Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY8988

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
27-09-2006
Zaaknummer
21-007079-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrouw steek haar echtgenoot in brand. Het handelen van verdachte levert de feiten poging tot moord en brandstichting op. Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-007079-04

Uitspraak d.d.: 27 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 1 december 2004 in de strafzaak tegen

(Verdachte)

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 30 november 2005, 25 januari 2006, 26 april 2006, 14 juli 2006 en 13 september 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

(zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II)

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Namens verdachte is aangevoerd dat geen sprake is van poging tot moord, omdat verdachte ten tijde van de handelingen verkeerde in een situatie van bewustzijnsvernauwing, een “verkokerde” geestestoestand waarin zij geen keuzes heeft kunnen maken. Van voorbedachten raad zou dan geen sprake zijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van verdachte komt naar voren dat zij al langere tijd onder druk stond in haar huwelijk. Na een onrustige nacht heeft zij op een zeker moment besloten om haar man in brand te steken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat haar bedoeling duidelijk was: ze wilde van haar echtgenoot af, ze wilde dat hij er niet meer zou zijn.

Weliswaar heeft zij niet heel lang en kalm over haar handelen nagedacht, maar zij heeft, na een kort tevoren genomen besluit, geoordeeld dat het zo moest gebeuren en heeft daar vervolgens ook naar gehandeld. Gelet op deze verklaringen kan niet worden gezegd dat van voorbedachten raad geen sprake is.

Het hof neemt in aanmerking dat verdachte weliswaar toen onder grote geestelijke druk verkeerde, maar is van oordeel dat deze druk de voorbedachten raad in vorengenoemde zin niet in de weg heeft gestaan.

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

zij op 5 juli 2004 te Nijmegen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade (haar echtgenoot) (naam echtgenoot) van het leven te beroven, opzettelijk na een (kort) tevoren genomen besluit, een hoeveelheid wasbenzine over het bed en het lichaam van die (slapende) (naam echtgenoot) heeft gegoten en/of heeft gesprenkeld en (vervolgens) die vloeistof heeft aangestoken, waardoor het lichaam van die (naam echtgenoot) in brand is geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

zij op 5 juli 2004 te Nijmegen opzettelijk brand heeft gesticht in een woning, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende kaars in aanraking gebracht met een hoeveelheid over het bed en (naam echtgenoot) uitgegoten en/of uitgesprenkelde wasbenzine, ten gevolge waarvan dat bed en dat lichaam van die (naam echtgenoot) gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daar gemeen gevaar voor de inboedel van dat perceel en levensgevaar voor de in dat perceel slapende zonen te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Poging tot moord.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

en

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport gemaakt door drs. C.T.H.M. Salet, GZ-psycholoog, en dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, respectievelijk gedateerd 13 november 2004 en 15 november 2004, waarin zij concluderen dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waardoor verdachte weliswaar voldoende inzicht had in de onoorbaarheid van hetgeen haar ten laste was gelegd maar dat zij vooraf aan en ten tijde van het tenlastegelegde haar wil slechts in verminderde mate overeenkomstig een dergelijk besef kon bepalen, zodat zij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt. Deze conclusie is bevestigd in de nadere multidisciplinaire rapportage die in het Pieter Baan Centrum is opgemaakt door psycholoog F.A.M.M. Koenraadt en psychiater J.M.J.F. Offermans op 11 november 2005.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte is door de rechtbank Arnhem voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en daarnaast tot een tbs met dwangverpleging. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en daarnaast tot een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Namens verdachte is gepleit voor een tbs met voorwaarden, gekoppeld aan een (dan) maximale gevangenisstraf van drie jaren.

Volgens artikel 38, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht kan naast een tbs met voorwaarden, een vrijheidstraf van ten hoogste drie jaren worden bepaald.

Zowel de rechtbank als de advocaat-generaal hebben hun beslissing ten aanzien van de straf en de maatregel gebaseerd op hun oordeel dat de feiten zodanig ernstig zijn dat daarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren moet worden opgelegd. Een tbs met voorwaarden kan dan niet aan de orde zijn, nu een dergelijke combinatie volgens de wet niet mogelijk is.

Bij de vraag welke straf en/of maatregel dient te worden opgelegd, heeft het hof gelet op alle van belang zijnde aspecten: de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van de verdachte en ook de gevolgen die het begaan van dergelijke feiten voor de samenleving in het algemeen hebben.

De feiten die zijn bewezenverklaard zijn naar het oordeel van het hof zeer ernstig. Verdachte ondervond huwelijksproblemen, die ze overigens voor haar omgeving verborgen had gehouden. Ze wilde van haar echtgenoot af, ze wilde dat hij er niet meer zou zijn. Verdachte heeft toen haar in bed slapende echtgenoot besprenkeld met wasbenzine en heeft vervolgens deze brandstof met een brandende kaars aangestoken. Het slachtoffer is wakker geworden en heeft deze aanslag op zijn leven overleefd. Hij heeft echter ernstige brandwonden opgelopen. Als gevolg van de brand is ook gevaar voor anderen ontstaan, zoals voor de aanwezige twee kinderen. Het slachtoffer zal zijn hele leven geconfronteerd worden met de nadelige en zeer ingrijpende gevolgen van de handelwijze van verdachte. Ook voor de directe omgeving van verdachte, waaronder met name haar kinderen, heeft deze daad grote gevolgen. Meer in het algemeen zijn de bewezenverklaarde feiten (poging tot moord en brandstichting) feiten die in de regel tot grote onrust in de samenleving leiden.

Verdachte is nimmer eerder met justitie in aanraking geweest. Ze heeft haar spijt over haar handelwijze betuigd, niet alleen ter zitting in hoger beroep, maar ook jegens het slachtoffer. Ze heeft aangegeven te beseffen dat de consequenties van haar daad enorm ingrijpend zijn en ook dat ze hulp nodig heeft voor haar psychische problemen.

Over de geestesgesteldheid van verdachte ten tijde van de gepleegde feiten zijn diverse rapporten opgemaakt (verwezen wordt naar hetgeen daarover onder het kopje “strafbaarheid van verdachte” is vermeld). Zowel in de rapportage van de eerste rapporteurs, Salet en Kaiser (2004), als ook in de latere rapportage van Koenraadt en Offermans (2005) wordt geconstateerd dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis heeft.

In het rapport van laatstgenoemde deskundigen wordt vermeld (p. 52 e.v):

“Er is bij betrokkene wel sprake van een persoonlijkheidsstoornis waarbij vooral haar ontwijkende en afhankelijke trekken opvallen. Daarnaast is er sprake van een gestoorde agressieregulatie: betrokkene kropt gevoelens van boosheid en agressie op en houdt ze volledig verborgen voor de buitenwereld waardoor deze gevoelens zich opstapelen en de kans bestaat dat ze ineens tot een uitbarsting komen.

(....)

De vermijdende en afhankelijke trekken in haar persoonlijkheid, haar angst voor confrontaties maar ook haar neiging om negatieve gevoelens voor zichzelf en de buitenwereld verborgen te houden en op te kroppen hebben een beperkende invloed gehad op de wilsvrijheid van betrokkene in aanloop tot de aan haar ten laste gelegde feiten. Wij achten betrokkene op grond hiervan dan ook verminderd toerekeningsvatbaar voor alle aan haar ten laste gelegde feiten.

De kans op herhaling van een soortgelijk agressief delict achten wij op korte termijn niet groot, onder andere door de negatieve gevolgen en het schokeffect die de huidige aan haar ten laste gelegde feiten haar, maar ook anderen hebben opgeleverd. Daarnaast komt betrokkene niet zo maar tot een agressief delict en is daaraan een lange periode waarin gevoelens van angst, boosheid en agressie werden opgekropt, voorafgegaan. (...)

Uit het verleden blijkt echter dat betrokkene weinig leert van negatieve ervaringen in eerdere relaties en al snel weer een nieuwe partner idealiseert, iets wat in zekere mate ook nu weer is gebeurd met haar nieuwe partner. De kans dat betrokkene op de langere termijn opnieuw gevoelens van onlust en agressie gaat opkroppen, achten wij daarom reëel aanwezig en de kans dat dit opnieuw uitmondt in een agressief delict schatten we weliswaar niet als heel groot in maar ook zeker niet als verwaarloosbaar klein.

Om de kans op herhaling aanzienlijk te verminderen, adviseren wij Uw college aan betrokkene de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen, indien de strafmaat het toelaat.”

Het hof neemt de conclusie van de deskundigen dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend, over.

In voornoemde rapporten wordt aldus geadviseerd om verdachte een tbs met voorwaarden op te leggen, indien de strafmaat dit toelaat en indien dit te realiseren is. Door de reclassering is, na intensief onderzoek, een kliniek gevonden waar verdachte een tbs met voorwaarden zal kunnen ondergaan. Het eerste deel van de behandeling zal naar verwachting twee jaar intramuraal plaatsvinden, met toezicht van de reclassering.

Met de deskundigen is het hof van oordeel dat de kans aanwezig is dat zonder behandeling verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen waardoor de gezondheid en/of veiligheid van personen gevaar zal lopen. Het eerste bewezenverklaarde misdrijf is een levensdelict waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Naar het oordeel van het hof noopt het verzekeren van de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen of goederen tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Wel acht het hof, evenals voornoemde deskundigen, de beteugeling van voornoemd recidivegevaar voldoende verzekerd door het verbinden van voorwaarden aan de op te leggen terbeschikkingstelling.

Het hof is van oordeel dat het ingrijpende bevel dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd achterwege kan blijven.

Bij dit oordeel heeft het hof in belangrijke mate meegewogen de indruk die het hof heeft gekregen van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting, het bij haar geconstateerde ziektebesef en haar vaste voornemen om aan haar problemen te gaan werken zoals ook uitgebreid verwoord in de over haar uitgebrachte rapportages. Verdachte heeft verklaard bereid te zijn de in het dictum vermelde voorwaarden na te komen.

Naar het oordeel van het hof is, zonder afbreuk te doen aan de hiervoor geschetste ernst van de feiten, aldus een tbs met voorwaarden gelet op de persoon van de verdachte en haar problematiek, de meest gewenste maatregel. Het hof heeft zich uiteraard ook gebogen over de vraag of de strafmaat een dergelijke variant van de terbeschikkingstelling zou toelaten. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal heeft het hof, na afweging van alle in deze zaak betrokken belangen, uiteindelijk de vorm waarin een terbeschikkingstelling van verdachte zou dienen plaats te vinden zwaarder laten wegen dan de beslissing omtrent de (relatieve) zwaarte van de daarbij passende gevangenisstraf. Het hof is van oordeel dat voor verdachte, zoals in de onderhavige rapporten ook is geadviseerd, een tbs met voorwaarden de meest aangewezen maatregel is.

Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden volstaan met een tbs met voorwaarden, maar moet daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zekere duur worden opgelegd. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opleggen, de maximale straf die naast een tbs met voorwaarden kan worden bepaald. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht wordt van de duur van deze straf afgetrokken.

De vordering van de benadeelde partij (naam echtgenoot)

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding, bestaande

uit een vordering ter zake van geleden materiële als immateriële schade, ten bedrage van

in totaal € 24.439,62 ingesteld.

Deze vordering is wat betreft de vordering betreffende materiële schade bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 667,92. Wat betreft de vordering ter zake van de geleden immateriële schade is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het bedrag van € 226,94. Voorts is het hof van oordeel dat wat betreft de gevorderde vergoeding voor geleden immateriële schade een bedrag van -bij wijze van voorschot- € 10.000,- kan worden toegewezen.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 37a, 38, 38a, 45 oud, 57, 157 (oud) en 289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder voorwaarde dat:

? verdachte geen strafbare feiten pleegt

? verdachte zich begeleidbaar opstelt en zich gedraagt naar de aanwijzingen die haar door de behandelaars en/of begeleiders van de (naam instelling) of een nader aan te wijzen afdeling, instelling of vervolgvoorziening worden gegeven en zich conformeert aan het door hen opgestelde behandelingsplan

? verdachte eventuele medicatie accepteert

? verdachte op de (naam instelling) woont zolang die instelling en de reclassering dit noodzakelijk vinden

? verdachte, voor het geval de behandelaars en/of begeleiders het in het kader van haar behandeling wenselijk vinden dat zij wordt overgeplaatst naar een nader aan te wijzen afdeling of instelling of vervolgvoorziening, ook als dit inhoudt Exodus (woonvoorziening voor ex-gedetineerden), haar medewerking hieraan zal verlenen

? verdachte haar medewerking verleent aan alcohol en/of drugscontroles.

? verdachte een dagbesteding zal hebben via voorzieningen van de (naam instelling) of nader aan te wijzen afdeling, instelling of vervolgvoorziening. Mochten er door onvoorziene omstandigheden aanpassingen in het dagprogramma noodzakelijk zijn, dan stelt verdachte zich coöperatief op

? verdachte zich houdt aan het afgesproken vrijheidsbeleid

? verdachte inzicht geeft in haar financiën aan de behandelaars en/of begeleiders van (naam instelling) of een nader aan te wijzen afdeling, instelling of vervolgvoorziening

? verdachte wat betreft haar relatie met haar familie en/of kennissen en/of partner aan de (naam instelling) of een nader aan te wijzen afdeling, instelling of vervolgvoorziening en/of reclassering openheid van zaken geeft wanneer zich daarbinnen een belangrijke of ingrijpende ontwikkeling voordoet. Zij geeft toestemming om bij relevante personen uit haar sociaal netwerk buiten haar aanwezigheid om informatie in te winnen; verdachte wordt achteraf op de hoogte gesteld van de inhoud van het gesprek

? verdachte zich begeleidbaar en bemiddelbaar opstelt en zich gedraagt naar de aanwijzingen haar te geven door de reclassering

De aan (naam echtgenoot) toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, (naam echtgenoot), te betalen een bedrag van

in totaal € 10.226,94 (tienduizend tweehonderdzesentwintig euro en vierennegentig cent).

Verklaart de benadeelde partij, (naam echtgenoot), in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd (naam echtgenoot), een bedrag te betalen € 10.226,94 (tienduizend tweehonderdzesentwintig euro en vierennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 186 (honderdachtentachtig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M. Barels, voorzitter,

mr H.W. Koksma en mr A.P. Besier, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.H.D. van Onna, griffier,

en op 27 september 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.