3 De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van Lease Plan op overmacht van [A.] faalt, dat in het kader van het beroep op eigen schuld de causaliteitsafweging uitmondt in 75% eigen schuld voor [appellant] en 25% voor [A.] en dat voor een billijkheidscorrectie geen plaats is, omdat [appellant] opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis beslist dat Lease Plan voor 25% aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding, heeft een veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat uitgesproken en heeft [appellant] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding.

In het incidenteel hoger beroep voorts:

5.4 Het incidenteel hoger beroep heeft de verste strekking, zodat het hof dit als eerste zal behandelen. Lease Plan heeft aangevoerd dat er sprake was van overmacht. Zij voert aan dat [A.] om [appellant] heen wilde rijden en [A.] er in redelijkheid geen rekening mee hoefde te houden dat [appellant] zover zou gaan dat hij vóór de auto van [A.] zou gaan staan toen deze in beweging was, zodat [A.] niet meer tijdig kon afremmen, zelfs niet indien [A.] stapvoets had gereden. Lease Plan betoogt dat [A.] zich door de fysieke verschijning en het gedrag van [appellant] bedreigd voelde en daardoor in paniek raakte. [appellant] heeft gesteld (conclusie van antwoord onder 8 tot en met 13) dat [A.] niet om hem heen wilde rijden, maar hem bewust heeft aangereden en dat hij naar rechts – vanuit het perspectief van [A.]: naar links – is gelopen om hem te ontwijken; weg van de richting waarvoor [A.] stond voorgesorteerd.

5.5 Een beroep op overmacht in de zin van artikel 185 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 (WVW) gaat slechts op als Lease Plan aannemelijk maakt dat aan [A.] als bestuurder van het motorrijtuig ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgemomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers – waaronder begrepen het slachtoffer [appellant] zelf – alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Zie HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214 onder 3.6 sub (2).

5.6 Vast staat dat [appellant] zijn auto naast of schuin voor de auto van [A.] op de openbare weg heeft geparkeerd, dat [appellant] is uitgestapt en met geheven armen in de richting van de auto van [A.] is gelopen, dat [appellant] 1.99 meter groot en 115 kilogram zwaar is, dat [A.] daarop achteruit reed en dat [appellant] ook toen de auto is blijven volgen. Naar het oordeel van het hof is het (zeer) aannemelijk dat de verschijning van [appellant] en diens gedrag grote angst bij [A.] inboezemde, zo is ook steeds door [A.] verklaard (jegens de politie). De gedragingen van [appellant] kunnen niet anders worden begrepen dan dat hij verhaal wilde halen op [A.] en dat hij bereid was daarin ver te gaan: [appellant] is, ook toen hij uitgestapt was de auto van [A.] gevolgd, ook toen die enkele meters achteruit reed om een confrontatie te voorkomen en weg te komen.

5.7 Lease Plan erkent dat [appellant], voordat hij werd aangereden, circa drie meter voor de rechtervoorzijde van de auto van [appellant] stond (memorie van antwoord e.a. onder 14 en 33). Lease Plan stelt, hetgeen [appellant] betwist, dat [appellant], toen [A.] langs hem wilde rijden, plotseling langs de voorzijde van de auto naar de bestuurderszijde van de auto is gestapt, zodat een botsing met de auto van [A.] onvermijdelijk was. Indien de stelling van Lease Plan juist is, dan slaagt het beroep van Lease Plan op overmacht, omdat die gedraging van [appellant] zo onwaarschijnlijk was dat [A.] bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Het hof overweegt daartoe het volgende.

5.8 [A.] heeft tegenover de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor van 16 september 2002), dat hij “ongeveer 30 kilometer per uur” reed en “heel snel (wilde) wegrijden”, respectievelijk dat hij “op een iets meer dan normale wijze gas (gaf)” (proces-verbaal van verhoor van 17 september 2002). Indien [A.] in de gegeven omstandigheden langs [appellant] wilde rijden is deze snelheid niet ongepast. [A.] moest, toen hij besloot voorwaarts te rijden, een afweging maken of hij bij niet of stapvoets wegrijden, het risico liep op beschadiging van zijn auto en/of lichamelijk letsel, en, bij een iets grotere snelheid dan stapvoets, de kans dat [appellant] vóór de auto zou stappen toen deze langs hem heen dreigde te rijden en alsdan mogelijk ernstig letsel zou oplopen. Deze afweging van twee niet denkbeeldige kansen is, ook met koel hoofd, moeilijk. Mede gelet op de angst die [appellant] door zijn tot dan toe betoonde gedrag - naar in redelijkheid valt te begrijpen - bij [A.] heeft opgewekt, kon van [A.] niet gevergd worden dat hij koos voor de eerste mogelijkheid, te meer daar hij waarschijnlijk mocht vinden dat [appellant] zich niet welbewust voor de met enige snelheid optrekkende auto zou stappen. Indien [appellant] dit wel zou hebben gedaan, is die gedraging van [appellant] zo onwaarschijnlijk dat [A.] bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden.

5.9 De betrokkenen [A.] en [appellant], alsmede de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben bij de politie een relevante verklaringen afgelegd. Het hof zal relevante passages citeren vanaf het moment dat [A.], nadat hij achteruit was gereden, weer vooruit was gereden.

5.10 [A.] heeft bij de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor van 16 september 2002):

“Toen ik genoeg afstand had wilde ik weer vooruit wegrijden. Mijn auto stond toen iets schuin op de weg met de voorzijde naar het midden van de weg gedraaid. De taxichauffeur liep nog steeds op mij af. Hij liep toen rechts van mijn auto. Ik trok op en reed weg. Ik wilde om de taxichauffeur heenrijden. Ik verwachtte dat de taxichauffeur niet door zou lopen op het moment dat ik wegreed. Hij deed dit echter wel en liep zelfs nog meer, vanuit mijn positie gezien, naar links. (...) Voor ik het in de gaten had lag de taxichauffeur op mijn motorkap. Ik dacht dat hij daarbij zelf op de motorkap was gesprongen. Het ging allemaal heel erg snel. Vervolgens viel hij aan de linkerzijde op de grond.”

5.11 [A.] heeft een dag later bij de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor van 17 september 2002):

“Wat er hierna gebeurde ging in mijn ogen heel erg snel. Ik gaf namelijk op een iets meer dan normale wijze gas. (...) Op het zelfde moment kwam de taxichauffeur voor mijn auto langs lopen. De afstand schat ik op maximaal drie meter. Ik twijfel er niet aan dat hij van plan was om naar mijn kant van de auto te lopen. Op het moment dat ik wegreed raakte ik de taxichauffeur. In eerste instantie had ik het gevoel dat hij op de motorkap sprong. Dit was vooral om twee redenen. De eerste reden was dat hij op het moment dat ik weg wilde rijden (...) voor mijn auto sprong. De tweede reden was de manier waarop hij op mijn motorkap terecht kwam. Hij sloeg namelijk met beide handen op de motorkap. Vervolgens raakte hij mijn voorruit. Ik weet niet met welk lichaamsdeel hij mijn voorruit geraakt heeft.”

5.12 [appellant] heeft tegenover de politie verklaard (proces-verbaal van aangifte van 16 september 2002):

“Ik hoorde piepende banden en zag dat de zwarte Seat op mij af kwam. Op het moment dat de personenauto vlak voor mij was heb ik nog een pas of meerdere naar rechts gemaakt. De bestuurder keek mij recht in mijn gezicht aan en stuurde doelbewust mijn richting op. Volgens mij had de bestuurder beide handen aan het stuur. Ik zag dat hij met grote snelheid op mij af kwam. Op dat moment bedacht ik mij dat ik moest springen om niet onder de auto terecht te komen.”

5.13 [appellant] heeft later bij de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor van 25 september 2002):

“Op dat moment kwam de bestuurder van de auto op mij af gereden. Ik liep op dat moment ter hoogte van het voorsorteervak voor rechtdoorgaand verkeer. Ik zag dat de bestuurder gefocust op mij af kwam. Ik deed nog een stap naar rechts in de richting van het midden van de weg. De bestuurder had ruimte genoeg om mij aan de linkerzijde voorbij te rijden. Ondanks dat ik weg stapte zag ik dat de bestuurder op mij af bleef komen met zijn auto. Ik zag dat hij op mij af bleef sturen. Op het moment dat ik wist dat ik geraakt zou worden door de Seat, ben ik omhoog gesprongen om te voorkomen dat ik onder de auto terecht zou komen.”

5.14 [getuige 1], die zich ten tijde van het ongeval met zijn auto bevond aan de overzijde van de kruising, heeft bij de politie verklaard (proces-verbaal van verhoor van 16 september 2002):

“Ik zag dat de zwarte Leon vol tegen de man met de staart aanreed. Volgens mij sprong de taxichauffeur omhoog op de motorkap omdat ik later geen verwonding aan zijn benen zag. (...) Die bestuurder van de zwarte Leon is opzettelijk tegen de man met de paardenstaart aangereden. (...) Ik vind het echt onbegrijpelijk dat mensen zo op iemand inrijden.”

5.15 [getuige 2], die in een auto enige auto’s vóór [A.] voorgesorteerd in de rij voor rechtsaf stond bij de kruising en die het ongeval in zijn linkerbuitenspiegel heeft waargenomen, heeft bij de politie verklaard (proces-verbaal van 18 september 2002):

“Ik keek (...) of het verkeerslicht al groen was. Ik zag dat dit niet het geval was. Direct daarop keek ik weer in de linkerbuitenspiegel. Op dat moment zag ik dat de man met de paardenstaart werd aangereden door een zwarte Seat Leon. (...)

In eerste instantie dacht ik dat de aanrijding een ongeval was. Later dacht ik dat de man mogelijk ook met opzet aangereden is. Ik heb namelijk niet gezien dat de zwarte Seat Leon afgeremd had. Ik heb ook geen remmende auto gehoord.”

5.16 Uit voormelde verklaringen blijkt het volgende. [A.] heeft verklaard dat [appellant] voor diens auto is gesprongen. [appellant] heeft daarentegen verklaard dat [A.] op hem af heeft gestuurd. [getuige 1] heeft verklaard dat [A.] opzettelijk tegen [appellant] is aangereden, maar hij heeft diens waarneming gedaan vanaf enige afstand, terwijl niet precies duidelijk is vanaf welke afstand. [getuige 2], die heeft verklaard dat hij denkt dat [A.] opzettelijk tegen [appellant] is aangereden, heeft de aanrijding op zich niet gezien, zodat aan zijn verklaring onvoldoende waarde toekomt. Het hof zal Lease Plan daarom toelaten haar stelling aannemelijk te maken dat [appellant] plotseling voor de auto van [A.] is gesprongen.

De beslissing

Het hof, rechtdoende:

in het incidenteel hoger beroep:

- laat Lease Plan toe haar stelling aannemelijk te maken dat [appellant], toen [A.] langs hem wilde rijden, plotseling langs de voorzijde van de auto naar de bestuurderszijde van de auto is gestapt;

- bepaalt dat, indien Lease Plan dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. R.P.J.L. Tjittes, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op 16 oktober 2006 om 9.00 uur;

- bepaalt dat voor deze zitting in beginsel één dagdeel (van maximaal 2,5 uur per dagdeel) beschikbaar is en dat partijen zich erop moeten voorbereiden dat aan het einde van deze zitting een datum voor een nieuwe zitting zal worden bepaald voor voortzetting (of tegen)getuigenverhoor en/of aansluitende comparitie;

- bepaalt dat de procureur alleen in geval van dringende verhindering tot twee weken na heden uitsluitend schriftelijk aanhouding kan verzoeken met vermelding van die dringende reden van verhindering en onder opgave van verhinderdata van beide partijen (en/of getuigen) en dat aanhoudingsverzoeken na die datum in beginsel niet worden toegestaan;

- bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

- bepaalt dat Lease Plan het aantal, de namen en de woonplaats van de voor te brengen getuigen uiterlijk een week voor de zitting dient op te geven, ambtshalve peremptoir, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de wederpartij;

- bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden (zoals foto's van de situatie ter plaatse en/of gedetailleerde situatieschetsen), deze tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk een week vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep voorts:

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Tjittes en Dozy en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2006.