Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2006:AY8183

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
0600352 en 0600353
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de rechtbank ziet het hof in hetgeen Van Ooijen heeft aangevoerd geen onvoorziene omstandigheden die wijziging van het saneringsplan in de door Van Ooijen bedoelde zin, het nader bepalen van de looptijd van de ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling op drie jaar, redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen. Alle door Van Ooijen aangegeven en op de duur van de schuldsaneringsregeling van invloed zijnde omstandigheden waren de rechtbank reeds bekend ten tijde van het nemen van de beslissing om de looptijd te beperken tot twee jaar. Ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] hebben zich gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de boedelactiva noch in het inkomensverloop substantiële (onvoorziene) veranderingen voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 13 september 2006

Rekestnummers 0600352 en 0600353

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest in de zaak van

E.M. van Ooijen, in haar hoedanigheid van WSNP-bewindvoerder van

[schuldeiser 1], erkend concurrent schuldeiser,

domicilie kiezende te Roermond en Arnhem,

appellante,

hierna te noemen: Van Ooijen,

procureur mr K.V. van Weert,

advocaat mr J.A. Wagenaar.

Belanghebbenden:

1. [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats belanghebbende 1],

2. [belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats belanghebbende 2],

hierna gezamenlijk te noemen: [belanghebbenden 1 en 2],

procureur mr P.M. Wilmink,

advocaat mr T. Seker,

3. G.H. Jaspers Faijer,

gevestigd te Almelo,

hierna te noemen: de bewindvoerder

ter zitting van het hof vertegenwoordigd door de heer Lammerts,

hierna te noemen: de waarnemend bewindvoerder.

Het geding in eerste aanleg

Bij afzonderlijke vonnissen van 13 juli 2006 heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad inzake de sedert 4 mei 2004 op [belanghebbenden 1 en 2] van toepassing zijnde schuldsaneringsregelingen - voor zover hier van belang - de beslissing als bedoeld in artikel 354 lid 1 Faillissementswet (hierna: Fw) aangehouden en het verzoek van [schuldeiser 1] tot wijziging van het saneringsplan wat betreft een verlenging van de looptijd afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 20 juli 2006, heeft Van Ooijen het hof

verzocht bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het door de rechtbank Zwolle-Lelystad op 1 september 2005 vastgestelde saneringsplan nietig te verklaren en/of voornoemde vonnissen van 13 juli 2006 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van Van Ooijen alsnog toe te wijzen, aldus dat het saneringsplan wordt gewijzigd en dat de looptijd van de beide schuldsanerings-regelingen alsnog wordt bepaald op drie jaren, althans zodanige beslissingen te nemen als het hof zal vermenen te behoren, aldus dat de looptijd van de genoemde schuldsaneringen wordt bepaald op drie jaren.

Bij nadere motivering van het beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2006, heeft Van Ooijen de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2006, hebben [belanghebbenden 1 en 2] het verzoek bestreden en het hof verzocht om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I primair: het appel tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d.

1 september 2005 niet-ontvankelijk te verklaren;

subsidiair: de zijdens Van Ooijen tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 1 september 2005 geformuleerde grieven af te wijzen en het vonnis in stand te laten;

II de zijdens Van Ooijen tegen de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 1 (het hof begrijpt: 13) juli 2006 geformuleerde grieven af te wijzen en de vonnissen in stand te laten;

III Van Ooijen te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 5 september 2006 is de zaak behandeld.

De beoordeling

De inleiding

1. Bij afzonderlijke vonnissen van 4 mei 2004 heeft de rechtbank te Zwolle-Lelystad

de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] uitgesproken. Bij deze vonnissen is mr G. van Rijssen tot rechter-commissaris benoemd en de heer G.H. Jaspers Faijer tot bewindvoerder.

2. Op 1 september 2005 heeft voornoemde rechtbank ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] ambtshalve het saneringsplan vastgesteld op grond van artikel 289 lid 2 Fw en de termijn, gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, vastgesteld op twee jaar te rekenen vanaf 4 mei 2004, derhalve tot 4 mei 2006.

3. Op 21 juni 2006 is een verificatievergadering gehouden. [belanghebbenden 1 en 2], de bewindvoerder en Van Ooijen zijn daarbij verschenen.

4. Op 29 juni 2006 heeft de terechtzitting waarop de respectieve beëindigingen van de ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] van toepassing zijnde schuldsanerings-regelingen zijn behandeld plaatsgevonden. [belanghebbenden 1 en 2], de bewindvoerder, Van Ooijen en [schuldeiser 2] namens Bank of Scotland (hierna: [schuldeiser 2]) zijn daarbij verschenen.

5. Bij de vonnissen waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Tegen deze beslissingen is het hoger beroep van Van Ooijen gericht.

De beslissing van de rechtbank

6. De rechtbank acht in hetgeen Van Ooijen heeft aangevoerd geen onvoorziene omstandigheden gelegen die wijziging van het saneringsplan in de door Van Ooijen bedoelde zin - het nader bepalen van de looptijd van de regeling op drie jaar - redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen. De substantiële aflossingscapaciteit, de gestelde rechtsongelijkheid wat betreft de afwijking van de "standaard-looptijd" van drie jaar, de betwisting van de reden voor de bepaalde looptijd, noch de omstandigheid dat Van Ooijen geen wetenschap van (het Zwolse beleid ten aanzien van) de looptijd heeft gehad, kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 345 lid 1 Fw. Daartegenover staat het belang van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van de schuldenaren in de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank Zwolle-Lelystad, aldus de rechtbank.

De standpunten

7. Van Ooijen stelt dat de kern van het appel zich richt tegen het feit dat de schuldsaneringsregeling twee jaar in plaats van drie jaar duurt zonder dat daaraan een aanvaardbare motivering ten grondslag ligt. Zowel de wetgever als het door de (andere) rechtbanken gehanteerde beleid kent als norm "drie jaar, tenzij", aldus Van Ooijen. Primair is Van Ooijen van mening dat het saneringsplan is vastgesteld op een wijze die zich niet verdraagt met de wettelijke systematiek, hetgeen nietigheid wegens gebrek aan vormen meebrengt. Van Ooijen stelt daartoe dat een saneringsplan alleen op grond van artikel 289 lid 2 Fw mag worden vastgesteld als geen verificatievergadering is bepaald èn voorzienbaar is dat deze niet hoeft te worden gehouden. Van Ooijen stelt dat vanaf het begin van de schuldsanering duidelijk was dat er, gelet op het netto-inkomen van [belanghebbenden 1 en 2], een behoorlijke uitdeling aan de schuldeisers zou gaan plaatsvinden. Van Ooijen acht het evident dat de verkorting van de looptijd tot gevolg heeft dat de schuldeisers worden benadeeld. Nu de schuldeisers van de vaststelling van het saneringsplan vooraf noch achteraf (tijdig) op de hoogte zijn gebracht, is hun de appelmogelijkheid tegen de inhoud daarvan ontnomen, aldus Van Ooijen. Subsidiair is Van Ooijen van mening dat het saneringsplan gewijzigd dient te worden wegens onvoorziene omstandigheden, te weten de substantiële aflossingscapaciteit, de rechtsongelijkheid voor wat betreft de wettelijke (en landelijke) looptijd van drie jaar, de betwisting van de reden voor de kortere looptijd, de omstandigheid dat de schuldeisers niet op de hoogte waren van de vaststelling van het saneringsplan en het feit dat [belanghebbenden 1 en 2] noch de rechtbank bij het vaststellen van het saneringsplan konden voorzien dat Van Ooijen en [schuldeiser 2] zouden opkomen met een bezwaar tegen de verkorte looptijd. Meer subsidiair is Van Ooijen van mening dat de omstandigheid dat [belanghebbenden 1 en 2] redelijkerwijs voor een substantieel hoger boedelactief hadden kunnen zorgdragen grond voor tussentijdse beëindiging kan zijn. Volgens Van Ooijen kan het boedelactief alsnog worden aangevuld door de beslissing over de (tussentijdse) beëindiging aan te houden onder gelijktijdige aanpassing van het saneringsplan of door op de normale beëindigingszitting vast te stellen dat sprake is van een herstelbare tekortkoming. In het laatste geval kan de termijn van de schuldsaneringsregeling in het saneringsplan zodanig worden verlengd als nodig om die tekortkoming alsnog te herstellen, aldus Van Ooijen.

8. [belanghebbenden 1 en 2] stellen primair dat het tegen de vaststelling van het saneringsplan ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is, ten eerste omdat de wet daartegen geen appelmogelijkheid kent en ten tweede omdat de (eventuele) appeltermijn verlopen is. Subsidiair stellen [belanghebbenden 1 en 2] dat geen voorgeschreven vormen zijn verzuimd en meer subsidiair dat eventuele vormverzuimen niet van een dusdanige invloed zijn geweest dat het saneringsplan niet in stand kan blijven. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank, in het geval dat mogelijk een verificatievergadering moet worden gehouden, niet wettelijk (of anderszins) verplicht is om een saneringsplan niet conform artikel 289 lid Fw vast te stellen. Het is aan de rechtbank om de bij het vaststellen van het saneringsplan betrokken belangen af te wegen, aldus [belanghebbenden 1 en 2]. Zij voeren aan dat het beleid van de rechtbank Zwolle-Lelystad destijds was om schuldsaneringen in beginsel te beperken tot twee jaar, teneinde de bewindvoerdersorganisaties voldoende financiële (liquiditeits)ruimte te verschaffen en de uitvoering van de WSNP in het betreffende arrondissement te waarborgen. Rekening houdend met hun spaarcapaciteit heeft de rechtbank in de ogen van [belanghebbenden 1 en 2] evident de keuze gemaakt om het algemeen belang te laten prevaleren boven het belang van Van Ooijen. Voorts zijn [belanghebbenden 1 en 2] van mening dat de door Van Ooijen aangevoerde omstandigheden voor het bepalen van de duur van de schuldsaneringsregeling op drie jaar, geen wijzigingsgronden opleveren, aangezien deze niet onvoorzien waren op het moment dat het saneringsplan werd vastgesteld. Tot slot zijn [belanghebbenden 1 en 2] van mening dat geen plaats is voor tussentijdse beëindiging zonder schone lei, omdat zij al hun verplichtingen zijn nagekomen.

9. De waarnemend bewindvoerder heeft ter zitting de vraag opgeworpen of de in artikel 345 Fw voorgeschreven procedure in acht is genomen en zo nee, wat daarvan de consequenties voor deze zaak dienen te zijn.

Het oordeel

10. Ingevolge artikel 289 Fw kan de rechter zolang geen verificatievergadering is bepaald te allen tijde (ambtshalve) een saneringsplan vaststellen. De vrijheid om de bij het vaststellen van een saneringsplan betrokken belangen af te wegen, zoals schuldsanering versus schuldhulpverlening, heeft de wetgever in handen van de rechter gelegd.

11. Dit brengt mee dat de rechtbank Zwolle-Lelystad op grond van artikel 289 lid 2 Fw bevoegd was het saneringsplan ambtshalve vast te stellen zonder de schuldeisers daarover te horen, ook al was sprake van een substantiële aflossingscapaciteit aan de zijde van [belanghebbenden 1 en 2]. Aldus is geen sprake van nietigheid van het op 1 september 2005 vastgestelde saneringsplan wegens strijd met de wet of openbare orde.

12. Gelet op het bepaalde in artikel 360 Fw staat tegen een op de voet van artikel 289 lid 2 Fw vastgesteld saneringsplan in beginsel geen hogere voorziening open.

13. Voor zover bedoeld is erover te klagen dat de rechter de desbetreffende bepaling ten onrechte, dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast, of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, waardoor ondanks een wettelijke uitsluiting het hoger beroep toch ontvankelijk kan worden verklaard, overweegt het hof als volgt.

14. In het geval dat een beroep wordt gedaan op de doorbreking van het appelverbod moet het hoger beroep worden ingesteld binnen de wettelijke beroepstermijn.

15. In schuldsaneringszaken is de beroepstermijn in beginsel acht dagen. In de onderhavige kwestie dient bij deze termijn aansluiting te worden gezocht.

16. Gebleken is dat Van Ooijen bij brief van 29 maart 2006 bezwaar heeft gemaakt tegen de looptijd van de op [belanghebbenden 1 en 2] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling. Van Ooijen was dus in ieder geval op die datum op de hoogte van de in het saneringsplan opgenomen twee jaarstermijn, zodat vanaf die dag de beroepstermijn is aangevangen. In dit licht bezien is het eerst op 20 juli 2006 door Van Ooijen ingestelde appel tegen de inhoud van het saneringsplan te laat. Zodoende kan Van Ooijen reeds hierom niet worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep tegen (de termijn van) het op 1 september 2005 vastgestelde saneringsplan.

17. Ingevolge artikel 345 lid 1 Fw kan de rechter een saneringsplan wijzigen op verzoek van een of meer schuldeisers op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het plan niet ongewijzigd in stand kan blijven.

18. Uitgangspunt is dat met de vaststelling van het saneringsplan in beginsel komt vast te staan wat de rechten en verplichtingen van betrokkenen zijn. Na de vaststelling van het saneringsplan kunnen zich evenwel ontwikkelingen voordoen die een wijziging daarvan gewenst of noodzakelijk maken. Het saneringsplan wordt immers vastgesteld op basis van de op dat tijdstip voorhanden zijnde gegevens en toekomstverwachtingen betreffende met name de boedelactiva en het inkomensverloop.

19. Evenals de rechtbank ziet het hof in hetgeen Van Ooijen heeft aangevoerd geen onvoorziene omstandigheden die wijziging van het saneringsplan in de door Van Ooijen bedoelde zin, het nader bepalen van de looptijd van de ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling op drie jaar, redelijkerwijs kunnen rechtvaardigen. Alle door Van Ooijen aangegeven en op de duur van de schuldsaneringsregeling van invloed zijnde omstandigheden waren de rechtbank reeds bekend ten tijde van het nemen van de beslissing om de looptijd te beperken tot twee jaar. Ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] hebben zich gedurende de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de boedelactiva noch in het inkomensverloop substantiële (onvoorziene) veranderingen voorgedaan.

20. Naar aanleiding van de behandeling ter terechtzitting heeft het hof zich ook gebogen over de door de waarnemend bewindvoerder opgeworpen vraag of de in artikel 345 Fw voorgeschreven procedure in acht is genomen en zo nee, wat daarvan de consequenties voor deze zaak dienen te zijn.

21. Het hof stelt voorop dat Van Ooijen niet heeft geklaagd over een eventuele schending van de in artikel 345 Fw voorgeschreven procedure. Van Ooijen heeft daarbij ook geen belang, nu zij, [schuldeiser 2], [belanghebbenden 1 en 2] en de bewindvoerder - wat er ook zij van het door de bewindvoerder in acht te nemen publicatievereiste (artikel 345 lid 3 Fw) - zijn gehoord ter terechtzitting van de rechtbank waar (ook) het betreffende wijzigingsverzoek is behandeld. Mede gelet op de in lid 1 van genoemd artikel omschreven discretionaire bevoegdheid van de rechter is er geen sprake van een tot nietigheid leidend vormverzuim.

22. Op grond van het vorenstaande dient het subsidiaire verzoek van Van Ooijen tot wijziging van het saneringsplan in die zin dat de looptijd van de ten aanzien van [belanghebbenden 1 en 2] uitgesproken schuldsaneringsregelingen wordt bepaald op drie jaar te worden afgewezen.

23. Voor zover Van Ooijen meer subsidiair heeft aangevoerd dat [belanghebbenden 1 en 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, ligt de verwerping van deze stelling reeds besloten in het vorenstaande. Immers, nu de door Van Ooijen gestelde tekortkoming volgens Van Ooijen kennelijk en met name, naar het hof uit het door Van Ooijen aangevoerde begrijpt, daarin is gelegen dat tengevolge van de door de rechtbank vastgestelde termijn van twee jaar gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing is, [belanghebbenden 1 en 2] niet drie, maar slechts twee jaar boedel-afdrachten hebben gerealiseerd, kan zulks niet worden aangemerkt als een tekortkoming die aan [belanghebbenden 1 en 2] kan worden toegerekend, nu dit het gevolg is van een door de rechter ambtshalve genomen beslissing op dat punt.

Slotsom

24. Op grond van het voorgaande dient te worden beslist als na te melden.

25. Van Ooijen dient als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 2 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart Van Ooijen niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep tegen (de termijn van) het op 1 september 2005 vastgestelde saneringsplan;

bekrachtigt de vonnissen d.d. 13 juli 2006 waarvan beroep voor zover daarbij het (subsidiaire) verzoek van Van Ooijen tot wijziging van het saneringsplan wat betreft een verlenging van de looptijd is afgewezen;

veroordeelt Van Ooijen in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [belanghebbenden 1 en 2] op euro 74,- aan verschotten en op euro 1.788,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gewezen door mrs Melssen, voorzitter, Garos en Postma, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier, ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 13 september 2006.