Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY8621

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2006
Datum publicatie
21-09-2006
Zaaknummer
04/00254
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mineralenheffing

Het systeem van MINAS wordt tevergeefs bestreden door belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem

tweede meervoudige belastingkamer

nummer 04/00254

U i t s p r a a k

op het beroep van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van het Bureau Heffingen (thans Dienst Regelingen) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde naheffingsaanslagen fosfaat- en stikstofheffing voor het jaar 2000 en de daarbij opgelegde verzuimboeten.

1. Naheffingsaanslagen, boetebeschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof

1.1. Aan belanghebbende zijn onder mestnummer 00 voor het jaar 2000 de volgende naheffingsaanslagen opgelegd:

a. een naheffingsaanslag fosfaatheffing, aanslagnummer 00MF, ten bedrage van ƒ 14.220 (€ 6.452,75), gebaseerd op een fosfaatoverschot van 927 kg, waarbij tevens een verzuimboete is opgelegd van ƒ 9.916 (€ 4.500);

b. een naheffingsaanslag stikstofheffing, aanslagnummer 00MS, ten bedrage van ƒ 14.739 (€ 6.688,27), gebaseerd op een stikstofoverschot van 9.826 kg, waarbij tevens een verzuimboete is opgelegd van ƒ 9.916 (€ 4.500).

1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen en de opgelegde verzuimboeten bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen en de verzuimboeten bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij brieven van 19 mei 2006 en 9 juni 2006 nadere stukken ingediend, die tot de gedingstukken worden gerekend.

1.4. De in het openbaar gehouden mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 juni 2006 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 10 juni 2006 aan het Hof en aan de wederpartij doen weten, dat hij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft opgeroepen als getuige. De getuige is evenwel niet verschenen.

1.6. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.7. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift is gehecht aan deze uitspraak.

2. Feiten

Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende exploiteert in het onderhavige jaar een agrarisch bedrijf waarin vee wordt gehouden en dat 14,98 ha grasland en 13,82 ha bouwland omvat. In het bedrijf worden meststoffen geproduceerd.

2.2. Belanghebbende heeft een aangiftebiljet ontvangen bestemd voor de forfaitaire mineralenheffing 2000. Dit aangiftebiljet heeft hij ondertekend en ingediend bij het Bureau Heffingen (hierna: de Dienst Regelingen), alwaar het op 19 februari 2001 is ingeboekt. Belanghebbende heeft de in het aangiftebiljet gestelde vragen niet beantwoord en de gevraagde gegevens niet verstrekt. Op het voorblad van het aangiftebiljet heeft hij onder het kopje “Ondertekening” zijn naam, adres, telefoonnummer en geboortedatum ingevuld, als datum ondertekening 14 februari 2001 vermeld en zijn handtekening geplaatst. De rubrieken “Doet u forfaitair aangifte?” en “Verzamelstaat”’ heeft hij doorgekruist. Rechts onderaan het voorblad heeft hij geschreven: “Niet ingevuld zie bijlage. Om Minas te begrijpen, moet je eerst en vooral de koppeling tussen Minas en verlies vergeten, want dit slaat nergens op.”

2.3. In de bijlage bij het aangiftebiljet schrijft belanghebbende onder meer: “Wij zijn met z’n allen in dit land zomaar lukraak wat aan het optellen, omdat een stelletje onbenullen meent, dat je op deze manier “verliezen” uit kunt rekenen. (...) Blijkbaar is het toch vreselijk moeilijk om een op het eerste gezicht zo simpele rekenregel, namelijk dat je twee (drie !!!) verschillende dingen niet zomaar op kunt tellen, ook in de praktijk toe te passen.”.

2.4. Op 24 januari 2003 is door een medewerker van de Dienst Regelingen telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. Tijdens dit gesprek is belanghebbende gewezen op de verplichting om aangifte te doen en is hem verzocht alsnog de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens te verstrekken. Hem is hiervoor twee weken de tijd gegeven.

2.5. Op 12 mei 2003 zijn vervolgens de onder 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en de verzuimboeten opgelegd. In een toelichtende brief de dato 8 mei 2003, waarin wordt gerefereerd aan het retour gestuurde formulier ‘Forfaitaire aangifte Minas 1999’, is uiteengezet dat voor de berekening van de naheffingsaanslagen is uitgegaan van de gegevens die bij de Dienst Regelingen staan geregistreerd. In die brief is ook aangekondigd dat wegens het niet (tijdig) indienen van de aangifte en/of het niet (volledig) betalen van de verschuldigde heffingen boeten worden opgelegd. In een bijlage bij de brief, met als kop “Correctie op de Forfaitaire aangifte Minas 2000” en met de vermelding “Heffingsjaar 2000”, is de berekening van de naheffingsaanslagen weergegeven.

2.6. Bij brief van 21 juni 2003 heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslagen en de opgelegde verzuimboeten. In deze brief wijst belanghebbende er onder meer op, dat op de door hem ontvangen aanslagbiljetten niet is vermeld om welk heffingsjaar het gaat.

2.7. Bij brief van 14 november 2003 bevestigt de Dienst Regelingen de ontvangst van het bezwaarschrift op 24 juni 2003. Opgemerkt wordt dat het bezwaar is gericht tegen de naheffingsaanslagen fosfaat- en stikstofheffing 2000. In de brief wordt medegedeeld dat belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om binnen 6 weken alsnog het forfaitaire formulier volledig in te vullen en in te sturen. Daartoe wordt separaat een nieuw formulier gezonden. Medegedeeld wordt dat niet aan het bezwaarschrift kan worden tegemoet gekomen indien belanghebbende geen gebruik maakt van deze gelegenheid.

2.8. Belanghebbende heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij brief van 8 december 2003 geeft hij als reactie te kennen dat hij van mening is reeds Minas-aangifte 2000 te hebben gedaan en wel op de enig juiste manier. Hij is van mening dat hij nimmer een inhoudelijke reactie heeft ontvangen op zijn bezwaren tegen de Minas-systematiek welke hij kenbaar heeft gemaakt in de bijlage bij het aangiftebiljet en in andere correspondentie. In de brief verzoekt hij de Inspecteur, indien hij zich niet in belanghebbendes bezwaar tegen de onvolkomenheden van de Minas-wetgeving kan vinden, het bezwaar af te wijzen zodat de weg open staat naar de onafhankelijke rechter. Belanghebbende geeft in de brief eveneens te kennen dat hij inmiddels een klacht heeft ingediend bij het Europese Hof voor de rechten van de mens.

2.9. Bij uitspraak op bezwaar van 23 januari 2004 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard. In de uitspraak op bezwaar wijst de Inspecteur er op, dat hij wel degelijk inhoudelijk is ingegaan op belanghebbendes bezwaren. Hij refereert onder meer aan een brief van 20 januari 1999, waarin de Minas-systematiek is uitgelegd. Voorts wijst de Inspecteur er op, dat door belanghebbende voor het heffingsjaar 2000 geen aangiftegegevens zijn verstrekt, dat de bewijslast ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) is omgekeerd, waardoor het aan belanghebbende is om door middel van het verstrekken van gegevens overtuigend aan te tonen in hoeverre de naheffingsaanslagen onjuist zijn. Aangezien naar aanleiding van het verzoek van 14 november 2003 om alsnog aangiftegegevens te verstrekken, niet alsnog gegevens zijn verstrekt terwijl het wel bekend is dat er door belanghebbende dieren zijn gehouden, handhaaft de Inspecteur de opgelegde naheffingsaanslagen inclusief verzuimboeten over het heffingsjaar 2000.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de onderhavige naheffingsaanslagen en de daarbij opgelegde verzuimboeten terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in voormeld proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak, de naheffingsaanslagen en de verzuimboeten. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft in de van hem afkomstige stukken uitvoerig uiteengezet dat en waarom de Minas wet- en regelgeving waarvan de fosfaat- en stikstofheffing onderdeel uitmaken in zijn visie niet deugt. Hij acht Minas een rekenkundige blunder van formaat. In zijn visie worden processen en hoeveelheden stoffen bij elkaar opgeteld die van elkaar onderscheiden moeten worden. Het houden van dieren heeft naar zijn mening niets te maken met het grondgebruik. Het voer voor dieren kun je zelf telen of je kunt het kopen en daar gaat Minas naar zijn oordeel de mist mee in. Ook is hij van mening dat in het kader van de heffing ten onrechte mineralen bij elkaar worden opgeteld die in totaal verschillende leefwerelden voorkomen. Een van de gevolgen is dat intensieve bedrijven veel gemakkelijker de Minas-normen kunnen halen dan extensieve bedrijven. Een ander gevolg is in zijn visie dat de landbouw volkomen ten onrechte een milieuprobleem is aangepraat.

4.2. Belanghebbendes grieven komen, kort gezegd, er alle op neer dat hij de Minas wet- en regelgeving waarop de onderhavige fosfaat- en stikstofheffing zijn gebaseerd verwerpt als zijnde ondeugdelijk, onlogisch, onbillijk en onredelijk. Deze grieven kunnen hem in de onderhavige procedure evenwel niet baten. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen immers niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid, respectievelijk de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. De Meststoffenwet mag evenmin worden getoetst aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen. Van strijdigheid van de wet met een ieder verbindende verdragsbepalingen is niet gebleken. Het Hof verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 5 juli 2005, nr. 04/01133, LJN: AT9352, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht.

4.3. Ter zitting heeft belanghebbende naar aanleiding van vragen van het Hof te kennen gegeven dat hij minister Veerman als getuige heeft opgeroepen uitsluitend met het doel hem vragen te stellen over de Minas wet- en regelgeving en de systematiek en motieven die daaraan ten grondslag liggen. Het getuigenbewijs dat belanghebbende heeft aangeboden heeft naar het oordeel van het Hof om die reden niet, althans onvoldoende betrekking op de onderhavige zaak. Het Hof passeert dit aanbod om die reden en ziet geen reden de behandeling van de zaak aan te houden om de getuige alsnog te kunnen horen.

4.4. De Inspecteur heeft ter zitting onweersproken uiteengezet op welke wijze aan belanghebbende kenbaar is gemaakt dat de onderhavige naheffingsaanslagen betrekking hebben op het heffingsjaar 2000. Op basis van deze uiteenzetting en de tussen partijen over de naheffingsaanslagen gevoerde correspondentie die deel uitmaakt van het procesdossier is het Hof van oordeel dat het aan belanghebbende voldoende kenbaar is geweest dat de onderhavige naheffingsaanslagen betrekking hadden op het jaar 2000, en dat het ontbreken van het heffingsjaar op de desbetreffende aanslagbiljetten niet hoeft te leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslagen.

4.5. Nu belanghebbende op het aangiftebiljet bestemd voor de forfaitaire mineralenheffing 2000 slechts de onder 2.2. vermelde gegevens heeft ingevuld heeft hij niet de vereiste aangifte gedaan. Hij heeft ook naderhand, hoewel hem daar meermalen om is gevraagd, niet de gegevens verstrekt die nodig zijn om de verschuldigde fosfaat- en stikstofheffingen te kunnen berekenen. Derhalve rust op hem de bewijslast om overtuigend aan te tonen in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Belanghebbende heeft echter ook in de onderhavige procedure niet de benodigde gegevens overgelegd en wenst dit ook niet alsnog te doen. Hij heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard niet van zins te zijn alsnog de door de Inspecteur gevraagde gegevens te verstrekken.

4.6. De Inspecteur heeft in de onder 2.6 bedoelde bijlage uiteengezet hoe de onderhavige naheffingsaanslagen zijn berekend. Ter zitting heeft hij zijn berekening nader toegelicht. Belanghebbende heeft de berekening niet inhoudelijk bestreden. Gelet op de door de Inspecteur toegelichte berekening, die het Hof op zich juist acht, is het Hof van oordeel dat de onderhavige naheffingsaanslagen door de Inspecteur in redelijkheid zijn vastgesteld.

4.7. In zijn uitspraken van 23 december 2005, nrs. 40 771 en 40 832, V-N 2006/4.4, heeft de Hoge Raad beslist dat het bij één aangiftebiljet te laat doen van aangifte voor verschillende heffingen in beginsel tot even zovele verzuimboeten leidt. Het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb brengt evenwel mee dat het totaalbedrag van die boeten – afgezien van bijzondere omstandigheden – niet hoger mag zijn dan de zwaarste boete die staat op één van die verzuimen. In het onderhavige geval is met betrekking tot beide naheffingsaanslagen een boete van € 4.500 (artikel 18, eerste lid, slotzin, van de Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau heffingen 1999) opgelegd. In overeenstemming met de vorenbedoelde uitspraken van de Hoge Raad dienen deze boeten in het onderhavige geval te worden teruggebracht tot éénmaal het maximale bedrag van € 4.500.

5. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 50 aan reis- en verblijfkosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- handhaaft de naheffingsaanslagen;

- vermindert het totaalbedrag van de verzuimboeten tot € 4.500;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 37;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 50 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan te Arnhem op 6 september 2006 door mrs Monsma, voorzitter, Kooijmans en Den Ouden, raadsheren. De beslissing is op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr Egberts als griffier.

(J.L.M. Egberts) (J.A. Monsma)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.